Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Huurobject
”
onder 3 en 4dat [Verhuurder] het woonhuis met tuin heeft gekocht in de staat waarin het zich toen bevond, met achterstallig onderhoud en voor onbepaalde tijd aan Huurder verhuurd en dat zij daarom een flinke korting van de curator hebben weten te bedingen.
onder 1.6kunnen alle omstandigheden van belang zijn bij de vraag of sprake is van de uitzondering van art. 7:206 lid 1 BW Pro dat het verhelpen van gebreken uitgaven vereist die in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet van de verhuurder zijn te vergen. Daarbij moet als aangegeven per geval beoordeeld worden of dergelijke omstandigheden aanwezig zijn die maken dat de hoofdregel dat herstelbare gebreken hersteld moeten worden hier bij wijze van uitzondering geen toepassing vindt.
onder 1.8wordt betoogd, heeft het hof daarmee niet geoordeeld dat de door Huurder genoemde omstandigheden ten aanzien van de slechte staat van het gehuurde niet van belang zijn waardoor niet kan worden gezegd dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan omdat het niet alle relevante omstandigheden heeft meegewogen. Het gaat het hof er blijkens rov. 2.34 vooral om dat de enorme omvang van de kosten in wanverhouding staan tot de door Huurder te verkrijgen genotsvermeerdering. Dit oordeel komt voort uit een belangenafweging die is voorbehouden aan de feitenrechter. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof, alle omstandigheden afwegende, tot het oordeel is gekomen dat die omstandigheden het zwaarste wegen.
onder cdat het hof bij arrest van 7 juni 2016 de vorderingen van de curator tot beëindiging van de huurovereenkomst heeft afgewezen is geen essentiële stelling. Zonder uitleg van Huurder valt niet in te zien waarom de uitspraak waarnaar zij verwijst nog relevant is voor de uitkomst van deze procedure. Ten eerste is deze uitspraak als gezegd gewezen in een andere procedure tussen andere partijen en daarnaast heeft de kantonrechter in een procedure tussen Huurder en Verhuurder inmiddels bepaald dat de huurovereenkomst binnen afzienbare tijd eindigt [12] . Op deze recentere uitspraak heeft het hof dan ook gewezen in rov. 2.33.
de omvangvan het gehuurde. Die is behoudens nadere afspraken immers nog steeds hetzelfde, ook al is sprake van partijwisseling aan verhuurderskant. Het hof heeft met zijn oordeel dus onderkend, zoals Huurder betoogt, dat niet Verhuurder maar zijn voorganger als partij bij het aangaan van de huurovereenkomst betrokken is geweest. Aangezien het hof niet heeft geoordeeld dat de bedoeling van Verhuurder bij het aangaan van de huurovereenkomst relevant is bij de uitleg, gaat de klacht in zoverre uit van een onjuiste lezing van het arrest en faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Huurobject
in een acute noodsituatie” was komen te verkeren en aan verhuurder had gevraagd haar tijdelijk te helpen. Daarnaast vermeldt artikel 3.4 dat de huurder op zich neemt al datgene te (blijven) doen wat in zijn vermogen ligt om de beschikking te krijgen over andere woonruimte en deze te betrekken. Tot slot vermeldt artikel 3.4 dat “
het gehuurde op de nominatie staat te worden gesloopt (...). Deze sloop zal, naar thans redelijkerwijs te verwachten valt, over één jaar worden gerealiseerd. Gedurende dit ene jaar is verhuurder bereid de woonruimte aan huurder ter beschikking te stellen, in afwachting van de sloop.”
(…)
Het ‘achterhuis genoemd in de huurovereenkomst van oktober 2006 tussen mij en mevrouw [Huurder] , is destijds verhuurd als woonruimte. Er zijn geen afspraken gemaakt over het huren van de tuin.
Ik heb als verhuurder nooit ingestemd met gebruik door [Huurder] van om het huis of elders gelegen percelen.
[Huurder] heeft nooit gebruik van tuingrond bedongen. Als dat anders was had ik dat afgewezen en niet aan haar verhuurd (...)”
het laatste deel van 2.3is onvoldoende gemotiveerd waarom de oorspronkelijke noodsituatie en relatief lage huurprijs zouden kunnen verklaren dat perceel [001] niet tot het gehuurde behoort.
onder 2.8 t/m 2.11had het hof vanwege de devolutieve werking van het hoger beroep ook haar relevante reactie in eerste aanleg op die verklaring moeten bespreken [14] .
onder 2.12 en 2.13gewezen op door Huurder ingenomen stellingen die erop neerkomen dat de leveringsakte aanwijzingen bevat van hetgeen de partijen bij die akte qua verhuurde tuin voor ogen stond en dat dit doorwerkt in de contractuele relatie met Huurder, dat zij in de leveringsakte wordt genoemd en als huurster in verband wordt gebracht met het verkochte, terwijl het verkochte is aangeduid als woonhuis cum annexis met ondergrond, erf, tuin en bos, waarbij verwezen wordt naar perceel [001] en [002] [15] .
Onder 2.14betoogt Huurder dat indien het hof heeft gemeend dat Huurder heeft betoogd dat zij aan de leveringsakte rechtstreeks rechten kan ontlenen, het hof haar stellingen onbegrijpelijk heeft geïnterpreteerd.
Onder 2.15is de klacht dat wanneer het hof heeft gemeend dat de leveringsakte in geen geval aanwijzingen voor het gelijk van Huurder kan opleveren, het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, omdat zij het bewijs van haar gelijk met alle middelen rechtens kan leveren.
Onder 2.16klaagt Huurder verder dat indien het hof heeft gemeend dat uit de leveringsakte niet het door haar gestelde gevolg kan worden getrokken, het hof die mening nader had moeten onderbouwen gelet op de stellingen van Huurder.
Onder 2.17-2.18is de klacht dat het hof de Haviltex-maatstaf heeft miskend door na te laten om te toetsen of Huurder op grond van verklaringen en gedragingen van haar en/of Verhuurder gerechtvaardigd ervan mocht uitgaan dat perceel [001] tot het verhuurde behoorde of is gaan behoren.
nietmaakt dat het perceel tot het gehuurde behoorde of is gaan behoren. Ook deze klacht kan dus niet tot cassatie leiden.
onder 2.21is dat het oordeel dat de verklaring van [betrokkene 4] over de leveringsakte niet van belang is gelet op de redenen genoemd in onderdeel C rechtens onjuist, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is.
mutatis mutandisnaar de klacht uit onderdeel D, zodat die strandt op hetgeen bij de bespreking daarvan naar voren is gebracht.
onder 2.24toegevoegd dat uit het gebruik wel kan voortvloeien dat zij redelijkerwijs mocht verwachten dat ook Verhuurder ervan uitging dat perceel [001] tot het gehuurde behoorde of is gaan behoren.
onder 2.26luidt dat dat oordeel zonder nadere uitleg gelet op ‘voornoemde stellingen’ van Huurder onbegrijpelijk is.
klacht 3, dat ook ziet op het oordeel over de omvang van het gehuurde, voert Huurder aan dat het hof in strijd met art. 24 Rv Pro geen of onvoldoende aandacht heeft besteed aan de stellingen over de functionele samenhang tussen percelen [001] en [002] , het gebruik door Huurder van perceel [001] , en de stelling dat de tuin was meeverhuurd althans aan haar ter beschikking stond en dat bij het aangaan van de huurovereenkomst de perceelgrens geen rol heeft gespeeld [18] . Voor zover het hof heeft gemeend dat de stellingen geen bespreking behoefden, is dat rechtens onjuist en indien het hof heeft gemeend dat de stellingen in dit geval niet relevant zijn, is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd.
onder 4.1heeft het hof miskend dat bij de bepaling of de uitzondering van art. 7:206 lid 1 BW Pro kan worden toegepast, niet gaat om de vaststelling van de waarschijnlijkheid of onwaarschijnlijkheid of het door Huurder verlangde herstel voor het door haar genoemde bedrag kan worden uitgevoerd, maar om te bepalen wat in financiële termen exact de spanning is tussen wat de huurder verlangt en wat van de verhuurder kan worden gevergd.
onder 4.3-4.7met de motiveringsklacht dat nu zijdens Huurder sprake is van een gerenommeerd bouwkundig bureau dat de gebreken vakkundig heeft onderzocht en daarover verslag heeft gedaan tegenover een ‘losse pols’ benadering van de kant van de deskundige van Verhuurder, hier een nadere motivering van het hof had mogen worden verlangd en het onbegrijpelijk is dat het hof de rapportage van de kant van Verhuurder wel volgt en die zijdens Huurder niet.
Onder 8.7trekt Huurder hieruit de conclusie dat het hof zich ervan bewust had moeten zijn dat Verhuurder door geen onderhoud uit te voeren zich in de positie heeft gebracht dat hij nu allicht grotere uitgaven moet doen om het gehuurde te herstellen, zodat de huidige hoogte van het aan te wenden bedrag volgens Huurder geen verweer tegen de vorderingen van Huurder kan vormen.
Onder 8.10 (eerste deel) en 8.11wijst Huurder op zijn klachten in onderdelen 4, 5 en 7 waaruit zou volgen dat het hof dit niet heeft uitgelegd.
onder 8.10 (tweede deel)dat het hof de veronderstelde door Huurder te verkrijgen genotsvermeerdering niet heeft gekwantificeerd en dat het hof ten onrechte niet duidelijk heeft gemaakt welke verhouding nog wel en welke verhouding niet meer acceptabel is voor toepassing van de hoofdregel, dat de verhuurder herstelbare gebreken moet herstellen.