ECLI:NL:PHR:2023:81

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 januari 2023
Publicatiedatum
18 januari 2023
Zaaknummer
21/02974
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens juiste bewijswaardering en schadeverdeling in ontuchtzaak minderjarige

De verdachte is door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens ontucht met een minderjarige tussen zestien en achttien jaar, met een gevangenisstraf van twee weken en een taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis. Tevens legde het hof schadevergoedingsmaatregelen op aan de verdachte.

Het cassatieberoep richt zich op de klacht dat het hof acht zou hebben geslagen op verklaringen van het slachtoffer die in andere strafzaken tegen medeverdachten zijn afgelegd en die niet in het dossier van de verdachte aanwezig zijn. Daarnaast wordt geklaagd over het gebruik van veroordelingen van medeverdachten bij de schadevergoedingsmaatregelen.

De procureur-generaal stelt dat het hof geen bewijsmiddelen heeft gebruikt die niet in het dossier aanwezig zijn en dat het hof de verklaringen van het slachtoffer in samenhang met andere bewijsstukken heeft gewogen. Ook is het hof terecht uitgegaan van de door de rechtbank vastgestelde schade en de verdeelsleutel voor aansprakelijkheid van de veroordeelden. De klachten falen dan ook en het cassatieberoep wordt verworpen.

De conclusie van de procureur-generaal leidt tot verwerping van het cassatieberoep. Er zijn geen ambtshalve gronden voor vernietiging van het arrest. Hiermee blijft de straf en de schadevergoedingsmaatregel van het hof in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de straf en schadevergoedingsmaatregelen van het hof blijven in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/02974

Zitting31 januari 2023
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 9 juli 2021 door het gerechtshof Amsterdam wegens "ontucht plegen met iemand die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof beslist op de vorderingen van benadeelde partijen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. Een en ander als nader in het arrest bepaald.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/03085, 21/03087 en 21/03211 en 21/03027 (peek). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt, S. van den Akker en P. van Dongen, allen advocaat te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

4. Het middel bevat de klacht dat het hof niet heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting. Deze klacht komt er in de kern op neer dat het hof, hoewel de zaak van de verdachte niet gevoegd en/of gelijktijdig is behandeld met de zaak tegen de medeverdachten, met betrekking tot het bewijs acht heeft geslagen op verklaringen die het slachtoffer heeft afgelegd in de strafzaken van de medeverdachten, terwijl deze verklaringen zich niet in het dossier van de onderhavige zaak bevinden, alsmede dat het hof met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen en de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen acht heeft geslagen op de door het hof in de strafzaken van andere verdachten uitgesproken veroordelingen, waarmee de verdediging niet bekend was.
5. Wat het bewijs betreft, geldt dat het hof geen bewijsmiddelen heeft gebezigd die zich niet in het dossier bevinden. Wel heeft het hof in een algemene bewijsoverweging over “onderzoek [naam] en betrouwbaarheid verklaringen van [benadeelde] ” overwogen dat het hof daar waar [benadeelde] eenduidig en/of specifiek verklaart over de aard en het aantal seksuele ontmoetingen, het contact met de betreffende mannen of personen en gebeurtenissen die daarmee verband houden, in beginsel geloof hecht aan zijn verklaringen. Daarbij heeft het hof aangegeven dat het bovendien
telkens(cursief hier en hierna door mij, D.P.) acht slaat op de mate waarin die verklaringen ten aanzien van
individueleverdachten steun vinden in de verklaringen van die verdachte zelf, in het berichtenverkeer
tussen hen beidenen in eventueel ander bewijs en dat het aldus telkens komt tot een waardering van het bewijsmateriaal in onderlinge samenhang. Hiermee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat het hof bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer in iedere afzonderlijke strafzaak zal bezien in hoeverre die verklaringen steun vinden in onder meer de verklaringen van de betreffende verdachte en hun onderlinge berichtenverkeer. Voor zover de stellers van het middel veronderstellen dat uit het bestreden arrest zou volgen dat het hof met betrekking tot de beoordeling van de betrouwbaarheid van de door het slachtoffer afgelegde verklaringen acht heeft geslagen op verklaringen van het slachtoffer die zijn afgelegd in de strafzaken tegen medeverdachten en die zich niet in het dossier van de verdachte bevinden, is die veronderstelling derhalve gebaseerd op een onjuiste lezing van het arrest en mist het middel in zoverre feitelijke grondslag.
6. Wat betreft de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen en de oplegging van schadevergoedingsmaatregelen geldt dat ter terechtzitting namens de verdachte slechts het verweer is gevoerd dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard zouden moeten worden omdat de behandeling hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding zou betekenen. [1] Een inhoudelijk verweer over de toewijsbaarheid van deze vorderingen is niet gevoerd, althans niet anders dan een – ongemotiveerd – verzoek om matiging. [2] Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw zelfs aangegeven dat zij zich “uiterst subsidiair” kan vinden in de verdeelsleutel zoals die is toegepast door de rechtbank. [3] De rechtbank heeft eerst de totale schade voor het slachtoffer die verband houdt met de strafbare feiten op basis van het onderzoek [naam] vastgesteld en vervolgens iedere veroordeelde aansprakelijk geacht voor het deel van de schade dat hem aangaat. Het hof heeft in zoverre niets anders gedaan. Het lot van het middel – dat in de kern ten aanzien van de vorderingen benadeelde partij en/of de schadevergoedingsmaatregelen betoogt dat deze verdeelsleutel niet had kunnen worden toegepast omdat de verdachte niet bekend was met het aandeel van de andere verdachten in het teweegbrengen van de schade van het slachtoffer – is hiermee ook bezegeld.
7. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Slotsom

8. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie randnummers 42-52 van de pleitnota. Op p. 6 van het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 juni 2021 staat dat de raadsvrouw van de verdachte aldaar verweer heeft gevoerd overeenkomstig deze pleitnota.
2.Zie randnummer 53 van de pleitnota.
3.Zie p. 7 van het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 juni 2021.