ECLI:NL:PHR:2023:810

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 oktober 2023
Publicatiedatum
14 september 2023
Zaaknummer
22/04024
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 94a SvArt. 552a SvArt. 36b SrArt. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt beschikking inzake beslag op camper als woonruimte wegens onvoldoende proportionaliteitsonderzoek

De zaak betreft een klaagschrift ex artikel 552a Sv tegen het beslag op een camper die aan de klager toebehoort en waarin hij feitelijk woont. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het klaagschrift ongegrond, stellende dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter de verbeurdverklaring van het voertuig zal bevelen vanwege recidive in het rijden zonder geldig rijbewijs.

De klager voerde aan dat hij dakloos is en de camper zijn woning is, waardoor de belangenafweging in zijn voordeel uit zou moeten vallen. De rechtbank ging echter niet expliciet in op de proportionaliteit en subsidiariteit van het voortduren van het beslag.

De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank wel degelijk blijk had moeten geven van een onderzoek naar deze aspecten, omdat de klager zwaarwegende persoonlijke belangen heeft aangevoerd. Het ontbreken van een dergelijk onderzoek maakt de motivering van de rechtbank onvolledig. Daarom wordt de beschikking vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

De conclusie benadrukt dat bij beslaglegging op woonruimte een zorgvuldige belangenafweging vereist is, waarbij het persoonlijke belang van de beslagene zwaar kan wegen, zeker bij langdurig beslag en ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling met onderzoek naar proportionaliteit en subsidiariteit van het beslag.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/04024 B
Zitting31 oktober 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de klager

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, heeft bij beschikking van 28 september 2022 het klaagschrift van de klager ex art. 552a Sv strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van een inbeslaggenomen camper (een Fiat 280 met het kenteken [kenteken]), ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. E. Tamas, advocaat te Den Haag, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel keert zich tegen de ongegrondverklaring van het klaagschrift.

