AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad verwerpt cassatie tegen uitlevering wegens schending specialiteitsbeginsel en eerlijk proces
De zaak betreft de uitlevering van een persoon aan Turkije ter uitvoering van een gevangenisstraf voor moord/doodslag. De verdediging stelde dat het specialiteitsbeginsel was geschonden omdat de opgeëiste persoon in 2014 voor een andere zaak was uitgeleverd, en dat hij geen eerlijk proces had gehad in Turkije vanwege de slechte staat van de Turkse rechtspraak.
De rechtbank Limburg verklaarde de uitlevering toelaatbaar. De verdediging voerde twee middelen van cassatie aan: het eerste betrof de vermeende schending van het specialiteitsbeginsel en daarmee art. 6 EVRMPro; het tweede betrof het ontbreken van een eerlijk proces volgens art. 6 EVRMPro. De Hoge Raad overwoog dat het specialiteitsbeginsel niet automatisch een schending van art. 6 EVRMPro oplevert en dat de verdediging zich in Turkije op het specialiteitsbeginsel heeft kunnen beroepen. Er was geen voltooide flagrante schending van art. 6 EVRMPro vastgesteld.
Verder stelde de verdediging dat de Turkse vervolging in strijd was met het specialiteitsbeginsel omdat Turkije geen toestemming van Nederland had gevraagd voor vervolging in de moordzaak. De rechtbank concludeerde echter dat de Turkse rechters het specialiteitsbeginsel niet als beletsel zagen en dat de zaak inhoudelijk was behandeld, met een vrijspraak in eerste aanleg wegens gebrek aan bewijs. Ook in cassatie werd het specialiteitsbeginsel besproken.
Ten aanzien van het eerlijk proces oordeelde de Hoge Raad dat de verdediging onvoldoende concreet had aangetoond dat het proces in Turkije oneerlijk was verlopen. De middelen faalden en het cassatieberoep werd verworpen. De uitlevering blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering aan Turkije blijft toelaatbaar.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/01346 U
Zitting29 augustus 2023
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de opgeëiste persoon.
Inleiding
Bij uitspraak van 27 maart 2023 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Turkse autoriteiten toelaatbaar verklaard ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem in Turkije opgelegde gevangenisstraf ter zake van moord/doodslag.
Namens de opgeëiste persoon heeft mr. D.R. Kops, advocaat te Breukelen, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
3. Het eerste middel klaagt dat de rechtbank de verwerping van het verweer van de verdediging dat de veroordeling van de opgeëiste persoon waarvoor de executie-uitlevering wordt gevraagd in strijd is met het specialiteitsbeginsel onbegrijpelijk, althans onvoldoende heeft gemotiveerd.
4. De steller van het middel verwijst in de schriftuur voor hetgeen daarover door de verdediging is aangevoerd naar de ter zitting van de rechtbank overgelegde pleitnota. Voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, houdt deze het volgende in (weglatingen door mij aangebracht):
“Subsidiair:Voltooide flagrante schending van artikel 6 EVRMPro, schending van specialiteitsbeginsel en aanwezigheidsrecht.
39. De verdediging meent dat Turkije in onderhavige zaak het specialiteitsbeginsel heeft geschonden. Dit levert een voltooide flagrante schending van art. 6 EVRMPro op.
40. Zoals uw rechtbank weet heeft de Hoge Raad bepaald dat de uitleveringsrechter op een dergelijk verweer dient te beslissen.
41. De verdediging meent dat in de strafzaak waar de executieuitlevering op ziet sprake is geweest van vervolging in strijd met het specialiteitsbeginsel. De vervolging van cliënt in Turkije had derhalve nooit op deze wijze plaats mogen vinden waardoor er sprake is van een flagrante schending van artikel 6 EVRMPro. De verdediging zal dit uiteen zetten.
[…]
Eerdere uitlevering cliënt
45. In 2014 is er voor cliënt op verzoek van de 16e Meervoudige Kamer in Strafzaken van Istanbul (nummer A-2781/4-2014) een zogenaamde red notice uitgevaardigd. Dit zag, kort gezegd, op een volgens cliënt verzonnen drugsverdenking en expliciet niet op het feit waar thans uitlevering voor wordt gevraagd (bijlage 2, bijlage 1 is komen te vervallen). Over die verzonnen verdenkingen later meer.
46. Cliënt is toen in Nederland aangehouden en heeft ingestemd met zijn uitlevering naar Turkije.
47. Cliënt is vervolgens vervolgd bij de 16e Meervoudige Kamer in Strafzaken in Istanbul op grond van een aanhoudingsbevel van 6 maart 2014. Het rolnummer van de zaak is 2013/57 (en dus niet rolnummer 2014/106 waarde uitlevering thans voor wordt verzocht).
48. Op 9 mei 2014 is cliënt vervolgens daadwerkelijk uitgeleverd aan Turkije na te hebben ingestemd met zijn uitlevering. Voor de goede orde; de zaak waarbij cliënt heeft ingestemd met uitlevering betreft een geheel andere zaak die volledig losstaat van onderhavige zaak. (Overigens ook een zaak o.b.v. onjuiste gronden, ook een zaak waarvoor cliënt uiteindelijk vrijkwam. Het idee is als het zo niet lukt, dan wordt het op een andere manier geprobeerd).
49. Turkije heeft in de tussentijd in de zaak waar thans de executieuitlevering voor wordt gevraagd ook een aanhoudingsbevel voor cliënt uitgevaardigd. Let op, voor die zaak is in 2014 geen uitlevering gevraagd aan Nederland en cliënt is niet op grond van die zaak uitgeleverd aan Turkije.
50. De zaak waar de executieuitlevering thans op ziet werd immers berecht door de uw rechtbank inmiddels bekende Bakirkoy 9th Court met rolnummer 2014/106.
Hoe is de procedure in Turkije verlopen?
51. Op 25 juni 2014 vindt er in deze zaak met rolnummer 2014/106 een pro-forma zitting plaats waarbij de advocaat van cliënt direct aanvoert dat de uitlevering van cliënt heeft plaatsgevonden in de zaak met rolnummer 2013/16 die voor een andere rechtbank dient. De advocaat voert strijd aan met artikel 14 vanPro het Europees Uitleveringsverdrag (specialiteitsbeginsel) en verzoekt om cliënt in vrijheid te stellen (bijlage 3).
52. De rechtbank gaat daar op 25 juni 2014 nog niet mee akkoord en stelt cliënt in voorlopige hechtenis in de zaak met rolnummer 2014/106.
53. Op 8 juli 2014 vindt er opnieuw een pro-forma zitting plaats waarbij de advocaat van cliënt dit verweer wederom voert. Wederom gaat de rechtbank hier niet mee akkoord (bijlage 4).
54. In de tussentijd stuurt de Turkse rechter Faris Karak namens de Turkse minister op 5 augustus 2014 (bijlage 5) een brief aan de hoofdofficier van justitie waarin hij onder andere aangeeft:
55. In dit schrijven onderkent de Turkse Minister dat er toestemming vanuit Nederland nodig is op grond van het specialiteitsbeginsel om cliënt te kunnen vervolgen bij 9th Bakircoy Court in de zaak met rolnummer 2014/106 en wijst hij het OM hierop.
56. Enkele dagen later op 8 augustus 2014 vindt er wederom een zitting plaats bij 9th Bakircoy Court in de zaak met rolnummer 2014/106.
57. De rechtbank heft vervolgens de voorlopige hechtenis van cliënt in de moordzaak op omdat de rechtbank, evenals de Minister, meent dat er toestemming van Nederland nodig is om cliënt te kunnen vervolgen, omdat er anders in strijd met artikel 14 vanPro het Europees Uitleveringsverdrag wordt gehandeld (bijlage 6). Let wel: een strijd die de advocaat via allerlei procedures heeft moeten voeren, maar voor ons in Nederland een vrij duidelijk evident punt is.
