Conclusie
Nummer21/04608
Het cassatieberoep
opzetheling" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken. Voorts heeft het de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard en de uitvoering gelast van twee eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen, een ander zoals vermeld in het arrest.
Het middel
De bewezenverklaring en de bewijsvoering
hij in de periode van 28 mei 2019 tot en met 29 mei 2019, te Breukelen, gemeente Stichtse Vecht, een goed, te weten een Renault Zoë (met kenteken [kenteken]) heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.”
1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte, proces-verbaalnummer PL0900-2019163266-4, afgesloten d.d. 11 juni 2019, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1], hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland (p. 3-4), voor zover inhoudende als verklaring van aangever, zakelijk weergegeven:
Verdachte is op 29 mei 2019 om 03:15 uur aangehouden in een gestolen auto. Blijkens de aangifte is de auto tussen 28 mei 2019 om 18:19 uur en 29 mei 2019 om 10:00 uur gestolen. Verdachte geeft vervolgens een verklaring waarom hij in de gestolen auto reed, die op geen enkele wijze verifieerbaar is. Daarmee is een aanmerkelijke verklaring waaruit blijkt van de goede trouw van verdachte uitgebleven.
De toelichting op het middel
“hij deze (de sleutel) niet meekreeg van de vriendin met de opmerking dat hij het voertuig moest laten draaien”wel heeft gebruikt voor het bewijs. De bewijsvoering van opzetheling is dan ook innerlijk tegenstrijdig en daarmee onbegrijpelijk, aldus de steller van het middel.
De bespreking van het middel
lesseetussen 28 mei 2019 om 18:19 uur en 29 mei 2019 om 10:00 uur is gestolen. Het hof oordeelt dat de verdachte – op het moment dat hij de auto voorhanden kreeg – op de hoogte was van de criminele herkomst van dat voertuig, althans dat hij de aanmerkelijke kans op die berispelijke herkomst bewust heeft aanvaard. Het hof baseert zijn oordeel op een grond die, in strafzaken waarin wordt geconstateerd dat een verdachte een gestolen voorwerp voorhanden heeft, nogal eens deel uitmaakt van de bewijsvoering van diefstal, te weten: het korte tijdsverloop tussen de diefstal van een voorwerp en het aantreffen van een verdachte in het bezit daarvan. [1] Het gaat thans evenwel om het bewijs van opzetheling en niet om het bewijs van diefstal. Weliswaar komt de steller van het middel in algemene zin op tegen het bewijsoordeel over verdachte’s (voorwaardelijk) opzet omtrent de criminele herkomst van de auto, maar de hiervoor weergegeven grond (het korte tijdsverloop) en de redengevendheid daarvan voor het bewijs van opzetheling worden in cassatie op zichzelf niet aangevochten. Van die redengevendheid ga ik daarom hieronder uit.
“aanmerkelijke verklaring”waaruit blijkt van de goede trouw van verdachte is dan ook uitgebleven, aldus oordeelt het hof. Daarmee heeft het hof kennelijk bedoeld uiteen te zetten dat de verdachte geen verklaring heeft afgelegd die zijn onwetendheid van de criminele herkomst van de auto (en dus zijn onschuld) staaft. De omstandigheid dat de verdachte
“niet beschikte over het pasje om de auto te starten”versterkt – niet onbegrijpelijk – enkel ‘s hofs reeds onderbouwde oordeel omtrent verdachte’s (voorwaardelijk) opzet op de criminele herkomst van de auto.
“hij (de sleutel) niet meekreeg van de vriendin met de opmerking dat hij het voertuig moest laten draaien”kennelijk juist wél geloofwaardig heeft geacht. De overweging van het hof moet zo worden begrepen dat het daarmee slechts heeft willen bewijzen dat de verdachte niet over de sleutels van de auto beschikte. Bezien tegen deze achtergrond bevat de bewijsvoering van het hof dan ook geen tegenstrijdigheid, terwijl het hof zijn oordeel dat de verdachte op de hoogte was van de diefstal van het door hem gebruikte voertuig, voldoende heeft gemotiveerd.