Conclusie
Nummer21/04148
Het cassatieberoep
"wederspannigheid, terwijl het misdrijf enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet-ontvankelijk verklaard.
De bewezenverklaring
Hij op 17 juli 2020 binnen het baanvak Zutphen-Odenzaal zich met geweld heeft verzet tegen buitengewoon opsporingsambtenaren te weten [benadeelde 2] en [benadeelde 1] (toezichthouders bij vervoersmaatschappij [A] ), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten het staande houden van verdachte bij een vervoerscontrole in verband met het niet dragen van een wettelijk voorgeschreven mondkapje en overtreding van de wet ID door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die buitengewoon opsporingsambtenaren verdachte trachtten te geleiden, terwijl dit misdrijf enig lichamelijk letsel, te weten een hoofdwond bij die [benadeelde 2] ten gevolge heeft gehad.”
De bewijsvoering
1. Het proces-verbaal van bevindingen, in wettelijke vorm opgemaakt door [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , beiden toezichthouder bij [A] B.V. en buitengewoon opsporingsambtenaar, gesloten en ondertekend op 17 juli 2020, voor zover van belang als relaas van de verbalisanten inhoudende (pag. 3 e.v.):
Persoonsgegevens
Oordeel van het hof
Het eerste middel
ten onrechte heeft geoordeeld dat buitengewoon opsporingsambtenaren (…) werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening”en daardoor ten onrechte bewezen heeft verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het misdrijf ‘wederspannigheid’.
De toelichting op het eerste middel
“om te kijken of er iets van een legitimatiebewijs in zat”, terwijl géén van beide boa’s de verdachte heeft gevraagd naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats, geboortedatum, alsmede zijn adres. De boa’s hebben van de bevoegdheid om de verdachte staande te houden dan ook geen gebruik gemaakt, aldus de steller van het middel, en dat heeft volgens hem tot gevolg dat de verdachte – nadat hij langs een van de boa’s was gesprongen, door hem was vastgepakt en met behulp van de andere boa (en omstanders) naar de grond was gebracht – zich aan de onterechte vrijheidsbeneming mocht trachten te onttrekken. De boa’s waren immers niet werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. De verdachte heeft zich, anders dan het hof heeft geoordeeld, niet schuldig gemaakt aan het misdrijf wederspannigheid.
vragennaar zijn personalia en
identiteitsbewijsen de verdachte daartoe gedurende een moment staande te houden. [1]
vorderenvan inzage in een identiteitsbewijs van personen, voor zover dat
“redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de politietaak”(artikel 8 lid 1 van Pro de Politiewet 2012). [2] Deze bepaling geldt tevens voor buitengewoon opsporingsambtenaren (artikel 8 lid 2 van Pro de Politiewet 2012). Op grond van artikel 2 van Pro de Wet op de identificatieplicht is eenieder die ouder is dan veertien jaar
verplichtom op eerste
vorderingeen identiteitsbewijs te tonen aan een ambtenaar in de zin van artikel 8 van Pro de Politiewet 2012. [3] Anders dan bij staandehouding op grond van artikel 52 Sv Pro geldt op grond van artikel 8 van Pro de Politiewet 2012 niet de eis dat er sprake moet zijn van een verdenking van een strafbaar feit. [4] Weigert een persoon aan de vordering een identiteitsbewijs te tonen, te voldoen dan is deze strafbaar op grond van artikel 447e Sr.
De bespreking van het eerste middel
“teneinde zijn identiteit vast te stellen”wegens het niet dragen van een wettelijk voorgeschreven mondkapje. Het dragen van een mondkapje (in het openbaar vervoer) was sinds 1 juni 2020 verplicht gesteld. Het niet voldoen aan deze verplichting leverde een strafbaar feit op. [5] Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de boa die de verdachte staande heeft gehouden daarover heeft verklaard: “
Ik hield de man staande als verdachte voor het niet dragen van een mondkapje. Ik vroeg de verdachte om zijn identiteit (…). Ik hoorde de verdachte zeggen die heb ik niet bij me. Ik vorderde de verdachte zijn identiteitsbewijs.”Deze feitelijke gang van zaken is in cassatie niet betwist.
vragennaar zijn personalia én identiteitsbewijs en hem daartoe gedurende een moment staande te houden. [6] Daarmee heeft ook de daarop voortbordurende klacht dat, nu de boa’s niet werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, de verdachte zich mocht trachten te onttrekken aan de vrijheidsbeneming, waardoor het misdrijf wederspannigheid niet bewezen kan worden verklaard, geen kans van slagen.
verplichtwas om aan de
vorderingom zijn identiteitsbewijs te tonen, gehoor te geven, geldt dat iedere persoon ouder dan veertien jaar verplicht is om – op grond van artikel 2 van Pro de Wet op de identificatieplicht in verbinding met artikel 8 lid 2 van Pro de Politiewet 2012 – zijn identiteitsbewijs op eerste vordering aan een boa ter inzage aan te bieden voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van zijn politietaak. ’s Hofs kennelijke oordeel dat de vordering van de boa in dit geval redelijkerwijs noodzakelijk was voor de uitvoering van zijn politietaak, acht ik niet onbegrijpelijk. Ook in zoverre faalt het middel.
Het tweede middel en de toelichting daarop
“enig lichamelijk letsel, te weten een hoofdwond bij die [benadeelde 2] ten gevolge heeft gehad”,terwijl het tegelijkertijd heeft overwogen dat
“niet duidelijk is hoe dat lichamelijk letsel is opgelopen”.Het arrest is daardoor innerlijk tegenstrijdig, aldus de steller van het middel.
Het beoordelingskader inzake wederspannigheid met lichamelijk letsel
De bespreking van het tweede middel
gewond (is) geraakt aan het hoofd”. Daarnaast heeft buitengewoon opsporingsambtenaar [benadeelde 2] verklaard:
“Het klopt dat ik letsel heb opgelopen. Ik heb letsel opgelopen op mijn hoofd (…)”. Uit de als schriftelijk bescheid opgenomen verwijsbrief van de Spoedzorg volgt dat [benadeelde 2] een
“wond op hoofd”heeft opgelopen. Het hof heeft geoordeeld dat het aan de verdachte ten laste gelegde misdrijf wederspannigheid wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat dit misdrijf enig lichamelijk letsel, te weten een hoofdwond bij die [benadeelde 2] ten gevolge heeft gehad.
“(…) nog daargelaten dat niet duidelijk is hoe [benadeelde 2] het letsel heeft opgelopen – het letsel te gering is om tot toekenning van smartengeld te kunnen komen”. Voornoemde overweging moet m.i. echter zo worden begrepen dat het hof daarmee enkel heeft willen aangeven dat niet duidelijk is geworden op welke wijze – dus door welke handeling van de verdachte (bijvoorbeeld slaan, schoppen, trappen) – de buitengewoon opsporingsambtenaar het letsel heeft opgelopen. Dat de buitengewoon opsporingsambtenaar
tijdensde aanhouding letsel heeft opgelopen, en dat er dus een causaal verband bestaat tussen de ambtsdwang en de wederspannigheid en het lichamelijk letsel, blijkt genoegzaam uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Van innerlijke tegenstrijdigheid is dan ook geen sprake.