Conclusie
Nummer23/01346 U
Inleiding
Het eerste middel
Specialiteitsbeginsel
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft de uitlevering van een persoon aan Turkije ter uitvoering van een gevangenisstraf voor moord/doodslag. De verdediging stelde dat het specialiteitsbeginsel was geschonden omdat de opgeëiste persoon in 2014 voor een andere zaak was uitgeleverd, en dat hij geen eerlijk proces had gehad in Turkije vanwege de slechte staat van de Turkse rechtspraak.
De rechtbank Limburg verklaarde de uitlevering toelaatbaar. De verdediging voerde twee middelen van cassatie aan: het eerste betrof de vermeende schending van het specialiteitsbeginsel en daarmee art. 6 EVRM Pro; het tweede betrof het ontbreken van een eerlijk proces volgens art. 6 EVRM Pro. De Hoge Raad overwoog dat het specialiteitsbeginsel niet automatisch een schending van art. 6 EVRM Pro oplevert en dat de verdediging zich in Turkije op het specialiteitsbeginsel heeft kunnen beroepen. Er was geen voltooide flagrante schending van art. 6 EVRM Pro vastgesteld.
Verder stelde de verdediging dat de Turkse vervolging in strijd was met het specialiteitsbeginsel omdat Turkije geen toestemming van Nederland had gevraagd voor vervolging in de moordzaak. De rechtbank concludeerde echter dat de Turkse rechters het specialiteitsbeginsel niet als beletsel zagen en dat de zaak inhoudelijk was behandeld, met een vrijspraak in eerste aanleg wegens gebrek aan bewijs. Ook in cassatie werd het specialiteitsbeginsel besproken.
Ten aanzien van het eerlijk proces oordeelde de Hoge Raad dat de verdediging onvoldoende concreet had aangetoond dat het proces in Turkije oneerlijk was verlopen. De middelen faalden en het cassatieberoep werd verworpen. De uitlevering blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering aan Turkije blijft toelaatbaar.