ECLI:NL:PHR:2023:84
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verwerpt klacht over niet-ontvankelijkheid vorderingen benadeelde partijen in strafzaak
De verdachte is door het hof Amsterdam veroordeeld voor ontucht met minderjarige en kreeg een gevangenisstraf van drie weken en een taakstraf van 150 uur opgelegd. Daarnaast heeft het hof vorderingen van benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
De benadeelde partijen, bestaande uit het slachtoffer en zijn ouders, hadden vorderingen tot schadevergoeding ingediend voor immateriële en materiële schade. De verdediging stelde in cassatie dat het hof deze vorderingen niet-ontvankelijk had moeten verklaren vanwege een onevenredige belasting van het strafgeding.
De advocaat-generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de vorderingen niet zodanig complex zijn dat zij niet binnen het strafgeding behandeld kunnen worden. De klachten van de verdediging werden als onvoldoende gemotiveerd en herhalingen van eerdere argumenten beoordeeld.
De Hoge Raad vond geen aanleiding tot vernietiging van het arrest en verwierp het cassatieberoep. Daarmee blijft de strafrechtelijke veroordeling en de gedeeltelijke toewijzing van schadevergoedingen aan het slachtoffer en zijn ouders in stand.
Deze uitspraak bevestigt dat vorderingen van benadeelde partijen in strafzaken niet snel niet-ontvankelijk worden verklaard wegens vermeende complexiteit of belasting van het strafgeding, mits het hof dit begrijpelijk motiveert.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam blijft in stand.