2.De procesgang

2.1
Op 17 maart 2022 is op grond van art. 94 Sv Pro onder de klager de onder 1.1 genoemde camper in beslag genomen. De klager wordt ervan verdacht die camper te hebben bestuurd met een ongeldig verklaard rijbewijs.
2.2
Op 2 juli 2022 is namens de klager een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend, waarin wordt verzocht het beslag op de – volgens het klaagschrift aan de klager toebehorende – camper op te heffen. Het klaagschrift houdt, voor zover relevant, in:
“1. Namens [klager], geboren op [geboortedatum] 1985, verder te noemen "klager", die ter deze zake woonplaats kiest aan de Benoordenhoutseweg 23 te 2596 BA Den Haag, ten kantore van advocaat mr. drs. Emil Tamas, die voor de klager als raadsman optreedt, wordt bij dezes een beklag ex artikel 552 a Sv ingediend voor de teruggave van de door de Politie-Eenheid Zeeland-West Brabant omstreeks 16 maart 2022 in de buurt van Oudenbosch (gemeente Halderberge) in beslag genomen camperwagen, merk Fiat 280, met kenteken [kenteken] (hierna: camperwagen), dat op de naam van de klager is gesteld.
2. De politie heeft de camperwagen in beslag genomen, maar geen kennisgeving van inbeslagname afgegeven aan de klager. De klager is derhalve de reden van de inbeslagname van de camperwagen niet bekend. De klager is evenmin verteld waarnaartoe de camperwagen is gebracht.
3.. De camperwagen dient kennelijk niet (meer) om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, aan te tonen.
5. De klager heeft belang in de teruggave van de camperwagen omdat de klager feitelijk in de camperwagen woont.
6. De belangen die gediend worden met de inbeslagname van de camperwagen staan dus in een zeer disproportionele verhouding tot het belang van de klager in teruggave van de camperwagen
7. Klager wenst derhalve dat hem de camperwagen zo snel mogelijk teruggegeven wordt.
DE RAADKAMER VAN DE RECHTBANK WORDT DERHALVE VERZOCHT
I. Te gelasten dat het beslag op de camperwagen van de klager opgeheven wordt, en de camperwagen binnen 24 uur na de beslissing aan de klager teruggegeven wordt.”
2.3
Het schriftelijk standpunt van het openbaar ministerie d.d. 8 juli 2022 houdt, voor zover relevant, het volgende in:
“Op 17 maart 2022 is er tegen [klager] (hierna: verdachte) proces-verbaal opgemaakt wegens het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs (artikel 9 lid 2 Wegenverkeerswet Pro). Gelet op het feit dat sprake is van herhaald plegen van dit feit door verdachte, is het voertuig waarin hij reed inbeslaggenomen. Het gaat hier om een recent feit:
- pleegdatum 20 december 2021, proces-verbaal is bijgevoegd. Onderhavig voertuig is bij dit feit ook inbeslaggenomen. De Officier van Justitie heeft destijds beslist tot teruggave van het voertuig aan verdachte.
Het voertuig staat op naam van verdachte. Derhalve kan hij onbeperkt en ongestoord gebruik maken van het voertuig. Bij de overtreding d.d. 20-12-2021 is verdachte gewaarschuwd dat het voertuig bij een volgende overtreding inbeslaggenomen zou worden. Kennelijk heeft verdachte geen boodschap gehad aan deze waarschuwing. Gelet hierop is beslist tot handhaven van het beslag.
Gelet op hetgeen hierboven is beschreven is de mening toebedeeld dat verdachte kennelijk niet leert van eerdere aangezegde processen-verbaal en zelfs inbeslagname. Hij kan gebruik maken van het voertuig en laat zich er kennelijk niet van weerhouden het voertuig te besturen, terwijl zijn rijbewijs ongeldig is verklaard. De kans op recidive bij teruggave is groot
Het is daarom niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voertuig zal bevelen.