58. Op 29 december 2014 stuurt de Turkse rechter Faris Karak namens de Turkse Minister wederom een brief aan de hoofdofficier van justitie (bijlage 7) waarin de Turkse Minister refereert aan het schrijven d.d. 5 augustus 2014 en waarin de Minister wederom de hoofdofficier van justitie opdraagt om toestemming voorde vervolging van cliënt aan Nederland te vragen voorde vervolging in de zaak met rolnummer 2014/106 bij 9th Bakircoy Court.
59. Er is uiteindelijk door de Kamervoorzitter van het 9th Bakircoy Court een verzoek opgesteld aan de Nederlandse autoriteiten. In dit verzoek wordt op grond van artikel 14 EuropeesPro Uitleveringsverdrag toestemming aan Nederland gevraagd om cliënt, die voor een ander misdrijf met rolnummer 2013/57 is uitgeleverd, tevens te mogen vervolgen voor de in de zaak met rolnummer 2014/106, waar thans de executieuitlevering voor wordt gevraagd (bijlage 8).
60. De 9th Bakircoy Court heeft deze uitgebreide brief aan Nederland d.d. 6 januari 2015 opgesteld waarin uiteindelijk als conclusie aan Nederland toestemming voor de vervolging wordt gevraagd.
61. De rechtbank benoemt tevens expliciet:
62. Het is bij de verdediging van cliënt en zijn Turkse advocaat onbekend of deze brief waarin om toestemming wordt gevraagd, door Turkije daadwerkelijk ooit aan Nederland is verstuurd. De Turkse advocaat heeft hier zelfs opheldering over gevraagd, maar heeft hier van de Turkse Minister een ontwijkend antwoord op gekregen waarbij enkel door de Minister wordt verwezen naar het dossier bij de rechtbank (bijlage 9 en 10).
63. De Turkse advocaat van cliënt heeft wel aangegeven dat er tijdens de gehele procedure in Turkije nooit is aangegeven dat er toestemming zou zijn gekomen vanuit Nederland voor de vervolging van cliënt (bijlage 15b).
64. Dit blijkt overigens ook niet uit het uitleveringsverzoek. Sterker nog, in het uitleveringsverzoek wordt de kwestie rondom het specialiteitsbeginsel die in Turkije heeft gespeeld volledig genegeerd. Onmogelijk in Nederland, maar wel praktijk in Turkije.
65. Ondanks de toezegging van de rechtbank aan Nederland dat er zonder toestemming van Nederland niet tot (verdere) vervolging zal worden overgegaan is de vervolging tegen cliënt uiteindelijk toch doorgegaan.
66. In het vonnis strekkende tot vrijspraak met rolnummer 2014/106 maar ook in het arrest en het arrest in cassatie wordt met geen woord gerept over het specialiteitsbeginsel of enige toestemming van Nederland voorde vervolging.
67. De verdediging stelt dat de gehele vervolging en het uiteindelijke hoger beroep en cassatie in strijd is geweest met het specialiteitsbeginsel.
68. Ik zal uw rechtbank dat uiteen zetten.
69. Turkije is vanaf 1960 aangesloten bij het Europees Uitleveringsverdrag. In artikel 14 lid 1 vanPro dit Verdrag is het specialiteitsbeginsel opgenomen.
70. In de door de verdediging verstrekte Turkse rechtbankstukken is ook opgenomen dat de voorlopige hechtenis van cliënt in onderhavige zaak werd opgeheven omdat er, op grond van het in artikel 14 EuropeesPro Uitleveringsverdrag opgenomen specialiteitsbeginsel, eerst toestemming aan Nederland voor de (verdere) vervolging van cliënt moest worden gevraagd.
71. Cliënt was immers in 2014 via de verkorte procedure uitgeleverd door Nederland aan Turkije in een andere strafzaak. Over het algemeen is het zo dat als iemand instemt met de verkorte procedure, deze persoon afstand doet van het specialiteitsbeginsel. Vanaf oktober 2000 gebeurde dat al tussen lidstaten van de Europese Unie. Turkije hoort echter niet bij de Europese Unie en was geen partij van de overeenkomst die de verkorte procedure tussen EU-lidstaten regelde.
72. Op het moment dat cliënt in 2014 in Nederland instemde met zijn uitlevering aan Turkije in een andere strafzaak waren met betrekking tot Turkije enkel de bepalingen uit het Europees Uitleveringsverdrag van toepassing. Turkije was immers geen lid van het verdrag dat zag op de verkorte procedure en het buitenspel zetten van het specialiteitsbeginsel tussen EU-lidstaten onderling.
73. Op 1 mei 2012 is vervolgens het Derde Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering in werking getreden. Dit derde aanvullend protocol regelt de verkorte procedure en het opzij schuiven van het specialiteitsbeginsel. Met andere woorden, als iemand voor de verkorte procedure kiest mag hij ook voor andere feiten, waar het uitleveringsverzoek niet op zag, worden vervolgd. Vóór die tijd gebeurde dit niet tussen een EU-land en een niet EU-land.
[…]
75. Wat blijkt? Turkije heeft dit Derde Aanvullend Protocol waarin dus de verkorte procedure en het opzij kunnen zetten van het specialiteitsbeginsel is geregeld aangenomen op 26 april 2014 en daadwerkelijk geratificeerd op 1 november 2016 (bijlage 11 en 12).
76. Dat betekent dat er vóór 1 november 2016 geen sprake was of kon zijn van het de zogenaamde verkorte procedure waarbij het specialiteitsbeginsel opzij werd gezet in een uitleveringszaak tussen Nederland en Turkije.
[…]
78. Kennelijk vond het OM dit zelf ook een belangrijk punt (pv-zitting 6 december 2022 OvJ): 'Er is verder ook correspondentie opgevraagd die aan het dossier zal worden toegevoegd. Het gaat om een schrijven van 26 juni 2015 van het Nederlandse Ministerie van Justitie gericht aan de Turkse autoriteiten over deze zaak. Daarin wordt uitgelegd hoe Nederland toepassing geeft aan het specialtietsbeginsel.
79. Dit schrijven waar de officier van justitie de vorige zitting naar verwees is er nooit gekomen en de verdediging heeft in het voorgaande uiteen gezet dat er in onderhavige zaak geen sprake kon zijn van het opzij schuiven van het specialiteitsbeginsel.
Conclusie schending specialiteitsbeginsel
80. Cliënt heeft in 2014 gekozen voor de verkorte procedure in een andere strafzaak waar Turkije de uitlevering voor verzocht en is op 25 juni 2014 in voorlopige hechtenis geplaatst in de zaak met rolnummer 2014/106 waar Turkije thans de uitlevering voor vraagt.
81. Doordat Turkije op het moment van de uitlevering van cliënt in 2014 het Derde Aanvullend Protocol, dat de verkorte procedure en het opzij schuiven van het specialiteitsbeginsel regelt, nog niet had geratificeerd, golden de bepalingen van het Europees Uitleveringsverdrag op dat moment onverkort.
82. Er bestond feitelijk geen mogelijkheid tot verkorte procedure en het opzij schuiven van het specialiteitsbeginsel tussen Nederland en Turkije.
83. Turkije had derhalve op grond van artikel 14 vanPro het Europees Uitleveringsverdrag aan Nederland toestemming dienen te vragen om cliënt te mogen vervolgen. Dit wordt ook onderkend door de rechters van het 9th Bakircoy Court waar cliënt werd vervolgd en de voorlopige hechtenis wordt zelfs opgeheven.
84. Pas later, na de ratificatie van Turkije van het Derde Aanvullend Protocol op 1 november 2016, wordt de vervolging van cliënt ineens voortgezet.
85. De rechtbank moet hebben gedacht dat na de ratificatie het kennelijk alsnog mogelijk was om zonder toestemming van Nederland tot (verdere) vervolging van cliënt over te gaan. Dit is uiteraard onjuist. De ratificatie van Turkije van het Derde Aanvullend Protocol heeft namelijk geen terugwerkende kracht. Cliënt kon toen hij instemde met uitlevering in die andere zaak immers niet weten dat Turkije later alsnog het Derde Aanvullend Protocol zou ondertekenen.
