Conclusie
Inleiding
Het middel
de factoheeft geweigerd een beslissing te nemen op een verzoek waartoe de verdachte gerechtigd was en/of heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde.
Het onderzoek ter terechtzitting
IV. Het juridisch kader
Art. 345, eerste lid, Sv:
NJ1998/243. Niettemin, zo blijkt al uit het voorgaande, is er een belangrijk strafvorderlijk verschil tussen dupliek en (aller)laatste woord. Als sprake is van een repliek aan de zijde van het openbaar ministerie, dan zal de raadsman zelf het initiatief moeten nemen om daartegenover het woord tot dupliek te voeren. Sinds dat arrest van 14 oktober 1997 behoeft de rechter de raadsman daartoe niet (meer) in zoveel woorden in de gelegenheid te stellen. [5] Het gaat hier immers om een bevoegdheid waarvan de raadsman gebruik kan maken, maar de wens daartoe zal hij wel eigener beweging naar voren moeten brengen. Bij de, ter terechtzitting aanwezige, verdachte ligt dat anders. Deze moet door actief handelen van de rechter in staat worden gesteld als (aller)laatste te spreken. En hoewel art. 331, eerste lid, Sv alle in Titel VI genoemde bevoegdheden van de verdachte tevens toekent aan de raadsman, gaat dit voorschrift dus niet zover dat aan de raadsman een laatste woord in de zin van art. 311, vierde lid, Sv wordt
gelatenzoals bij de verdachte het geval is. [6]
NJ1993/494 was het laatste woord aan de raadsman onthouden. Wat was het geval? Na het requisitoir van de procureur-generaal bij het ressortsparket voerden de verdachte en diens raadsman het woord tot verdediging. De procureur-generaal maakte geen gebruik van de mogelijkheid tot repliek en dus had de voorzitter direct daarna het laatste woord aan de verdachte kunnen geven. De verdachte kreeg dat laatste woord wel, maar daar ging toch nog een inhoudelijke vraag van de voorzitter aan vooraf: waarom had de verdachte bij de politie had verklaard dat hij het slachtoffer met de blote vuisten geslagen? Die vraag werd door de verdachte beantwoord, waarna aan hem het recht werd gelaten als laatste te spreken en het onderzoek door de voorzitter werd gesloten. Het middel klaagde dat na die laatste vraag van de voorzitter “wel aan de verdachte maar niet aan diens raadsman het recht gelaten was om het laatst te spreken.“ Volgens de Hoge Raad was het middel weliswaar terecht voorgesteld, maar behoefde dit in dat geval niet tot cassatie te leiden. De bepaling dat aan de verdachte en — ingevolge het eerste lid van art. 331 Sv Pro — zijn raadsman het laatste woord moet worden gelaten (dit zijn de woorden van de Hoge Raad), strekt er namelijk toe dat geen onderdeel van het onderzoek hetwelk ten bezware van de verdachte zou kunnen strekken door deze onweersproken behoeft te blijven. In aanmerking genomen verdachtes ter terechtzitting afgelegde verklaringen alsmede het pleidooi van zijn raadsman, viel niet in te zien dat aan deze strekking tekort was gedaan, terwijl voorts de omstandigheid dat de raadsman niet in de gelegenheid was gesteld na de beantwoording van de laatste vraag van de voorzitter nogmaals het woord te voeren de verdachte niet in enig hem betreffend te respecteren belang kon hebben getroffen. Het vormverzuim leidde onder die omstandigheden niet tot nietigheid van het onderzoek en de daarop gebaseerde uitspraak.
verdachtedeelde in zijn slotakkoord mee dat hij nog enkele stukken wilde indienen en aan het dossier wilde laten toevoegen. Eén stuk diende “om al hetgeen gevraagd en geëist opnieuw te eisen en te vragen in verband met een cassatie”. De verdachte wilde dit indienen “om juridisch sterk te staan“. Ook wilde de verdachte kleurenfoto’s toevoegen aan het dossier “ter verduidelijking van de afstanden en de toestand ter plaatse”. Na onderbreking van het onderzoek voor beraad, deelde de voorzitter mee dat de verdachte te laat was met het overleggen van nieuwe stukken. De Hoge Raad oordeelde als volgt. Op grond van art. 414, eerste lid, tweede volzin, Sv zijn de advocaat-generaal bij het ressortsparket en de verdachte bevoegd voor of bij de behandeling van een zaak in hoger beroep nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. De uitoefening van die bevoegdheid kan in voorkomende gevallen door de rechter worden getoetst aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde. Omdat een algemene regel daarover niet valt te geven, zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld of aan die eisen is voldaan. Daarbij komt onder meer betekenis toe “aan de (belastende dan wel ontlastende) aard van de over te leggen bescheiden of stukken en, als het gaat om belastende bescheiden of stukken, aan de (al dan niet complexe) aard van de te berechten zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt”. Als de rechter van oordeel is dat de beginselen van een goede procesorde zich ertegen verzetten dat nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging worden overgelegd en dat die overlegging daarom niet kan worden toegestaan, zal de rechter deze beslissing moeten motiveren. Nu het hof bij de beslissing om het overleggen van de stukken en de foto’s tijdens het laatste woord van de verdachte niet toe te staan, slechts het moment waarop het verzoek is gedaan in aanmerking had genomen, had het daarmee, gelet op wat de Hoge Raad had vooropgesteld, zijn beslissing ontoereikend gemotiveerd.
NJ2021/339. Bij monde van de voorzitter had het hof na beraad de zitting hervat en meegedeeld dat het verzoek van de
raadsman –in het hierboven aangehaalde arrest was het verzoek door de verdachte zelf gedaan – tot het toevoegen van stukken aan het dossier, dat aan het begin van de zitting vooralsnog was afgewezen, definitief werd afgewezen. Volgens het hof had de raadsman gelegenheid gehad om er bij pleidooi een punt over te maken en dat had niet geleid tot een ander standpunt van het hof. In reactie op de opmerking van de verdachte dat hij dit jammer vond, omdat er veel uit bleek, merkte de voorzitter op dat de verdachte en de raadsman er wel wat over hadden verteld. Evenals in het arrest van 27 juni 2023 (de bewoordingen zijn gelijk) kwam de Hoge Raad tot een vooropstellende beschouwing over het overleggen van bescheiden of stukken van overtuiging als bedoeld in art. 441 Sv Pro en de beginselen van een goede procesorde die in dit verband ter toetsing dienen. Gelet op hetgeen was vooropgesteld stelde de Hoge Raad vast dat het hof slechts het tijdstip waarop het verzoek was gedaan en de omstandigheid dat de raadsman bij pleidooi zich over de stukken had kunnen uitlaten in aanmerking had genomen. Daarmee had het hof zijn beslissing ontoereikend gemotiveerd. [7]
Bespreking van het middel
NJ1993/494 is in de onderhavige zaak niet nog door de voorzitter een inhoudelijke vraag aan de verdachte gesteld, noch is door de verdachte of zijn raadsman een verzoek tot het overleggen van stukken gedaan zoals het geval was in HR 27 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:978 en HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1503,
NJ2021/339. Als ik goed zie betreffen de inleidende beschouwingen van de Hoge Raad in de twee laatstgenoemde arresten de bevoegdheid van ook de verdachte en/of diens raadsman bij onder meer de behandeling van de zaak nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. Het gaat daarbij om bescheiden en stukken die (zo mag men in dat geval aannemen) een ontlastende strekking hebben. Het is die bevoegdheid die in voorkomende gevallen door de rechter kan worden getoetst aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een goede procesorde. Of aan die eisen is voldaan zal alsdan per geval moeten worden beoordeeld.
NJ1993/494: "De bepaling dat aan de verdachte en – ingevolge het eerste lid van art. 331 Sv Pro – zijn raadsman het laatste woord moet worden gelaten strekt ertoe dat geen onderdeel van het onderzoek hetwelk ten bezware van de verdachte zou kunnen strekken door deze onweersproken behoeft te blijven. In aanmerking genomen verdachtes ter terechtzitting afgelegde verklaringen, voor zover hiervoren […] weergegeven, alsmede het hiervoren […] weergegeven pleidooi van zijn raadsman, valt niet in te zien dat aan deze strekking te kort is gedaan, terwijl voorts de omstandigheid dat de raadsman niet in de gelegenheid is gesteld na de hiervoor […] weergegeven verklaring van de verdachte nogmaals het woord te voeren de verdachte niet in enig hem betreffend te respecteren belang kan hebben getroffen.”
Slotsom