ECLI:NL:PHR:2023:84

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 januari 2023
Publicatiedatum
18 januari 2023
Zaaknummer
21/03087
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 247 SrArt. 361 lid 3 SvArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt klacht over niet-ontvankelijkheid vorderingen benadeelde partijen in strafzaak

De verdachte is door het hof Amsterdam veroordeeld voor ontucht met minderjarige en kreeg een gevangenisstraf van drie weken en een taakstraf van 150 uur opgelegd. Daarnaast heeft het hof vorderingen van benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.

De benadeelde partijen, bestaande uit het slachtoffer en zijn ouders, hadden vorderingen tot schadevergoeding ingediend voor immateriële en materiële schade. De verdediging stelde in cassatie dat het hof deze vorderingen niet-ontvankelijk had moeten verklaren vanwege een onevenredige belasting van het strafgeding.

De advocaat-generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de vorderingen niet zodanig complex zijn dat zij niet binnen het strafgeding behandeld kunnen worden. De klachten van de verdediging werden als onvoldoende gemotiveerd en herhalingen van eerdere argumenten beoordeeld.

De Hoge Raad vond geen aanleiding tot vernietiging van het arrest en verwierp het cassatieberoep. Daarmee blijft de strafrechtelijke veroordeling en de gedeeltelijke toewijzing van schadevergoedingen aan het slachtoffer en zijn ouders in stand.

Deze uitspraak bevestigt dat vorderingen van benadeelde partijen in strafzaken niet snel niet-ontvankelijk worden verklaard wegens vermeende complexiteit of belasting van het strafgeding, mits het hof dit begrijpelijk motiveert.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/03087

Zitting31 januari 2023
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 9 juli 2021 door het gerechtshof Amsterdam wegens 2. "ontucht plegen met iemand die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf voor de duur van 150 uren. Voorts heeft het hof vorderingen van benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en in verbinding hiermee schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. Een en ander als nader in het arrest bepaald.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/02974, 21/03211, 21/03085 en 21/03027. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J.E. Kötter, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