86. Het gaat om het moment waarop cliënt in Nederland voor de verkorte procedure koos voor die andere strafzaak waar Turkije uitlevering voor vroeg. Dit was april 2014. Dat moment is leidend en op dat moment had Turkije het Derde Aanvullend Protocol dat de verkorte procedure regelt nog niet geratificeerd.
87. Hieruit blijkt dat Turkije bij de vervolging van cliënt in de strafzaak waar thans de executieuitlevering voor wordt verzocht, ten onrechte geen toestemming aan Nederland heeft gevraagd voor die vervolging en dat de vervolging van cliënt in Turkije en zijn uiteindelijke veroordeling in strijd is met het specialiteitsbeginsel.
88. Toen cliënt voor de verkorte procedure in de andere zaak koos, wist hij niet dat Turkije met deze naar mening van cliënt fabriceerde moordverdenking op de proppen zou komen.
89. De verdediging heeft met stukken onderbouwd dat meerdere rechters in Turkije er vervolgens op hebben aangedrongen om aan Nederland toestemming te vragen voordat cliënt voor de moordverdenking waar thans de executieuitlevering voor wordt verzocht (verder) kon worden vervolgd. Door andere rechters is dit in de wind geslagen en is de vervolging, in strijd met het specialiteitsbeginsel, doorgegaan.
90. Dat er op deze wijze in strijd is gehandeld met het specialiteitsbeginsel en cliënt koste wat het kost veroordeeld diende te worden voorde moordverdenking levert dan ook een voltooide flagrante schending van artikel 6 EVRMPro op.
91. De enige conclusie die hier aan kan worden verbonden is dat uw rechtbank de uitlevering van cliënt aan Turkije dient te weigeren.”
5. De rechtbank heeft het verweer van de verdediging als volgt samengevat en verworpen:
“ Specialiteitsbeginsel
Door de verdediging is aangevoerd dat de opgeëiste persoon in 2014 door Nederland is uitgeleverd aan Turkije ten behoeve van strafvervolging in een drugszaak. De verdediging stelt dat de opgeëiste persoon vervolgens is berecht voor een ander feit dan waarvoor is uitgeleverd en aldus het specialiteitsbeginsel door Turkije is geschonden. Ten behoeve van die laatste berechting vraagt Turkije thans executie-uitlevering.
De rechtbank stelt vast dat door de verdediging van de opgeëiste persoon in Turkije al vanaf het begin van de strafzaak schending van het specialiteitsbeginsel is aangevoerd. Hoewel de opgeëiste persoon naar aanleiding van dat verweer tussentijds is vrijgelaten op 8 augustus 2014 is de Turkse rechter kennelijk voorbij gegaan aan het verweer van de verdediging en is de opgeëiste persoon weer vastgezet op 14 april 2015. De rechtbank concludeert daaruit dat het specialiteitsbeginsel kennelijk voor de Turkse rechters geen beletsel vormde voor verdere vervolging van de opgeëiste persoon. Vervolgens is de strafzaak in eerste aanleg inhoudelijk behandeld en de opgeëiste persoon op 6 juli 2017 vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs.
De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding te veronderstellen dat het specialiteitsbeginsel door Turkije is geschonden. Zelfs in de uitspraak in cassatie is door de Turkse rechter hieraan nog aandacht besteed.”
6. Voor de bespreking van het middel is het volgende van belang. Op grond van art. 14 vanPro het Europees uitleveringsverdrag mag een uitgeleverde persoon in beginsel niet worden vervolgd of berecht wegens enig ander voor de overlevering begaan feit dan dat waarvoor hij is uitgeleverd. Art. 12 vanPro de Uitleveringswet verplicht de minister te overwegen of de specialiteit voldoende is gewaarborgd, alvorens het uitleveringsverzoek in te willigen. [1] Op buitenlandse verzoeken tot doorbreking van het specialiteitsbeginsel beslist de minister, zonder betrokkenheid van de rechter. Verder dient te worden vooropgesteld dat de uitleveringsrechter bij de beoordeling van een verzoek tot uitlevering ter tenuitvoerlegging van een aan de opgeëiste persoon opgelegde straf in beginsel dient uit te gaan van de juistheid van de veroordeling door de rechter van de verzoekende staat. Ingeval aan die veroordeling een uitleveringsprocedure is voorafgegaan, staat het de uitleveringsrechter niet vrij te treden in de beoordeling van de vraag of bij die veroordeling het specialiteitsbeginsel in acht is genomen. [2] Dit kan slechts anders zijn indien komt vast te staan dat bij de totstandkoming van die veroordeling sprake is geweest van een flagrante schending van door art. 6 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde rechten. [3]
7. Het middel is gebaseerd op de veronderstelling dat het specialiteitsbeginsel door Turkije is geschonden en dat dit een schending van art. 6 EVRMPro oplevert. Een schending van het specialiteitsbeginsel levert echter op zichzelf genomen nog geen schending van art. 6 EVRMPro op, terwijl uit hetgeen namens de opgeëiste persoon is aangevoerd, naar voren komt dat hij zich in Turkije op het specialiteitsbeginsel heeft kunnen beroepen en dat hij in dit opzicht dus gebruik heeft kunnen maken van zijn verdedigingsrechten.
8. Naar het oordeel van de rechtbank is er op gronden aangevoerd door de verdediging en ook overigens niet gebleken van een voltooide flagrante schending van art. 6 EVRMPro. Gelet op hetgeen onder randnummer 6 is vooropgesteld, komt de beoordeling van de specialiteit in dit geval uitsluitend toe aan de minister. Hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen kan reeds daarom niet leiden tot vernietiging van de bestreden beslissing tot toelaatbaarverklaring van de uitlevering.
9. Het middel faalt.
Het tweede middel
10. Het tweede middel behelst de klacht dat de rechtbank voorbij is gegaan aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging, inhoudende dat de verdachte geen eerlijk proces op grond van art. 6 EVRMPro heeft gehad en dat de uitlevering daardoor ontoelaatbaar dient te worden verklaard.
11. Bij een strikte lezing van het middel zou het moeten falen omdat daarin een beroep wordt gedaan op de verwerping door de rechtbank van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt terwijl die regelgeving niet van toepassing is verklaard op de uitleveringsprocedure. [4] Ik zal het middel echter in die zin opvatten dat het klaagt over de wijze waarop de rechtbank het betreffende verweer heeft verworpen.
12. De verdediging heeft bepleit dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard omdat de opgeëiste persoon gezien de slechte staat van de rechtspraak in Turkije, waarbij de onafhankelijkheid van rechters ernstig onder druk staat, geen eerlijk proces op grond van art. 6 EVRMPro heeft gehad. De verdediging heeft ter onderbouwing hiervan een situatieschets naar voren gebracht van de rechtspraak in Turkije. Daarin wordt onder meer verwezen naar de couppoging, de status van Gülen-aanhangers en de positie van de HDP-partij.
13. De rechtbank heeft geoordeeld dat van een voltooide flagrante schending van art. 6 EVRMPro - op gronden aangevoerd door de verdediging en ook overigens – niet is gebleken. Nu namens de opgeëiste persoon niet specifiek en concreet is aangegeven waaruit volgt dat het proces van de opgeëiste persoon oneerlijk is verlopen, is de verwerping van het namens de opgeëiste persoon gevoerde verweer naar mijn mening niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
14. Het middel faalt.
Conclusie
15. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
16. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
1.Zie ook A.H.J. Swart,
2.Wel is hij bevoegd zijn oordeel daarover op te nemen in het door hem op de voet van het bepaalde in art. 30 lid 2 UWPro aan de minister uit te brengen advies. Vgl. HR 28 maart 2000, ECLI:NL:2000:ZD1791,