ECLI:NL:PHR:2023:814

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 september 2023
Publicatiedatum
15 september 2023
Zaaknummer
22/03580
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SvArt. 331 SvArt. 345 SvArt. 328 SvArt. 414 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het recht van de raadsman tot het doen van een verzoek na het laatste woord van de verdachte in hoger beroep

In deze zaak werd de verdachte door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens diefstal en kreeg hij een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opgelegd. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep voerde de raadsman namens de verdachte het pleidooi, waarna de advocaat-generaal afzag van repliek. Vervolgens kreeg de verdachte het recht het laatst te spreken, wat hij ook deed. De raadsman kondigde nog een verzoek aan over de voorlopige hechtenis, maar de voorzitter wees dit af omdat het wettelijk systeem dit niet toestond nadat het laatste woord was gegeven.

De raadsman stelde dat het hof hiermee handelde in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde en dat het onderzoek en arrest nietig waren. De Hoge Raad oordeelde dat er formeel geen verzoek was gedaan, slechts een aankondiging daarvan. Verder is het recht op het laatste woord strikt aan de verdachte toegekend en niet aan diens raadsman. De raadsman heeft de mogelijkheid om tijdens het pleidooi of eerder een verzoek te doen, maar niet na het laatste woord van de verdachte.

De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin werd bevestigd dat het recht van het laatste woord aan de verdachte moet worden gelaten, maar dat de raadsman geen zelfstandig recht op het laatste woord heeft. De voorzitter handelde binnen het wettelijke kader en de beginselen van een behoorlijke procesorde door het verzoek van de raadsman niet meer toe te staan na het laatste woord van de verdachte. Het cassatieberoep werd daarom verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het hof niet onrechtmatig handelde door de raadsman geen gelegenheid te geven een verzoek over voorlopige hechtenis te doen na het laatste woord van de verdachte.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/03580
Zitting26 september 2023
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte
I.
Inleiding
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 14 september 2022 in de zaken met de parketnummers 08-245027-20 onder 1, 2, 3 en 4, 08-017944-19, 08-073788-19, 08-165315-19 onder 1, 2 en 4 en 08-172493-20 de verdachte telkens wegens “diefstal” veroordeeld en hem de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opgelegd voor de duur van twee jaren.
2 Namens de verdachte hebben S. van den Akker en R.J. Baumgardt, destijds beiden advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
II.
Het middel
3. Het middel klaagt dat het hof
de factoheeft geweigerd een beslissing te nemen op een verzoek waartoe de verdachte gerechtigd was en/of heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde.
4. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof ter terechtzitting van 31 augustus 2022, nadat de verdachte het laatste woord had gevoerd, ten onrechte de raadsman niet in de gelegenheid heeft gesteld een verzoek te doen ten aanzien van de voorlopige hechtenis omdat het wettelijk systeem zich daartegen zou verzetten. Om die reden zijn volgens de stellers van het middel het onderzoek ter terechtzitting en het arrest nietig. [1]
III.
Het onderzoek ter terechtzitting
5. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 31 augustus 2022 houdt onder meer het volgende in:
“De advocaat-generaal draagt de zaak voor.
De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven. De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:
[…]
De voorzitter ondervraagt de verdachte. De overige raadsheren, de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte krijgen ook de gelegenheid de verdachte vragen te stellen.
[…]
De voorzitter bespreekt de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en deelt mondeling mee de korte inhoud van:
[…]
De voorzitter doet de in de rechtszaal verschenen deskundige voor het hof verschijnen.
[…]
De advocaat-generaal voert het woord, leest de vordering voor en legt die aan het hof over. De advocaat-generaal voert aan, zakelijk weergegeven:
[…]
De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig de overlegde pleitaantekeningen, welke aan dit proces-verbaal zijn gehecht.
De raadsman voert voorts aan, zakelijk weergegeven:
[…]
De advocaat-generaal maakt geen gebruik van de mogelijkheid tot repliek.
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken:
Ik zou het fijn vinden als de stukken die ik bij mij heb door u worden doorgenomen.
U, voorzitter, vraagt mij of ik dat besproken heb met mijn raadsman. U houdt mij voor dat het namelijk gebruikelijk is ervoor te zorgen dat het Openbaar Ministerie deze stukken ook in kopie ontvangt.
Dat wist ik niet. Ze zeiden tegen mij dat ik dat op zitting moest geven. Er zijn veel stukken verdwenen. Laat dan maar.
Ik wil u vragen de mensen op te roepen en mijn telefoons uit te lezen. De reclassering heeft een intake tegengehouden. De gemeente en de rechter zeggen dat ze mij willen helpen, maar ik heb woonruimte nodig. Ik heb alle informatie opgevraagd over wat ik moest doen om bij het hostel geplaatst te worden. [betrokkene 1] gaat over alle dingen heen. Zij kan geen antwoord geven, want zij heeft mij op straat laten slapen. Vanaf 2016 hebben mijn partner en ik meerdere malen met Tactus gesprekken gehad en zouden wij een woning krijgen. Dat kunnen wij aantonen. Er moet gepraat worden met de mensen waarover ik stukken heb. Na 18 december is er geen enkel contact meer geweest tussen Tactus en [betrokkene 1]. Zij hebben niets gedaan. De officier van justitie laat zaken verdwijnen omdat ik reclasseringstoezicht heb. Tactus is mijn toezichthouder en bij het Leger des Heils kom ik alleen om mijn taakstraf te voldoen. Ik heb dus niets met deze mensen te maken. De feiten die ik heb gepleegd, heb ik gepleegd om in leven te blijven en om te kunnen eten en drinken.
De raadsman voert aan, zakelijk weergegeven:
Ik heb nog een verzoek over de voorlopige hechtenis.
De voorzitter deelt mede:
Dat gaat nu niet meer. U kent het wettelijk systeem.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten […].”

IV. Het juridisch kader

6. Het stramien van het verloop van het onderzoek ter terechtzitting is neergelegd in de artikelen 311 Sv en 345, eerste lid, Sv. Deze wettelijke bepalingen luiden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt:
-
Art. 311 Sv Pro:
“1. Nadat de ondervraging van de verdachte heeft plaatsgehad, de aanwezige getuigen en deskundigen zijn gehoord en het spreekrecht is uitgeoefend, kan de officier van justitie het woord voeren; hij legt zijn vordering na voorlezing aan de rechtbank over. De vordering omschrijft de straf en maatregel, indien oplegging daarvan wordt geëist; zij vermeldt in dat geval tevens welk strafbaar feit zou zijn begaan. De officier van justitie maakt, voor zover zulks aan de verdachte niet reeds eerder was gebleken, kenbaar of hij voornemens is een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken, alsmede of daartoe een strafrechtelijk financieel onderzoek, als bedoeld in artikel 126 is Pro ingesteld. Van deze mededeling van de officier van justitie wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting aantekening gemaakt.
2. De verdachte kan hierop antwoorden.
3. De officier van justitie kan daarna andermaal het woord voeren.
4. Aan de verdachte wordt op straffe van nietigheid het recht gelaten om het laatst te spreken.
5. De voorzitter kan bepalen dat aan de verdachte, getuigen en deskundigen nieuwe vragen worden gesteld en dat stukken worden voorgelezen. In dat geval kunnen de officier van justitie en de verdachte op de hiervoor vermelde voet, het woord voeren.”
-
Art. 345, eerste lid, Sv:
“Na afloop van het onderzoek wordt dit door den voorzitter gesloten verklaard […].”
7. Uit art. 311 Sv Pro volgt op welke momenten de betrokken procespartijen tijdens de terechtzitting in de gelegenheid worden gesteld het woord te voeren. Het tweede lid van dit artikel voorziet erin dat na het requisitoir van de officier van justitie (en de overlegging van diens vordering) de verdachte het woord verkrijgt om te reageren op het betoog van de officier van justitie. Omdat op grond van art. 331, eerste lid, Sv aan elke bij Titel VI (de behandeling van de zaak door de rechtbank) aan de verdachte toegekende bevoegdheid ook toekomt aan de raadsman die de ter terechtzitting aanwezige verdachte bijstaat, of die op grond van art. 279, eerste lid, Sv tot verdediging van de afwezige verdachte is toegelaten, biedt art. 311, tweede lid, Sv ook de wettelijke grondslag voor het moment waarop de raadsman bij pleidooi namens de verdachte het woord kan voeren, al dan niet aan de hand van een pleitnota. Daarna is er voor de officier van justitie ruimte voor repliek (derde lid). Wordt van deze mogelijkheid door de officier van justitie gebruik gemaakt, dan volgt daarna in de praktijk doorgaans de dupliek van de raadsman, hetgeen dan tevens het laatst gesproken woord van de advocaat impliceert. [2] Ziet de officier van justitie af van repliek – en dus van een reactie op het pleidooi –, dan brengt dit mee dat ook de raadsman na het pleidooi is uitgesproken. [3]
8. Is de verdachte ter terechtzitting aanwezig, dan dient hem het recht op het (aller)laatste woord hoe dan ook te worden gelaten, en wel op straffe van nietigheid (vierde lid). [4] “Dit recht heeft zowel betrekking op de repliek (vgl. lid 3) als op het klassieke laatste woord”, aldus De Hullu in zijn noot onder HR 14 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0820,
NJ1998/243. Niettemin, zo blijkt al uit het voorgaande, is er een belangrijk strafvorderlijk verschil tussen dupliek en (aller)laatste woord. Als sprake is van een repliek aan de zijde van het openbaar ministerie, dan zal de raadsman zelf het initiatief moeten nemen om daartegenover het woord tot dupliek te voeren. Sinds dat arrest van 14 oktober 1997 behoeft de rechter de raadsman daartoe niet (meer) in zoveel woorden in de gelegenheid te stellen. [5] Het gaat hier immers om een bevoegdheid waarvan de raadsman gebruik kan maken, maar de wens daartoe zal hij wel eigener beweging naar voren moeten brengen. Bij de, ter terechtzitting aanwezige, verdachte ligt dat anders. Deze moet door actief handelen van de rechter in staat worden gesteld als (aller)laatste te spreken. En hoewel art. 331, eerste lid, Sv alle in Titel VI genoemde bevoegdheden van de verdachte tevens toekent aan de raadsman, gaat dit voorschrift dus niet zover dat aan de raadsman een laatste woord in de zin van art. 311, vierde lid, Sv wordt
gelatenzoals bij de verdachte het geval is. [6]
9. Krachtens art. 415, eerste lid, Sv is hetgeen hiervoor over de procedurele gang van zaken ter terechtzitting is geschreven, ook van toepassing in hoger beroep.
10. Het komt mij dienstig voor hier nog op drie arresten van de Hoge Raad te wijzen. Ten eerste. In HR 5 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AB9001,
NJ1993/494 was het laatste woord aan de raadsman onthouden. Wat was het geval? Na het requisitoir van de procureur-generaal bij het ressortsparket voerden de verdachte en diens raadsman het woord tot verdediging. De procureur-generaal maakte geen gebruik van de mogelijkheid tot repliek en dus had de voorzitter direct daarna het laatste woord aan de verdachte kunnen geven. De verdachte kreeg dat laatste woord wel, maar daar ging toch nog een inhoudelijke vraag van de voorzitter aan vooraf: waarom had de verdachte bij de politie had verklaard dat hij het slachtoffer met de blote vuisten geslagen? Die vraag werd door de verdachte beantwoord, waarna aan hem het recht werd gelaten als laatste te spreken en het onderzoek door de voorzitter werd gesloten. Het middel klaagde dat na die laatste vraag van de voorzitter “wel aan de verdachte maar niet aan diens raadsman het recht gelaten was om het laatst te spreken.“ Volgens de Hoge Raad was het middel weliswaar terecht voorgesteld, maar behoefde dit in dat geval niet tot cassatie te leiden. De bepaling dat aan de verdachte en — ingevolge het eerste lid van art. 331 Sv Pro — zijn raadsman het laatste woord moet worden gelaten (dit zijn de woorden van de Hoge Raad), strekt er namelijk toe dat geen onderdeel van het onderzoek hetwelk ten bezware van de verdachte zou kunnen strekken door deze onweersproken behoeft te blijven. In aanmerking genomen verdachtes ter terechtzitting afgelegde verklaringen alsmede het pleidooi van zijn raadsman, viel niet in te zien dat aan deze strekking tekort was gedaan, terwijl voorts de omstandigheid dat de raadsman niet in de gelegenheid was gesteld na de beantwoording van de laatste vraag van de voorzitter nogmaals het woord te voeren de verdachte niet in enig hem betreffend te respecteren belang kon hebben getroffen. Het vormverzuim leidde onder die omstandigheden niet tot nietigheid van het onderzoek en de daarop gebaseerde uitspraak.
11. Ten tweede. In HR 27 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:978 was door het hof aan de verdachte het recht gelaten het laatst te spreken. De
verdachtedeelde in zijn slotakkoord mee dat hij nog enkele stukken wilde indienen en aan het dossier wilde laten toevoegen. Eén stuk diende “om al hetgeen gevraagd en geëist opnieuw te eisen en te vragen in verband met een cassatie”. De verdachte wilde dit indienen “om juridisch sterk te staan“. Ook wilde de verdachte kleurenfoto’s toevoegen aan het dossier “ter verduidelijking van de afstanden en de toestand ter plaatse”. Na onderbreking van het onderzoek voor beraad, deelde de voorzitter mee dat de verdachte te laat was met het overleggen van nieuwe stukken. De Hoge Raad oordeelde als volgt. Op grond van art. 414, eerste lid, tweede volzin, Sv zijn de advocaat-generaal bij het ressortsparket en de verdachte bevoegd voor of bij de behandeling van een zaak in hoger beroep nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. De uitoefening van die bevoegdheid kan in voorkomende gevallen door de rechter worden getoetst aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde. Omdat een algemene regel daarover niet valt te geven, zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld of aan die eisen is voldaan. Daarbij komt onder meer betekenis toe “aan de (belastende dan wel ontlastende) aard van de over te leggen bescheiden of stukken en, als het gaat om belastende bescheiden of stukken, aan de (al dan niet complexe) aard van de te berechten zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt”. Als de rechter van oordeel is dat de beginselen van een goede procesorde zich ertegen verzetten dat nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging worden overgelegd en dat die overlegging daarom niet kan worden toegestaan, zal de rechter deze beslissing moeten motiveren. Nu het hof bij de beslissing om het overleggen van de stukken en de foto’s tijdens het laatste woord van de verdachte niet toe te staan, slechts het moment waarop het verzoek is gedaan in aanmerking had genomen, had het daarmee, gelet op wat de Hoge Raad had vooropgesteld, zijn beslissing ontoereikend gemotiveerd.
12. Ten derde. In het hiervoor aangehaalde arrest van 27 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:978 verwijst de Hoge Raad wat betreft de bedoelde motiveringsplicht voor de rechter naar zijn arrest van 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1503,
NJ2021/339. Bij monde van de voorzitter had het hof na beraad de zitting hervat en meegedeeld dat het verzoek van de
raadsman –in het hierboven aangehaalde arrest was het verzoek door de verdachte zelf gedaan – tot het toevoegen van stukken aan het dossier, dat aan het begin van de zitting vooralsnog was afgewezen, definitief werd afgewezen. Volgens het hof had de raadsman gelegenheid gehad om er bij pleidooi een punt over te maken en dat had niet geleid tot een ander standpunt van het hof. In reactie op de opmerking van de verdachte dat hij dit jammer vond, omdat er veel uit bleek, merkte de voorzitter op dat de verdachte en de raadsman er wel wat over hadden verteld. Evenals in het arrest van 27 juni 2023 (de bewoordingen zijn gelijk) kwam de Hoge Raad tot een vooropstellende beschouwing over het overleggen van bescheiden of stukken van overtuiging als bedoeld in art. 441 Sv Pro en de beginselen van een goede procesorde die in dit verband ter toetsing dienen. Gelet op hetgeen was vooropgesteld stelde de Hoge Raad vast dat het hof slechts het tijdstip waarop het verzoek was gedaan en de omstandigheid dat de raadsman bij pleidooi zich over de stukken had kunnen uitlaten in aanmerking had genomen. Daarmee had het hof zijn beslissing ontoereikend gemotiveerd. [7]
V.
Bespreking van het middel
13. Ik kom toe aan mijn bespreking van het middel. Voor zover daarin de klacht besloten ligt dat het hof geen beslissing heeft genomen op een verzoek van de raadsman, mist het feitelijke grondslag. Er is ter ’s hofs terechtzitting immers formeel (nog) geen verzoek in de zin van de wet door de raadsman gedaan. De raadsman kondigde slechts aan een verzoek te willen doen.
14. Voor zover het middel de klacht behelst dat de voorzitter de raadsman van de verdachte de gelegenheid had moeten geven om het verzoek als bedoeld in art. 328 Sv Pro in verbinding met art. 331 Sv Pro naar voren te brengen, geldt het volgende.
15. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft de raadsman namens de verdachte het pleidooi gehouden, waarna de advocaat-generaal van repliek heeft afgezien. Vervolgens is aan de verdachte het recht gelaten het laatst te spreken, van welk recht de verdachte gebruik heeft gemaakt. Anders dan in HR 5 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AB9001,
NJ1993/494 is in de onderhavige zaak niet nog door de voorzitter een inhoudelijke vraag aan de verdachte gesteld, noch is door de verdachte of zijn raadsman een verzoek tot het overleggen van stukken gedaan zoals het geval was in HR 27 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:978 en HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1503,
NJ2021/339. Als ik goed zie betreffen de inleidende beschouwingen van de Hoge Raad in de twee laatstgenoemde arresten de bevoegdheid van ook de verdachte en/of diens raadsman bij onder meer de behandeling van de zaak nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. Het gaat daarbij om bescheiden en stukken die (zo mag men in dat geval aannemen) een ontlastende strekking hebben. Het is die bevoegdheid die in voorkomende gevallen door de rechter kan worden getoetst aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een goede procesorde. Of aan die eisen is voldaan zal alsdan per geval moeten worden beoordeeld.
16. De mededeling van de raadsman in de onderhavige zaak dat hij nog een verzoek had over de voorlopige hechtenis valt niet in de categorie van ontlastend materiaal dat in een (te) laat stadium naar voren wordt gebracht. Het komt mij, anders dan de stellers van het middel, voor dat een toetsing aan de eisen die uit de beginselen van een goed procesorde voortvloeien hier niet aan de orde is. Misschien zou een andere voorzitter minder strikt in de leer zijn geweest en de raadsman de gelegenheid hebben geboden tot slot nog iets over de voorlopige hechtenis te berde te brengen. Maar dat neemt niet weg dat, nu daartegen mijns inziens geen juridische belemmering bestaat, het de voorzitter in de onderhavige zaak vrijstond met een beroep op het wettelijk systeem die deur voor de raadsman dicht te doen. In de gewraakte mededeling van de voorzitter ligt besloten dat de raadsman voldoende tijd had om dat punt bij pleidooi, of desnoods eerder, aan de orde te stellen. Ik meen dat hier de lijn moet worden gevolgd zoals uiteengezet in HR 5 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AB9001,
NJ1993/494: "De bepaling dat aan de verdachte en – ingevolge het eerste lid van art. 331 Sv Pro – zijn raadsman het laatste woord moet worden gelaten strekt ertoe dat geen onderdeel van het onderzoek hetwelk ten bezware van de verdachte zou kunnen strekken door deze onweersproken behoeft te blijven. In aanmerking genomen verdachtes ter terechtzitting afgelegde verklaringen, voor zover hiervoren […] weergegeven, alsmede het hiervoren […] weergegeven pleidooi van zijn raadsman, valt niet in te zien dat aan deze strekking te kort is gedaan, terwijl voorts de omstandigheid dat de raadsman niet in de gelegenheid is gesteld na de hiervoor […] weergegeven verklaring van de verdachte nogmaals het woord te voeren de verdachte niet in enig hem betreffend te respecteren belang kan hebben getroffen.”
17. Overigens zij nog het volgende opgemerkt. Niet valt uit te sluiten – ik ga er zelfs van uit – dat de raadsman een verzoek had willen doen tot opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis. Blijkens het arrest heeft het hof kennelijk geen reden gezien daartoe ambtshalve over te gaan.
VI.
Slotsom
18. Het middel faalt.
19. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.“Ook klachten over de niet-naleving van vormvoorschriften die ter zitting in acht genomen moeten worden, kunnen leiden tot vernietiging van de einduitspraak”, aldus A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers,
2.Ik wijs in dit verband op HR 25 november 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC7056, NJ 1981/128, in welk arrest de Hoge Raad reeds overwoog:
3.Zo reeds HR 14 oktober 1986, ECLI:NL:1986:AC3766, NJ 1987/391:
4.Zie daarover G.J.M. Corstens,
5.De Hullu signaleert in zijn genoemde noot, dat dit tot aan deze uitspraak anders was, zulks met verwijzing naar HR 5 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC8888,
6.Remmelink, a.w., p. 225 wijst er op dat bovendien de positie van de raadsman een andere is dan die van de verdachte. De raadsman is professioneel hulpverlener die als zodanig en niet meegesleept door emoties op het requisitoir en eventueel de repliek reageert.
7.Vgl. in iets andere bewoordingen HR 9 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7709,