Het klaagschrift dient
ongegrondverklaard te worden.”
2.4
Op 14 september 2022 is het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld. In het proces-verbaal van de raadkamerzitting is het volgende te lezen:
“Officier van justitie:
Klager was een gewaarschuwd man. Klager is al eerder gewaarschuwd dat hij niet meer met de camper mocht gaan rijden. Niet alleen heeft klager recidive, klager heeft ook geen boodschap aan hetgeen hem gezegd wordt. Als ik het strafblad van klager bekijk stapelen de strafbare feiten die verband houden met het in beslag genomen goed zich in rap tempo op. Het Openbaar Ministerie zal een verbeurdverklaring voor het voertuig gaan vragen. Het klaagschrift dient ongegrond te worden verklaard.
Raadsman:
Ik wist niet dat er eerder gereden zou zijn met de camper. Er dient een belangenafweging te volgen die in het voordeel van klager uit dient te vallen. Klager is dakloos. De camper is niet alleen een vervoermiddel maar ook een woning voor klager. De enkele keer dat klager een strafbaar feit met de camper begaat weegt niet op tegen de gevolgen die klager zal ondervinden als de camper verbeurd wordt verklaard. Hij verliest daarmee zijn woning. Klager heeft verder enkel een postadres en heeft de afgelopen tijd gedetineerd gezeten. Klager is nu een week op vrije voeten en kan bij vrienden verblijven. Ik begrijp de waarschuwingen maar nogmaals, als klager de camper kwijtraakt wordt klager dakloos. De camper is voor klager meer dan een voertuig waarmee hij van A naar B gaat.
De rechter houdt de raadsman voor dat die laatste opmerking juist de problematiek schetst waar justitie tegenaan loopt. Klager mag niet met de camper van A naar B rijden.
Raadsman:
Dat klopt, dat heb ik klager ook voorgehouden. Klager kan ook een vriend de camper laten besturen. Klager heeft mij de belofte gedaan dat het de laatste keer is geweest. Klager moest op stel en sprong weg en heeft de verkeerde keuze gemaakt door met de camper te gaan rijden. Dit zal niet meer voorkomen zo is mij gezegd.”
2.5
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking hetgeen door de partijen is aangevoerd als volgt samengevat:
“Namens klager is aangevoerd dat de politie omstreeks 16 maart 2022 onder klager een kampeerwagen (Fiat 280, kenteken; [kenteken]) in beslag heeft genomen. Klager heeft nimmer een kennisgeving van inbeslagname mogen ontvangen. Er is geen strafvorderlijke grondslag die de verdere inbeslagname van de kampeerwagen dient. Klager heeft een groot belang bij de teruggave van de kampeerwagen nu dit de feitelijke woning van klager is. Reden waarom klager de rechtbank verzoekt zijn klaagschrift gegrond te verklaren onder teruggave van de kampeerwagen aan klager.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er op 17 maart 2022 tegen klager proces-verbaal is opgemaakt wegens het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs. Er is sprake van recidive. Het betreffende voertuig is al eerder in beslag genomen. De officier van justitie heeft in december 2021 besloten tot teruggave van het voertuig met daarbij de waarschuwing dat het voertuig bij een volgende overtreding in beslag genomen zou worden met het ook op een verbeurdverklaring. Hier heeft klager, kennelijk, geen boodschap aan gehad gelet op de volhardendheid die klager laat zien in het negeren van de verkeerswetgeving. Gelet op het voorgaande is het naar de mening van de officier van justitie niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voertuig zal bevelen.”
2.6
De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en heeft daartoe overwogen:

2. De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in het klaagschrift.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag:
a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv Pro beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met artikel 552f Sv.
De rechtbank maakt uit het raadkamerdossier en het verhandelde in raadkamer op dat klager recidiveert in het rijden zonder geldig rijbewijs. In december 2021 is klager al eens aangehouden en is de camper onder klager in beslag genomen. De officier van justitie heeft toen besloten tot teruggave en klager is op het hart gedrukt in het vervolg niet meer te gaan rijden met voornoemde camper. Desondanks heeft klager de keuze gemaakt weer te gaan rijden in de camper. Gelet hierop en binnen het summiere toetsingskader van de raadkamer is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend de verbeurdverklaring van de kampeerwagen zal bevelen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv Pro gelegde beslag ongegrond verklaren.

3.De beslissing

De rechtbank:
Verklaart het klaagschrift ongegrond.”

3.Het middel

3.1
Het middel komt op tegen de ongegrondverklaring van het klaagschrift en bevat de klacht dat de rechtbank haar oordeel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd nu de rechtbank ten onrechte niet heeft doen blijken te hebben onderzocht of het voortduren van het beslag ex art. 94 Sv Pro in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, terwijl namens de klager daarop uitdrukkelijk een beroep is gedaan. Hierbij merk ik op dat niet wordt geklaagd dat de rechtbank niet (uitdrukkelijk) ervan blijk heeft gegeven bij haar beoordeling van het beklag het tijdsverloop te hebben meegewogen.
3.2
De rechter is bij de beoordeling van het beklag over de inbeslagneming niet verplicht ambtshalve te onderzoeken of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Als echter door of namens de klager wordt aangevoerd dat zijn persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag zwaarder moeten wegen dan het met art. 94 Sv Pro en/of 94a Sv nagestreefde strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan, dan kan de rechter gehouden zijn blijk te geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Bij een beslag dat is gelegd op grond van art. 94a Sv kan de rechter daarnaast gehouden zijn blijk te geven van zo’n onderzoek als door of namens de klager wordt aangevoerd dat geen redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en). [1]
3.3
De vraag wanneer de rechter blijk moet geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, en – als dat het geval is – welke eisen moeten worden gesteld aan de motivering van zijn beslissing, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar is afhankelijk van de concrete onderbouwing en de indringendheid van de door of namens de klager aangevoerde argumenten. Ook is van belang wat daarover door het openbaar ministerie wordt ingebracht. Verder komt betekenis toe aan het tijdsverloop sinds de beslaglegging en aan de termijn waarbinnen een beslissing in de hoofdzaak of in de ontnemingsprocedure redelijkerwijs valt te verwachten. Naarmate meer tijd is verstreken – en de klager dus al langer door het beslag wordt getroffen – kan meer gewicht toekomen aan de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag. [2] Mede in verband met de beoordeling door de rechter of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit mag van het openbaar ministerie worden verlangd dat het, zoveel als mogelijk is gelet op de fase waarin de zaak zich bevindt, in de beklagprocedure informatie verschaft over het beslag en over de onderliggende strafzaak of ontnemingsprocedure. Omdat tijdens de raadkamerprocedure het onderzoek in de strafzaak en/of de ontnemingszaak veelal nog loopt, zal het openbaar ministerie in de regel alleen een voorlopige en globale uitspraak kunnen doen over de hoogte van de te vorderen betalingsverplichting. [3]
3.4
In de onderhavige zaak heeft de rechtbank er geen blijk van gegeven te hebben nagegaan of de persoonlijke belangen van de klager zwaarder moeten wegen dan de strafvorderlijke belangen bij de voortduring van het beslag. De vraag is of hetgeen namens de klager in dit verband is aangevoerd de rechtbank had moeten nopen een onderzoek te verrichten naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
3.5
De raadsman van de klager heeft – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte enkel een postadres heeft en dat de camper feitelijk zijn woning is. Een (latere) verbeurdverklaring van die camper is volgens de raadsman disproportioneel, omdat de klager daarmee niet enkel een vervoersmiddel, maar tevens zijn woning verliest en dat hij daardoor dakloos wordt.
3.6
Ik heb getwijfeld of hetgeen namens de klager is aangevoerd de rechtbank noopte tot het verrichten van een (kenbaar) onderzoek naar de proportionaliteit en subsidiariteit van het voortduren van het beslag. De klager heeft zijn standpunt niet onderbouwd met enig (begin van) bewijs, terwijl dit wel op zijn weg had gelegen. Toch hel ik over naar het standpunt van de steller van het middel dat de rechtbank wel tot zo’n onderzoek was gehouden. Uit de gedingstukken rijst immers het ernstige vermoeden dat de klager inderdaad niet beschikt(e) over een bekende woon- of verblijfplaats in Nederland en dat de camper in feite zijn woning is. [4] Gelet hierop en in aanmerking genomen dat in het kader van een proportionaliteitstoets in mijn ogen hetgeen namens de klager is aangevoerd, zoals weergegeven onder 3.5, in beginsel voldoende zwaarwegend is om de balans tussen enerzijds het persoonlijk belang van de klager en anderzijds het strafvorderlijk belang in de richting van de klager te kunnen doen doorslaan, klaagt het middel terecht dat de rechtbank in de motivering van haar beslissing ervan blijk had dienen te geven een onderzoek te hebben verricht naar de vraag of voortzetting van het beslag op de camper in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

4.Conclusie

4.1
Het middel slaagt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:81,
2.HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:81,
3.HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:81,
4.In de kennisgeving van inbeslagneming relateren de verbalisanten dat de camper tevens de woning van de klager is. Voor zover ik heb kunnen nagaan, blijkt uit de overige gedingstukken niet dat ten tijde van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer van de klager een woon- of verblijfplaats (in Nederland) bekend was. Tot slot merk ik op dat de Informatiestaat SKDB-persoon van 22 februari 2023, hoewel deze dateert van na de behandeling van het klaagschrift in raadkamer en de bestreden beschikking, inhoudt dat de klager vanaf 4 oktober 2021 in de Basisregistratie personen (BRP) staat ingeschreven als niet-ingezetene met als adres “Vertrokken Onbekend Waarheen (VOW)” en dat per 10 oktober 2022 bij het adres van de klager staat vermeld “ZVWOVHTL” (te weten: zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande).