ECLI:NL:PHR:2023:83

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 januari 2023
Publicatiedatum
18 januari 2023
Zaaknummer
21/03085
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 247 SrArt. 342 lid 2 SvArt. 361 lid 3 SvArt. 2 onder C OpiumwetArt. 248a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring ontuchtige handelingen met minderjarige en wijst cassatie af

De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld wegens het plegen van ontuchtige handelingen met een persoon onder de zestien jaar en het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. Het hof baseerde zijn oordeel onder meer op verklaringen van het slachtoffer, WhatsApp-berichten en andere bewijsmiddelen. De verdachte voerde in cassatie aan dat het hof onvoldoende gemotiveerd was bij het beoordelen van de betrouwbaarheid van het slachtoffer en dat het bewijsminimumvoorschrift was geschonden.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad concludeert dat het hof de verklaringen van het slachtoffer zorgvuldig en met behoedzaamheid heeft gewogen, daarbij rekening houdend met de wisselende aard van de verklaringen en het gebruik van wiet door het slachtoffer. Het hof heeft de verklaringen in samenhang met het WhatsApp-verkeer en ander bewijs beoordeeld en is tot een weloverwogen oordeel gekomen.

Ook de klacht dat het bewijsminimumvoorschrift zou zijn geschonden wordt verworpen. De WhatsApp-berichten bieden voldoende steun aan de verklaringen van het slachtoffer. Daarnaast is het hof niet onbegrijpelijk tot het oordeel gekomen dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard moesten worden wegens een onevenredige belasting van het strafgeding.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor vernietiging van het arrest en wijst het cassatieberoep af, waarmee de veroordeling van de verdachte in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam wordt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/03085

Zitting31 januari 2023
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 9 juli 2021 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. subsidiair, eerste cumulatief/alternatief, "met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen" en 3. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de teruggave gelast van in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander als nader in het arrest bepaald.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/02974, 21/03211, 21/03087 en 21/03027. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J.E. Kötter, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste en het tweede middel

4. Beide middelen hebben betrekking op het onder 1 bewezenverklaarde. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof ontoereikend gemotiveerd voorbij is gegaan aan het verweer dat de verklaringen van het slachtoffer niet voor het bewijs gebezigd kunnen worden. Het tweede middel bevat de klacht dat het bewijsminimumvoorschrift is geschonden. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
5. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezen verklaard dat:
“hij op 3 februari 2016 te Amsterdam met een persoon genaamd [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2000, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het
- in zijn mond nemen van de penis van die [slachtoffer] en
- zich anaal laten penetreren door die [slachtoffer]”
6. Het hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van de
verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 13 september 2019.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik heb [slachtoffer] via Bullchat ontmoet. Het contact is overgegaan op Whatsapp. Het was de bedoeling om een afspraak te maken om seks te hebben. Ik wilde opnieuw afspreken om seks te hebben. [slachtoffer] is één keer bij mij langs geweest. We hebben op 3 februari 2016 de fysieke afspraak gehad. [slachtoffer] is toen bij mij thuis geweest.
2. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2017011765 van 17 januari 2017 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], doorgenummerde pagina’s ZD-02 01 tot en met ZD-02 13.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
verklaring van [slachtoffer](hierna steeds: ‘[slachtoffer]’):
Voornamen: [slachtoffer]
Achternaam: [slachtoffer]
Geboortedatum: [geboortedatum] 2000
V = vraag/opmerking verbalisanten
A = antwoord / opmerking getuige
V: Gister heb je verteld dat je vader chats in jouw telefoon heeft gevonden.
A: ik werd die ochtend wakker en toen zaten er twee agenten beneden. Ik heb die agenten toen verteld dat ik afspraken maakte met oudere mannen via Bullchat.
3. Een proces-verbaal van bevindingen verhoor getuige “[slachtoffer]” per verdachte met nummer 2017011765 van 20 maart 2017 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], doorgenummerde pagina’s ZD-02 148 tot en met ZD-02 152.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
verklaring van [slachtoffer]:
Op 9 maart 2017 werd de getuige genaamd “[slachtoffer]” gehoord: Dit verhoor is audiovisueel vastgelegd. Op 14 maart 2017 heb ik dit geluidsbestand ontvangen voor letterlijke uitwerking.
V = vraag/opmerking verbalisanten
A = antwoord [slachtoffer]
V: Foto U?
A: Ben ik een (1) keer geweest. Die woont bij mij in de buurt. [a-straat].
V: Dus hij woont op de [a-straat]?
A: Ja
V: Wanneer was met hem het eerste contact?
A: een jaar geleden. Ik weet echt niet meer exact wanneer dat precies was.
V: Elkaar leren kennen via?
A: Bullchat
V: Waar vond die ene afspraak plaats?
A: Bij hem thuis
V: Wat gebeurde er op die afspraak?
A: Ik neukte hem en hij pijpte mij
V: De seksuele handelingen, vonden waar plaats?
A: Bij hem op de bank
V: In de woonkamer?
A: Ja
A: Dat is dezelfde
V: Oké, dus foto V is dezelfde als foto U
A: ja
Bijlage: Foto U en V
4. Een proces-verbaal van zesde verhoor getuige ‘[slachtoffer]’ met nummer 2017011765 van 24 oktober 2017 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4], doorgenummerde pagina’s PD-02 57 tot en met PD-02 119.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
verklaring van [slachtoffer]:
Op 3 augustus 2017 werd de aangever genaamd ‘[slachtoffer]’ gehoord door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 5]. Dit verhoor is auditief opgenomen. Aan de hand van de audio opname is het verhoor zoveel mogelijk woordelijk uitgewerkt, door verbalisant beluisterd en op juistheid gecontroleerd.
I = Vrouwelijke interviewer
12 = Mannelijke interviewer
G = Gehoorde
I: De laatste. Deze meneer heb ook niks verklaard, tenminste, gedeeltelijk en deze meneer idem.
G: Ja, bij deze persoon ben ik eh dat is eh heel dicht bij mij, [a-straat]. Ben ik één keertje geweest. Ik heb hem geneukt, hij heeft mij gepijpt.
5. Een proces-verbaal van bevindingen "fotocollectie A t/m X” met nummer 2017011765 van 28 maart 2017 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5], doornummerde pagina’s PD-03 08 tot en met PD-03 09.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van de verbalisant:
In dit onderzoek is er meerdere keren met [slachtoffer] rondgereden en heeft hij enkele woningen aangewezen van mannen met wie hij op minderjarige leeftijd seksuele handelingen heeft gehad, al dan niet tegen betaling van geld of goederen. Daarnaast zijn er aan [slachtoffer] in eerdere verhoren foto’s getoond van mogelijke klanten. Ik heb voor het verhoor van [slachtoffer] op 9 maart 2017 een fotocollectie gemaakt om deze aan [slachtoffer] te tonen. Deze foto’s heb ik genummerd van A t/m X. Hieronder zitten foto’s.
Foto U: Paspoortfoto van een man afkomstig uit een Whatsapp gesprek met [slachtoffer]
Foto V: Profielfoto van [verdachte], uit de Samsung S6 van [slachtoffer]
Beide foto’s zijn van de verdachte genaamd:
Naam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Woonadres: [a-straat 1]
Woonplaats: [plaats]
6. Een proces-verbaal van bevindingen ‘beslag [verdachte]’ met nummer 2017011765 van 1 november 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6], doorgenummerde pagina’s PD-03 18 tot en met PD-03 20 (met bijlagen).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van de verbalisant:
Door mij is onderzoek gedaan naar de volgende in beslag genomen goederen van [verdachte]:
- Sony telefoon, goednummer 5423698.
In het onderzoek van de telefoon van het merk Sony trof ik het nummer [telefoonnummer] aan. Het nummer was opgeslagen onder de naam [slachtoffer]. Ik trof een what’s app gesprek aan met [slachtoffer]. Het eerste contact start op 3 februari 2016. Het gesprek heb ik als bijlage 1 bij dit proces-verbaal gevoegd.
WhatsApp
Participants:
[verdachte]
[slachtoffer] Bullchat
3-2-2016
[slachtoffer]: [verdachte] toch?
[verdachte]: Mhm
[slachtoffer]: Ik ben [slachtoffer]
[verdachte]: Cool
[slachtoffer]: Zit al op de fiets
[verdachte]: Nee! Wacht nou ff. Ik ben nog niet klaar, dude
[slachtoffer]: Naja wat moetje nog doen?
[verdachte]: Ff wat spullen opruimen, vooral
[slachtoffer]: Als ik nou over 20 min bij je ben
[verdachte]: 19:15 is goed
[slachtoffer]: Oke Dus 19:15 bij jou?
[verdachte]: Mhm Yeah
[slachtoffer]: Oke je adres?
[verdachte]: [a-straat 1]
[slachtoffer]: Jij al gespoeld?
[verdachte]: Dat bedoelde ik ook met opruimen...
[slachtoffer]: Ben er
[verdachte]: Ok
7-2-2016
[verdachte]: Ey.. Hoe is het? Toevallig zin en tijd...? Is wel een fuck friend hier, maar die wil vooral relaxen. En zien hoe ik geneukt word...
En ik heb fakking veel zin om die paal van je nog eens te voelen
[slachtoffer]: Ben niet in [plaats]
[verdachte]: Ah, ok.
Dan ff contact houden en kijken wanneer het uitkomt.
[slachtoffer]: Ja
[verdachte]: Top. Talk soon, sexy
10-2-2016
[verdachte]: ey... stuurje ff berichtje, omdat ik het net met die andere gap had over evt trio. wat ik jou toen voorstelde om te doen, binnenkort, enne.. hij is heel geïnteresseerd. ;p moest z’n foto sturen, dus... komt-ie
Attachments
Als je er eentje terug hebt...;) thnx
12-2-2016
[verdachte]: Ey. Slaap je?
13- 2-2016
[slachtoffer]: Zo? In?
[verdachte]: Yeah. Ben nu in Utrecht
App je zo, als ik in de trein zit
0:15 uur thuis, ongeveer
Half een bij mij?
14- 2-2016
[slachtoffer]: Hey
Ik lag toen stoned op de bank sorry
Zin? Nu
[verdachte]: Ha ha. Ok. Ben nu in Haarlem. Mss vanavond?
[slachtoffer]: ja miss
[verdachte]: Houden contact
[slachtoffer]: Ja
[verdachte]: En zin? Denk dat ik over een uur thuis ben. Dus zeg het maar.
18-2-2016
[verdachte]: Yo.. Wat doe je later vanavond? Heb zin om te chillen.
[slachtoffer]: Ja vanavond kan ik niet
Kan morgen wel
[verdachte]: Oh, prima. Komt me eigenlijk ook beter uit
Morgen ff contact houden dan om te kijken of het gaat lukken en hoe laat
[slachtoffer]: ik kan in de ochtend eigenlijk alleen
[verdachte]: Ik kan zeker niet morgenochtend.. Jemig.. Wat klote
[slachtoffer]: En middag
[verdachte]: Ook niet heb afspraken.
Morgenavond is voor jou 100 % out of the question?
[slachtoffer]: Jepp
[verdachte]: Mmmmz.. Jammer
Dan toch maar contact houden
Mmmmh... Damn... Heb wel weer zin in je pik
3-4-2016
[verdachte]: Wil je nog eens langskomen?
[slachtoffer]: ja zeker
[verdachte]: Ah, nice
[slachtoffer]: Ben morgen vrij
[verdachte]: Kun je nu?
[slachtoffer]: Nee nu niet
Studerende
Dus kan nu niet
[verdachte]: Kun je niet morgenochtend studeren?
[slachtoffer]: Haha nee
12-4-2016
[verdachte]: hoe is het? heb je morgenavond tijd? en zin in trio? die jongen die komt langs bij mij. Ik heb je geloof ik twee pix geappt van ‘m.
27-4-2016
[slachtoffer]: Hey
[verdachte]: Hey [slachtoffer]
Hoe is het
[slachtoffer]: Goed met jou
[verdachte]: Zo dadelijk tijd en zin...? Trio met die andere jonge gast.
20-6-2016
[verdachte]: Wat doe je nu? Uni...?
15-7-2016
[slachtoffer]: Nu?
[verdachte]: Ik ga zaterdag nr A Day At The Park
Ik kan daama
[slachtoffer]: Trio? Hihi
[verdachte]: Nee. Ha ha. Dat wordt ‘m niet
[slachtoffer]: Jammer
16-7-2016
[verdachte]: Ey. Kun je nu?
24-7-2016
[slachtoffer]: Nu?
[verdachte]: Zit in Duitsland. Sorry.
14-8-2016
[verdachte]: Ey. What’s up? Vanavond tijd, toevallig?”
7. Het arrest bevat voor zover voor de beoordeling van de middelen relevant de volgende overwegingen ten aanzien van het bewijs:
“Het bewijs
1. onderzoek 13Oscoda en betrouwbaarheid verklaringen van [slachtoffer]
Deze zaak is onderdeel van het zogenaamde 13Oscoda onderzoek. De rechtstreekse aanleiding voor het 13Oscoda onderzoek is geweest dat de ouders van de in de tenlastelegging genoemde, destijds minderjarige [slachtoffer], hierna genoemd [slachtoffer], berichten op diens telefoon hadden ontdekt die wezen op seksuele ontmoetingen met mannen, waarna zij hem op 16 januari 2017 in aanwezigheid van de politie daarmee hebben geconfronteerd. [slachtoffer] heeft in dat gesprek direct verteld dat hij seksuele contacten heeft gehad met mannen, niet onder dwang maar voor geld of voor drank of rookwaar. Hij vertelde hevig geëmotioneerd dat hij wilde dat het stopte en dat hij eigenlijk blij was dat het was uitgekomen. [slachtoffer] heeft vervolgens tot en met 3 augustus 2017 gedurende een zogenaamd ‘informatief gesprek’, een autorit met de politie en zes verhoren, verklaard over seksuele ontmoetingen met tenminste elf mannen in een periode vanaf het voorjaar van 2014 tot en met januari 2017. Behoudens het eerste gesprek en een kort deel van het informatieve gesprek, waren de ouders van [slachtoffer] niet aanwezig als [slachtoffer] zijn verklaringen aflegde. Hij heeft in het bijzonder verklaard over drie mannen met wie hij sinds 2014 of 2015 tientallen keren seksuele ontmoetingen heeft gehad en daarnaast over meerdere mannen met wie hij later en gedurende kortere periodes ontmoetingen heeft gehad, soms slechts één. Hij heeft van de meeste van die mannen een naam of bijnaam genoemd, heeft verteld waar zij (ongeveer) woonden en gedurende een autorit met de politie kon hij van meerdere van hen hun woningen aanwijzen. In zijn telefoon zijn de door hem omschreven mannen veelal ook als contact aangetroffen.
Het hof acht de verklaringen van [slachtoffer] in het algemeen betrouwbaar en daarmee bruikbaar om een bewezenverklaring op te baseren. Het overweegt daartoe het volgende. Het hof heeft uit het hiervoor kort geschetste verloop van het onderzoek de indruk gekregen dat [slachtoffer] oprecht heeft verklaard over de seksuele ontmoetingen die hij in de loop van de tijd heeft gehad. Hoewel hij aanvankelijk niet alles heeft verteld zolang daar niet specifiek naar werd gevraagd of op werd doorgevraagd, is hij in het vervolg van zijn verklaringen steeds vollediger en specifieker geworden over de seksuele ontmoetingen, waarbij hij ook open is geweest over de actieve rol die hij zelf bij die ontmoetingen speelde, over het voorwenden dat hij meerderjarig was en over de wisselende gevoelens die hij bij de seksuele ontmoetingen had. In dat verband wijst het hof in het bijzonder op de omstandigheid dat [slachtoffer] meermaals en ten aanzien van meerdere verdachten heeft erkend (ook) wel seks te hebben gehad zonder dat hij daar een vergoeding voor vroeg of ontving. Dat deze openheid pas geleidelijk tijdens de verhoren is ontstaan, doet naar het oordeel van het hof aan de oprechtheid van zijn verklaringen in het algemeen niet af, waarbij het hof in aanmerking neemt dat [slachtoffer] geregeld ook opener was dan waartoe de verklaringen van verdachten en het berichtenverkeer tussen hen en [slachtoffer] hem zouden hebben kunnen brengen.
Het hof heeft onder ogen gezien dat [slachtoffer] wisselend of niet eenduidig heeft verklaard over onder meer de aantallen keren dat hij seksuele ontmoetingen met bepaalde mannen heeft gehad, over de precieze aard van de seksuele handelingen, het precieze tijdstip ervan, het beschermde of onbeschermde karakter van de seks, of over het wel of niet betaald zijn voor de seks. In dit verband is gewezen op het veelvuldige wietgebruik door [slachtoffer] gedurende de periode van de seksuele ontmoetingen, wat de beleving van de seksuele ontmoetingen in de loop der jaren en de concrete herinneringen daaraan kan hebben vertroebeld en derhalve afbreuk kan doen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen.
Hoewel het hof onderkent dat het veelvuldige wietgebruik de betrouwbaarheid van herinneringen kan aantasten, ziet het hof in het samenstel van gesprekken en verhoren geen aanknopingspunten om aannemelijk te achten dat het geheugen van [slachtoffer] zodanig is aangetast dat aan zijn herinneringen geen waarde meer zou kunnen worden gehecht. Het hof ziet in het soms wisselende karakter van zijn verklaringen wel aanleiding om daarvan met behoedzaamheid gebruik te maken waar het gaat om de precieze vaststelling van de feiten, maar ziet er geen reden in om in het algemeen aan de geloofwaardigheid van die verklaringen te twijfelen.
In dat verband overweegt het hof dat het geen aanleiding heeft te oordelen dat het soms wisselende karakter van de verklaringen voortkomt uit een behoefte bij [slachtoffer] om bepaalde personen in strijd met de waarheid te belasten of om bepaalde aspecten van zijn eigen gedrag te verhullen. Er blijkt niet of nauwelijks van een specifieke koestering van wrok tegen de mannen in kwestie, hij verklaart zelfs geregeld positief over hen. Over zijn actieve rol in de seksuele ontmoetingen is hij, als gezegd, uiteindelijk open geweest.
De omstandigheid dat [slachtoffer] heeft moeten verklaren over tientallen seksuele ontmoetingen met tenminste elf mannen gedurende een periode van bijna drie jaren, waarbij de ontmoetingen per verdachte sterk varieerden in aantal en aard, maakt voor het hof begrijpelijk dat [slachtoffer] op onderdelen niet eenduidig of zelfs wisselend heeft verklaard. Daarbij betrekt het hof voorts dat de ontdekking van de seksuele ontmoetingen, de daardoor ontstane emoties binnen zijn gezin alsmede de vele, soms langdurige verhoren, psychisch belastend moeten zijn geweest voor [slachtoffer], terwijl hij zich tegelijkertijd heeft getoond als iemand die vlot en makkelijk praat en daardoor soms wat minder accuraat verklaart. Daarom heeft de politie herhaaldelijk op onderdelen moeten doorvragen, maar dit rechtvaardigt niet de conclusie dat moet worden getwijfeld aan de herinneringen die [slachtoffer] beschreef of aan de oprechtheid van zijn (uiteindelijke) verklaringen.
Tot slot overweegt het hof in dit verband dat het informatieve gesprek en alle daarop volgende verhoren van [slachtoffer] auditief zijn geregistreerd en dat de procesdeelnemers de verklaringen aldus op betrouwbaarheid hebben kunnen (laten) toetsen.
Daar waar [slachtoffer] al dan niet na doorvragen wel eenduidig en/of specifiek verklaart over aard en aantal van de seksuele ontmoetingen, het contact met de betreffende mannen of personen en gebeurtenissen die daarmee verband houden, hecht het hof dus in beginsel geloof aan die verklaringen met de daarbij behorende behoedzaamheid. Het hof slaat daarbij bovendien telkens acht op de mate waarin die verklaringen ten aanzien van individuele verdachten steun vinden in de verklaringen van die verdachte zelf, in het berichtenverkeer tussen hen beiden en in eventueel ander bewijs. Aldus komt het hof telkens tot een waardering van het bewijsmateriaal in onderlinge samenhang.
2. algemeen juridisch kader
(…)
3. de onderhavige zaak
De verdachte in deze zaak weerspreekt de aantijging van [slachtoffer] dat hij ooit seksuele handelingen heeft verricht met hem. Daarnaast is in deze zaak in het bijzonder de juridische vraag aan de orde of sprake is geweest van verleiding in de zin van artikel 248a (oud) Sr en/of jeugdprostitutie als bedoeld in artikel 248b Sr.
(…)
3.2
standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit voor de onder 1 (…) ten laste gelegde feiten. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte het plegen van seksuele handelingen met [slachtoffer] stellig ontkent, dat daarvoor ook onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is net als voor de beschuldiging dat daarvoor is betaald door de verdachte. De whatsappberichten bieden volgens de raadsman geen steunbewijs voor die seksuele handelingen. (…)
3.3
oordeel van het hof
3.3.1
vrijspraak feit 1 primair ‘ontucht mede met seksueel binnendringen art. 245 Sr Pro’ en bewezenverklaring feit 1 subsidiair eerste cumulatief/alternatief ‘ontucht art. 247 Sr Pro
De verklaringen van de verdachte en die van [slachtoffer] staan op cruciale onderdelen tegenover elkaar. Het hof moet beslissen of er seksuele handelingen tussen de verdachte en [slachtoffer] hebben plaatsgevonden en zo ja, hoe deze gedragingen in dat geval moeten worden gekwalificeerd. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij [slachtoffer] weliswaar heeft ontmoet, maar hij heeft ontkend seksuele handelingen met [slachtoffer] te hebben verricht. Volgens de verdachte deed [slachtoffer] zich op Bullchat voor als achttienjarige en is voorafgaand aan hun fysieke ontmoeting niet gesproken over betaling. Tijdens die ontmoeting bij de verdachte thuis – waarvan de verdachte niet heeft weersproken dat die op 3 februari 2016 plaatsvond – hebben de verdachte en [slachtoffer] eerst wat gepraat, waarbij [slachtoffer] had verteld dat hij studeerde, en daarna op de bank wat gezoend en over de kleding aan elkaar gevoeld. Op enig moment heeft de verdachte de pols van [slachtoffer] gepakt ter onderbreking van de liefkozingen en hem gevraagd naar zijn leeftijd. [slachtoffer] zei toen dat hij negentien jaar oud was, terwijl hij op Bullchat had vermeld dat hij achttien was. De verdachte wist daardoor dat het niet in de haak was en [slachtoffer] heeft vervolgens toegegeven dat hij zestien jaren oud was. De verdachte wilde toen niet verder; hij en [slachtoffer] zijn toen, aldus nog steeds de verdachte, wegens tijdgebrek uit elkaar gegaan met de bedoeling om op korte termijn af te spreken om de seksuele handelingen voort te zetten. Nadat de verdachte had geverifieerd dat ‘zestien jaar de juiste grens was’, had hij bedacht dat hij bij een volgende ontmoeting [slachtoffer] zou vragen zijn leeftijd te bewijzen. Van een nieuwe ontmoeting is het echter niet gekomen.
[slachtoffer] heeft op 9 maart 2017 over de verdachte verklaard dat hij een jaar daarvoor, hij weet niet meer exact wanneer, één seksuele ontmoeting tegen betaling met hem heeft gehad. [slachtoffer] penetreerde de verdachte anaal en de verdachte pijpte hem. De verdachte betaalde [slachtoffer] hiervoor ongeveer € 40,00. Dit vond plaats op de bank in de woonkamer van de verdachte. [slachtoffer] heeft gedetailleerd over de woning van de verdachte en over diens werk verklaard. Tijdens zijn verhoor op 3 augustus 2017 heeft [slachtoffer] verklaard dat de seks met de verdachte niet tegen betaling was. Wat betreft de seksuele handelingen heeft [slachtoffer] consequent verklaard dat de verdachte heeft gepijpt en dat hij de verdachte anaal heeft gepenetreerd. Aanvankelijk had [slachtoffer] ook verklaard dat hij de verdachte had gepijpt, maar daarover heeft hij later niet meer verklaard.
In het dossier bevinden zich geprinte whatsappberichten tussen de verdachte en [slachtoffer] van 3 februari tot en met 14 augustus 2016. Uit dit berichtenverkeer leidt het hof af dat het op 3 februari 2016 tot een ontmoeting met seksuele intenties is gekomen tussen de verdachte en [slachtoffer] en dat zij in de periode daarna beiden hebben geprobeerd het tot een volgende ontmoeting te laten komen.
Het hof hecht als gezegd in beginsel geloof aan de verklaringen van [slachtoffer], met de daarbij behorende behoedzaamheid, waarbij het hof telkens acht slaat op de mate waarin die verklaringen steun vinden in de verklaringen van de verdachte zelf, in het berichtenverkeer tussen beiden en in eventueel ander bewijs. Tegen die achtergrond komt het hof in dit geval tot de conclusie dat de gedetailleerde verklaringen van [slachtoffer] over de seksuele ontmoeting met de verdachte betrouwbaar zijn.
De verklaringen van [slachtoffer] vinden steun in de verklaring van de verdachte dat er een fysieke ontmoeting bij hem thuis heeft plaatsgevonden en in de whatsappberichten met een onmiskenbaar seksuele strekking die de verdachte en [slachtoffer] naar elkaar hebben verstuurd, voor en na de ontmoeting op 3 februari 2016. Uit de berichten na 3 februari 2016 blijkt het hof niet dat er bij de verdachte sprake was van (eerdere) preoccupatie met of twijfel dan wel zorg over [slachtoffer]’s leeftijd, en daarin gebruikt de verdachte meermalen bewoordingen die er op duiden dat er daarvoor wel degelijk seksuele handelingen zijn gepleegd. Hetgeen de verdachte (voor het eerst) ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard over hoe zijn woordgebruik in die berichten moet worden begrepen legt het hof, bij gebrek aan geloofwaardigheid daarvan, naast zich neer. De whatsappberichten weerleggen daarom de lezing van de verdachte dat het tijdens de ontmoeting op 3 februari 2016 niet verder is gegaan vanwege twijfel bij de verdachte over de leeftijd van [slachtoffer].
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat deze berichten, in samenhang met en in de context van het dossier bezien, niet anders kunnen worden uitgelegd dan dat zij refereren aan seksueel contact tussen de verdachte en [slachtoffer] op een eerder moment, namelijk tijdens de fysieke afspraak op 3 februari 2016.
Op basis van de voornoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, komt het hof tot het oordeel dat de verdachte met [slachtoffer] op 3 februari 2016, toen [slachtoffer] vijftien jaren oud was, seksuele handelingen heeft verricht. De seksuele handelingen bestonden uit het pijpen door de verdachte van [slachtoffer] en het anaal penetreren door [slachtoffer] van de verdachte.
Naar het oordeel van het hof is daarmee geen sprake geweest van seksueel binnendringen van het lichaam als bedoeld in artikel 245 Sr Pro, zodat de verdachte van het onder feit 1 primair zal worden vrijgesproken. Wel is wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 subsidiair eerste cumulatief/alternatief ten laste is gelegd.”
8. Ik begin met de bespreking van het
eerste middel. Volgens de steller van het middel zou het hof onvoldoende gemotiveerd voorbij zijn gegaan aan het verweer dat de verklaringen van [slachtoffer] onbetrouwbaar zijn. Daartoe wijst hij in het bijzonder op de volgende passage uit de pleitnota:
“Opvallend is dat hij wisselend verklaart over wat er dan zou zijn gebeurd en is hij totaal niet specifiek. Hij weet niks over het fysiek van cliënt. Niks over eventuele onderscheidende kenmerken. Het blijft oppervlakkig. Verder is het opvallend dat [slachtoffer], die zo dol is op geld verdienen, totaal niet concreet ingaat op verdere contactpogingen van de zijde van cliënt. Dat zou natuurlijk heel goed ingegeven kunnen zijn door de eerste mislukte date (in ieder geval in financieel opzicht). Daarmee is wat tegenover de ontkenning van cliënt staat te dun.” [1]
9. In het licht van dit verweer zouden de overwegingen van het hof volgens de steller van het middel – zo begrijp ik – te algemeen zijn en onvoldoende zijn toegesneden op de verklaringen over de verdachte (randnummer 2.4 van de schriftuur). Daarenboven meent de steller van het middel dat de overwegingen van het hof, met name voor zover het hof enerzijds overweegt met behoedzaamheid gebruik te maken van de verklaringen van het slachtoffer en anderzijds overweegt dat deze “desondanks wel bruikbaar zijn” voor het bewijs, onvoldoende gemotiveerd zijn (randnummer 2.5-2.6). De opname van bewijsmiddelen maakt dit voor de steller van het middel niet anders (randnummer 2.8).
10. Ik merk om te beginnen op dat in de hierboven weergegeven passage uit de pleitnota, waar de steller van het middel zijn argumentatie aan ophangt, geen verweer te herkennen valt dat aan de eisen van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt voldoet. Voor zover, gelezen in het licht van de rest van de pleitnota, al sprake zou zijn van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt merk ik op dat uit de hiervoor weergegeven overwegingen duidelijk blijkt dat het hof zich heeft beraden over de vraag of en in welke mate de verklaringen van het slachtoffer betrouwbaar zijn. De overwegingen van het hof vallen vervolgens uiteen in een algemeen deel (onder kopje “1” in de hiervoor onder 7 weergegeven overweging) en een op deze zaak toegesneden gedeelte. In dat laatste gedeelte beziet het hof de verklaringen van het slachtoffer uitdrukkelijk in samenhang met de op zijn telefoon aangetroffen (WhatsApp) chatgesprekken (bewijsmiddel 6) alsmede met hetgeen is weergegeven in bewijsmiddel 5 (de rondrit). Aldus krijgt de eerder door het hof benoemde “behoedzaamheid” gestalte. De wijze waarop het hof dit heeft gedaan is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
11. Het eerste middel faalt.
12. Dan de bespreking van het
tweede middel. Dit behelst de klacht dat het hof het bewijsminimumvoorschrift als bedoeld in art. 342 lid 2 Sv Pro zou hebben geschonden. In de toelichting op het middel wordt een en ander nog in de sleutel gezet van een daaromtrent ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, waarop het hof – volgens de steller van het middel – beter had moeten reageren (randnummer 4.4-4.5 van de schriftuur) en wordt een en ander in het licht geplaatst van een “alternatieve lezing” van de verdachte (randnummer 4.6).
13. De bespreking van het tweede middel kan ik kort houden: de klacht dat het bewijsminimumvoorschrift is geschonden berust op een onjuiste lezing van het arrest en/of een onjuiste rechtsopvatting over wat dit voorschrift behelst. Het hof heeft naast de verklaringen van de verdachte onder meer de (Whatsapp)chatgesprekken tussen de verdachte en het slachtoffer betrokken, waarin de verdachten en het slachtoffer berichten met een onmiskenbaar seksuele strekking uitwisselen en waaruit het hof ook – en niet onbegrijpelijk – afleidt dat er eerder tussen hen seksueel contact heeft plaatsgevonden. Door deze bewijsmiddelen wordt voldoende steun geboden aan de verklaringen van het slachtoffer en kan van schending van het bewijsminimumvoorschrift geen sprake meer zijn.
14. Ook het tweede middel faalt.

Het derde middel

15. Het middel bevat de klacht dat “het hof de vordering van de benadeelde partij ontoereikend gemotiveerd heeft toegewezen”. Uit de toelichting op het middel maak ik op dat het de steller van het middel niet om (de hoogte van) een van de toegewezen vorderingen als zodanig te doen is, maar dat het hem gaat om het feit dat het hof niet de niet-ontvankelijkheid van de vorderingen heeft uitgesproken, hetgeen het hof volgens hem wel had moeten doen gelet op het feit dat deze vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding zouden hebben opgeleverd.
16. Het hof heeft in het bestreden arrest overwegingen gewijd aan (de toewijzing van) de vorderingen van de benadeelde partijen. Ik geef deze hieronder weer, tot en met de beslissing over de ontvankelijkheid. De inhoudelijke beoordeling van de vorderingen is voor de beoordeling van het middel in cassatie niet nodig en laat ik derhalve achterwege.
“Vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer], zijn vader en zijn moeder
1. de vorderingen
De benadeelde partijen [slachtoffer], de vader van [slachtoffer] en de moeder van de [slachtoffer], bijgestaan door hun advocaat mr. Scheffer, hebben zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met vorderingen tot schadevergoeding.
De rechtbank heeft de vordering van [slachtoffer] grotendeels toegewezen, de vordering van de vader van [slachtoffer] toegewezen ten aanzien van benzine- en schoolkosten voor [slachtoffer] en de vordering van de moeder van [slachtoffer] geheel niet toegewezen.
De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor de oorspronkelijke bedragen. De vordering van [slachtoffer] bestaat uit € 15.000,00 voor immateriële schade, € 17.000,00 voor studievertraging en € 380,00 voor schoolgeld voor een gedoubleerd schooljaar (totaal € 32.380,00), te vermeerderen met de wettelijke rente en met het verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de vader van [slachtoffer] bestaat uit € 15.000,00 voor immateriële schade, € 500,00 voor een gemist studieblok, € 5.000,00 voor studievertraging, € 380,00 voor schoolgeld van [slachtoffer] voor een gedoubleerd schooljaar en € 130,00 aan benzinekosten (totaal € 21.010,00), te vermeerderen met de wettelijke rente en met het verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de moeder van [slachtoffer] bestaat uit € 15.000,00 voor immateriële schade en € 2.157,23 voor kosten van behandelingen door een psycholoog en eigen risico van de zorgverzekering (totaal € 17.157,23), te vermeerderen met de wettelijke rente en met het verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ten overvloede overweegt het hof dat door de vader en de moeder geen beroep is en kan worden gedaan op de wettelijke voorziening betreffende affectieschade, omdat die in werking is getreden na de pleegperiode van de onderhavige feiten en geen terugwerkende kracht heeft.
Deze vorderingen tot schadevergoeding zijn in de zaken van ieder van de negen verdachten die in het kader van het 13Oscoda-onderzoek in hoger beroep terecht staan gelijkluidend, zoals hiervoor weergegeven. Het hof verstaat, gelet op de toelichting, de vorderingen zo dat niet negen maal de voornoemde bedragen worden gevorderd, maar dat wordt verzocht in totaal deze bedragen toe te wijzen en deze vervolgens onder de negen verdachten te verdelen. Daarbij moet- zo begrijpt het hof de toelichting van de advocaat van [slachtoffer] in hoger beroep - mede in aanmerking worden genomen dat in de zaken van twee andere verdachten (die thans niet in hoger beroep terecht staan) de schade is afgehandeld, waardoor aan [slachtoffer] inmiddels een bedrag van € 5.600,- (exclusief rente) is betaald.
2. standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van [slachtoffer], met uitzondering van het schoolgeld dat feitelijk is betaald door de vader van [slachtoffer], zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het einde van de bewezen verklaarde periode en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ten aanzien van de vordering van de vader van [slachtoffer] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering voor de immateriële schade zal worden gematigd tot een bedrag van € 5.000,00 en dat de materiële schade geheel wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de ontdekking van de strafbare feiten en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De advocaat-generaal heeft ten aanzien van de vordering van de moeder van [slachtoffer] gevorderd dat de vordering voor de immateriële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00 en dat aan materiële schade de behandelkosten zonder het eigen risico worden vergoed tot een bedrag van € 1.772,23, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de ontdekking van de strafbare feiten en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ten aanzien van de verdeling van de totale schade heeft de advocaat-generaal zich primair op het standpunt gesteld dat de schade moet worden verdeeld over de negen verdachten die in hoger beroep terecht staan, waarbij de breuk en vermenigvuldiging: ‘opgelegde straf gedeeld door het totaal van de in deze zaak opgelegde straffen, maal het totaal aan de benadeelde partijen toegewezen schade’ moet worden toegepast.
Subsidiair heeft de advocaat-generaal gevorderd dat wordt aangesloten bij de verdeelsleutel zoals is gehanteerd door de rechtbank.
3. Standpunt van de verdediging
Het hof begrijpt het verweer van de raadsman van de verdachte zo dat primair wordt verzocht de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren wegens een onevenredige belasting van het strafgeding, gelet op de complexiteit van de gevorderde schade. Subsidiair heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte inhoudelijk kan leven met de toegekende schadevergoeding en de gehanteerde methode van de rechtbank. Meer subsidiair heeft de raadsman de inhoud van de vorderingen grotendeels betwist, een en ander zoals weergegeven in zijn schriftelijke pleitnotities.
4. oordeel van het hof
Het hof stelt het volgende voorop.
Het hof ziet het leed en het verdriet dat [slachtoffer] en zijn ouders hebben naar aanleiding van wat er is gebeurd. Het hof onderkent de impact die de gebeurtenissen hebben op [slachtoffer], en op zijn hele gezin. In deze strafrechtelijke procedure dient het hof te beoordelen of de vorderingen tot schadevergoeding juridisch voor toewijzing vatbaar zijn.
Het belang van [slachtoffer] en zijn ouders om, voor zover hun vorderingen toewijsbaar zijn, schadeloos te kunnen worden gesteld voor de schade die zij door de ten laste gelegde feiten hebben geleden, is groot. Het hof acht de vorderingen tot schadevergoeding niet zodanig complex dat daar slechts met nader onderzoek op zou kunnen worden beslist, zodat het hof de vorderingen, anders dan is bepleit, niet wegens een onevenredige belasting van het strafgeding niet-ontvankelijk zal verklaren.
(…)”
17. Ook over dit middel kan ik kort zijn. De vraag of sprake is van een onevenredige belasting van het strafgeding als bedoeld in art. 361 lid 3 Sv Pro is als bekend een feitelijke kwestie, die in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.
18. Dat het hof in deze zaak heeft geoordeeld dat de vorderingen niet “zodanig complex” zijn dat zij niet voor behandeling binnen het strafgeding in aanmerking komen, acht ik gelet op de hierboven weergegeven overwegingen allerminst onbegrijpelijk. De klachten die hieromtrent in de cassatieschriftuur naar voren worden gebracht – die mij overigens neer lijken te komen op een herhaling van argumenten die bij het hof zijn aangevoerd en geen klachten inhouden over de motivering van het hof als zodanig – brengen mij niet tot een ander inzicht.
19. Het middel faalt.

Slotsom

20. Alle middelen falen en kunnen met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
21. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie p. 2 van de pleitnota. Op p. 5 van het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 en 25 juni 2021 staat dat hier door de raadsman van de verdachte het woord is gevoerd overeenkomstig die pleitnota.