4. Het middel bevat de klacht dat “het hof de vordering van de benadeelde partij ontoereikend gemotiveerd heeft toegewezen”. Uit de toelichting op het middel maak ik op dat het de steller van het middel niet om (de hoogte van) een van de toegewezen vorderingen als zodanig te doen is, maar dat het hem gaat om het feit dat het hof niet de niet-ontvankelijkheid van de vorderingen heeft uitgesproken, hetgeen het hof volgens hem wel had moeten doen gelet op het feit dat deze vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding zouden hebben opgeleverd.
5. Het hof heeft in het bestreden arrest overwegingen gewijd aan (de toewijzing van) de vorderingen van de benadeelde partijen. Ik geef deze hieronder weer, tot en met de beslissing over de ontvankelijkheid. De inhoudelijke beoordeling van de vorderingen is voor de beoordeling van het middel in cassatie niet nodig en laat ik derhalve achterwege.
“Vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer], zijn vader en zijn moeder
1. de vorderingen
De benadeelde partijen [slachtoffer], de vader van [slachtoffer] en de moeder van de [slachtoffer], bijgestaan door hun advocaat mr. Scheffer, hebben zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met vorderingen tot schadevergoeding.
De rechtbank heeft de vordering van [slachtoffer] grotendeels toegewezen, de vordering van de vader van [slachtoffer] toegewezen ten aanzien van benzine- en schoolkosten voor [slachtoffer] en de vordering van de moeder van [slachtoffer] geheel niet toegewezen.
De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor de oorspronkelijke bedragen De vordering van [slachtoffer] bestaat uit € 15.000,00 voor immateriële schade, € 17.000,00 voor studievertraging en € 380,00 voor schoolgeld voor een gedoubleerd schooljaar (totaal € 32.380,00), te vermeerderen met de wettelijke rente en met het verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de vader van [slachtoffer] bestaat uit € 15.000,00 voor immateriële schade, € 500,00 voor een gemist studieblok, € 5.000,00 voor studievertraging, € 380,00 voor schoolgeld van [slachtoffer] voor een gedoubleerd schooljaar en € 130,00 aan benzinekosten (totaal € 21.010,00), te vermeerderen met de wettelijke rente en met het verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de moeder van [slachtoffer] bestaat uit € 15.000,00 voor immateriële schade en € 2.157,23 voor kosten van behandelingen door een psycholoog en eigen risico van de zorgverzekering (totaal € 17.157,23), te vermeerderen met de wettelijke rente en met het verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ten overvloede overweegt het hof dat door de vader en de moeder geen beroep is en kan worden gedaan op de wettelijke voorziening betreffende affectieschade, omdat die in werking is getreden na de pleegperiode van de onderhavige feiten en geen terugwerkende kracht heeft.
Deze vorderingen tot schadevergoeding zijn in de zaken van ieder van de negen verdachten die in het kader van het 130scoda-onderzoek in hoger beroep terecht staan gelijkluidend, zoals hiervoor weergegeven. Het hof verstaat, gelet op de toelichting, de vorderingen zo dat niet negen maal de voornoemde bedragen worden gevorderd, maar dat wordt verzocht in totaal deze bedragen toe te wijzen en deze vervolgens onder de negen verdachten te verdelen. Daarbij moet- zo begrijpt het hof de toelichting van de advocaat van [slachtoffer] in hoger beroep - mede in aanmerking worden genomen dat in de zaken van twee andere verdachten (die thans niet in hoger beroep terecht staan) de schade is afgehandeld, waardoor aan [slachtoffer] inmiddels een bedrag van € 5.600,- (exclusief rente) is betaald.
2. standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van [slachtoffer], met uitzondering van het schoolgeld dat feitelijk is betaald door de vader van [slachtoffer], zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het einde van de bewezen verklaarde periode en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ten aanzien van de vordering van de vader van [slachtoffer] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering voor de immateriële schade zal worden gematigd tot een bedrag van € 5.000,00 en dat de materiële schade geheel wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de ontdekking van de strafbare feiten en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De advocaat-generaal heeft ten aanzien van de vordering van de moeder van [slachtoffer] gevorderd dat de vordering voor de immateriële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00 en dat aan materiële schade de behandelkosten zonder het eigen risico worden vergoed tot een bedrag van € 1.772,23, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de ontdekking van de strafbare feiten en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ten aanzien van de verdeling van de totale schade heeft de advocaat-generaal zich primair op het standpunt gesteld dat de schade moet worden verdeeld over de negen verdachten die in hoger beroep terecht staan, waarbij de breuk en vermenigvuldiging: ‘opgelegde straf gedeeld door het totaal van de in deze zaak opgelegde straffen, maal het totaal aan de benadeelde partijen toegewezen schade’ moet worden toegepast.
Subsidiair heeft de advocaat-generaal gevorderd dat wordt aangesloten bij de verdeelsleutel zoals is gehanteerd door de rechtbank.
3. Standpunt van de verdediging
Het hof begrijpt het verweer van de raadsman van de verdachte zo dat primair wordt verzocht de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren wegens een onevenredige belasting van het strafgeding, gelet op de complexiteit van de gevorderde schade. Subsidiair heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte inhoudelijk kan leven met de toegekende schadevergoeding en de gehanteerde methode van de rechtbank. Meer subsidiair heeft de raadsman de inhoud van de vorderingen grotendeels betwist, een en ander zoals weergegeven in zijn schriftelijke pleitnotities.
4. oordeel van het hof
Het hof stelt het volgende voorop.
Het hof ziet het leed en het verdriet dat [slachtoffer] en zijn ouders hebben naar aanleiding van wat er is gebeurd. Het hof onderkent de impact die de gebeurtenissen hebben op [slachtoffer], en op zijn hele gezin. In deze strafrechtelijke procedure dient het hof te beoordelen of de vorderingen tot schadevergoeding juridisch voor toewijzing vatbaar zijn.
Het belang van [slachtoffer] en zijn ouders om, voor zover hun vorderingen toewijsbaar zijn, schadeloos te kunnen worden gesteld voor de schade die zij door de ten laste gelegde feiten hebben geleden, is groot. Het hof acht de vorderingen tot schadevergoeding niet zodanig complex dat daar slechts met nader onderzoek op zou kunnen worden beslist, zodat het hof de vorderingen, anders dan is bepleit, niet wegens een onevenredige belasting van het strafgeding niet-ontvankelijk zal verklaren.
(…)”
6. De beoordeling van het middel kan ik kort houden. De vraag of sprake is van een onevenredige belasting van het strafgeding als bedoeld in art. 361 lid 3 Sv Pro is als bekend een feitelijke kwestie, die in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.
7. Dat het hof in deze zaak heeft geoordeeld dat de vorderingen niet “zodanig complex” zijn dat zij niet voor behandeling binnen het strafgeding in aanmerking komen, acht ik gelet op de hierboven weergegeven overwegingen allerminst onbegrijpelijk. De klachten die hieromtrent in de cassatieschriftuur naar voren worden gebracht – die mij overigens neer lijken te komen op een herhaling van argumenten die bij het hof zijn aangevoerd en geen klachten inhouden over de motivering van het hof als zodanig – brengen mij niet tot een ander inzicht.
8. Het middel faalt.

Slotsom

9. Het middel faalt en kan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG