ECLI:NL:PHR:2023:895

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 oktober 2023
Publicatiedatum
9 oktober 2023
Zaaknummer
21/04148
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22b SrArt. 181 SrArt. 180 SrArt. 447e SrArt. 52 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens schending taakstrafverbod bij wederspannigheid met letsel

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens wederspannigheid met enig lichamelijk letsel, gepleegd tijdens een vervoerscontrole in een trein wegens het niet dragen van een mondkapje. Het hof legde een taakstraf van dertig uur op, subsidiair vijftien dagen hechtenis. De verdachte stelde cassatie in tegen deze veroordeling met drie middelen: betwisting van de bewezenverklaring, innerlijke tegenstrijdigheid van het arrest en schending van het taakstrafverbod.

De Hoge Raad oordeelt dat het eerste en tweede middel falen. De bewezenverklaring is gebaseerd op verklaringen van buitengewoon opsporingsambtenaren en getuigen, en medisch bewijs van het opgelopen letsel. Het hof heeft de rechtmatigheid van de staande houding en aanhouding van de verdachte juist beoordeeld. De vermeende innerlijke tegenstrijdigheid is niet aanwezig, omdat het letsel wel degelijk is vastgesteld en het causale verband met de wederspannigheid voldoende is onderbouwd.

Het derde middel slaagt echter: het hof heeft ten onrechte een taakstraf opgelegd terwijl art. 22b lid 1 onder b Sr een taakstrafverbod inhoudt bij veroordeling voor het misdrijf genoemd in art. 181 Sr Pro, waaronder wederspannigheid met letsel valt. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor wat betreft de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe strafoplegging. Het beroep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor wat betreft de strafoplegging en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/04148

Zitting31 oktober 2023
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte

Het cassatieberoep

1. De verdachte is bij arrest van 22 september 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens
"wederspannigheid, terwijl het misdrijf enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet-ontvankelijk verklaard.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D.P. Kant, advocaat te Almelo, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste klaagt over de bewezen verklaarde wederspannigheid met enig lichamelijk letsel tot gevolg. Het tweede middel klaagt dat het arrest innerlijk tegenstrijdig is. Het derde middel richt zich tegen de door het hof opgelegde taakstraf.

De bewezenverklaring

4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

Hij op 17 juli 2020 binnen het baanvak Zutphen-Odenzaal zich met geweld heeft verzet tegen buitengewoon opsporingsambtenaren te weten [benadeelde 2] en [benadeelde 1] (toezichthouders bij vervoersmaatschappij [A] ), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten het staande houden van verdachte bij een vervoerscontrole in verband met het niet dragen van een wettelijk voorgeschreven mondkapje en overtreding van de wet ID door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die buitengewoon opsporingsambtenaren verdachte trachtten te geleiden, terwijl dit misdrijf enig lichamelijk letsel, te weten een hoofdwond bij die [benadeelde 2] ten gevolge heeft gehad.”

De bewijsvoering

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (onderstrepingen mijnerzijds):

1. Het proces-verbaal van bevindingen, in wettelijke vorm opgemaakt door [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , beiden toezichthouder bij [A] B.V. en buitengewoon opsporingsambtenaar, gesloten en ondertekend op 17 juli 2020, voor zover van belang als relaas van de verbalisanten inhoudende (pag. 3 e.v.):
Op 17-07-2020, omstreeks 22.06 uur voerden wij, in burgerkleding gekleed en tevens met handhaving belast, tijdens onze dienst een vervoerbewijscontrole uit in treinnummer 31271. Deze trein reed op genoemde tijdstip op het traject Zutphen-Oldenzaal. We waren in burger gekleed en hadden een actie die gericht was op het dragen van mondkapjes in het openbaar vervoer welke verplicht zijn gesteld per 1 juni 2020.
Tijdens deze controle zie ik een man zitten in de rijrichting van de trein in het zwart gekleed met een groene trainingsbroek aan. Ik zag dat de man geen wettelijk voorgeschreven mondkapje droeg. Ik zag dat de man zijn trui die was voorzien van een rits over zijn mond deed.Ik zei tegen de man dat de man in overtreding was voor het niet dragen van een wettelijk voorgeschreven mondkapje. Ik hield de man staande als verdachte voor het niet dragen van een mondkapje. Ik vroeg de verdachte om zijn identiteit en heb me gelegitimeerd als buitengewoon opsporingsambtenaar openbaar vervoer. Ik hoorde de verdachte zeggen die heb ik niet bij me. Ik vorderde de verdachte zijn identiteitsbewijs. Ik zag dat de verdachte hier niet aan voldeed. Ik vroeg de verdachte of hij iets anders bij zich had waar een naam op stond. Ik hoorde de verdachte zeggen ‘dat heb ik niet ’. Ik zei tegen de verdachte dat ik eerst wilde dat hij zijn zakken leeg zou maken. Ik wilde de verdachte in een volle trein niet gaan fouilleren. Ondertussen waren we aangekomen bij station Hengelo Gezondheidspark. Ik zag dat de verdachte langs mij heen sprong. Ik pakte de verdachte vast om te voorkomen dat hij de trein uit zou gaan. Mijn collega kwam ondertussen assistentie verlenen. Ik zag en voelde dat de verdachte verzet vertoonde tegen de daadwerkelijke staande houding. Dit was te merken aan de bewegingen die hij maakte met zijn armen. Met behulp van diverse passagiers uit de trein hebben we de verdachte onder controle gekregen. Ik heb de verdachte van achteren vastgepakt en naar de grond gebracht. Mijn collega [benadeelde 2] had de verdachte aan de linkerkant en ik had de verdachte aan de rechterkant vast bij zijn armen.Tijdens deze aanhouding is mijn collega gewond geraakt aan het hoofd waar foto's van zijn bijgevoegd.
Identificerende persoonsgegevens verdachte:
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedatum] 1999
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
2. Het proces-verbaal van verhoor getuige, in wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant] , hoofdagent van politie, gesloten en ondertekend op 18 juli 2020, voor zover van belang als verklaring van getuige [betrokkene 1] inhoudende (pag. 7 e.v.):
Op vrijdag 17 juli 2020 omstreeks 22.00 uur zat ik in de trein. De trein ging naar Oldenzaal. Ik zag dat de conducteur met iemand aan het praten was. Ik zag dat hij geen uniform droeg maar ik zag wel dat hij zich identificeerde. Volgens mij hadden zij het over het mondkapje.
Ik hoorde aan het stemvolume en zag dat zij in discussie waren met elkaar. Ik zag dat de persoon langs de conducteur sprong en er vandoor wilde gaan. Ik zag dat de conducteur hem vastgreep. Ik zag dat er een worsteling plaatsvond.
3. Een schriftelijk bescheid te weten een verwijsbrief van Spoedzorg Huisartsen [plaats] van 18 juli 2020, voor zover van belang inhoudende:

Persoonsgegevens

Geboortedatum: [geboortedatum] 1956(64)
Naam: [benadeelde 2]
Verwijsgegevens
Objectief: Wond op het hoofd: schaafwond, bloed nog iets na
Rechter flank: drukpijnlijk in de onderste ribben
4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 11 februari 2021, voor zover van belang als verklaring van [benadeelde 1] inhoudende:
Verdachte ken ik. Hij is een veelpleger, want hij reist vaak zonder een kaartje. Ik vind dat iedereen een tweede kans verdiend. Ik heb verdachte in eerste instantie niet herkend, omdat hij zijn trui tot over zijn neus had. Pas op het perron hoorde ik zijn naam en toen wist ik dat hij het was. Verdachte was al aangehouden toen ik hoorde om wie het ging.
5. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 11 februari 2021, voor zover van belang als verklaring van [benadeelde 2] inhoudende:
Op het eerste moment wist ik nog niet dat de discussie ging over het wel of niet dragen van een mondkapje. Op het moment dat er werd ingegrepen door de [benadeelde 1] stond ik op twee meter afstand. Iemand die ik niet ken heeft “ [verdachte] ” geroepen. Ik hoorde het pas later dat het om verdachte ging en zelfs toen had ik er nog geen beeld bij. Het klopt dat ik letsel heb opgelopen. Ik heb letsel opgelopen op mijn hoofd en aan de zijkant van mijn buik. Ik had een zwaar gekneusde rib.
6. Ten aanzien van de bewezenverklaring heeft het hof onder meer het volgende overwogen (onderstrepingen mijnerzijds):

Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, (…) . Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.
Buitengewoon opsporingsambtenaar [benadeelde 1] , toezichthouder bij [A] , was bevoegd om verdachte staande te houden teneinde zijn identiteit vast te stellen toen hij verdachte op 17 juli 2020 in de trein tussen Zutphen en Hengelo (Ov.) zonder mondkapje aantrof. Uit niets blijkt dat hij verdachte direct bij naam kende, wat ook begrijpelijk is aangezien verdachte zijn trui over zijn mond en neus had getrokken waardoor alleen zijn ogen zichtbaar waren. Uit het door de raadsman bedoelde videofragment komt naar voren dat de verbalisanten verdachte pas herkenden op het moment dat hij op de grond lag. Maar zelfs als [benadeelde 1] verdachte onmiddellijk had herkend, had hij nader onderzoek mogen doen naar de identiteit en – voor zover noodzakelijk ter vaststelling van de identiteit– onderzoek mogen doen aan de kleding en aan voorwerpen die verdachte bij zich droeg. Niet alleen een achternaam is van belang om iemands identiteit vast te stellen, maar ook de voornaam, geboortedatum en geboorteplaats. Verder stelt het hof vast dat verdachte niet is gefouilleerd: hem is gevraagd en niet gevorderd zijn zakken leeg te maken.
Het berust eveneens op een misverstand dat buitengewoon opsporingsambtenaar [benadeelde 1] en zijn collega verdachte, die de trein wilde verlaten terwijl hij in verband met het niet-dragen van een mondkapje was staande gehouden en niet aan de vordering van [benadeelde 1] had voldaan om een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden, niet hadden mogen vastpakken. Een opsporingsambtenaar mag een verdachte bij diens staande houding zo nodig dwingen stil te blijven staan en daartoe proportioneel geweld aanwenden. Bovendien was er een verdenking dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan het strafbaar feit van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht en kon hij daarvoorop heterdaad worden aangehouden.
De raadsman heeft betoogd dat de toezichthouders meinedige verklaringen tegenover de politierechter hebben afgelegd en dat daarom aan het hele relaas van de verbalisanten in hun proces-verbaal van bevindingen moet worden getwijfeld. In het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 februari 2021 is het volgende opgenomen:
[benadeelde 2] heeft verklaard: ‘Iemand die ik niet ken heeft “ [verdachte] ” geroepen. Ik hoorde pas later dat het om verdachte ging en zelfs toen had ik er nog geen beeld bij.’
[benadeelde 1] heeft verklaard: ‘Ik heb verdachte in eerste instantie niet herkend, omdat hij zijn trui tot over zijn neus had. Pas op het perron hoorde ik zijn naam en toen wist ik dat hij het was. Verdachte was al aangehouden toen ik hoorde om wie het ging.’
[benadeelde 2] heeft niets verklaard over ‘het perron’. De relevante zinsneden in de verklaring van [benadeelde 1] houden in dat hij verdachte eerst niet herkende en dat verdachte al was aangehouden toen hij hoorde om wie het ging. Die beweringen, bepalend voor het moment waarop [benadeelde 1] verdachte herkende, worden door het dossier ondersteund. Dat hij zich mogelijk heeft vergist in de locatie - perron in plaats van gangpad - maakt nog niet dat aan het hele relaas van de verbalisanten moet worden getwijfeld.
Het hof verwerpt de verweren van de raadsman.”

Het eerste middel

7. Het middel bevat de klacht dat het hof “
ten onrechte heeft geoordeeld dat buitengewoon opsporingsambtenaren (…) werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening”en daardoor ten onrechte bewezen heeft verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het misdrijf ‘wederspannigheid’.

De toelichting op het eerste middel

8. De verdachte is door twee buitengewoon opsporingsambtenaren (hierna ook wel: boa’s) in de trein aangesproken wegens het niet dragen van een – op dat moment – wettelijk voorgeschreven mondkapje. De boa’s hebben de verdachte vervolgens staande gehouden en gevraagd naar zijn identiteit. De steller van het middel klaagt dat de verdachte daarbij enkel is gevraagd zijn identiteitsbewijs te tonen, althans zijn zakken leeg te maken
“om te kijken of er iets van een legitimatiebewijs in zat”, terwijl géén van beide boa’s de verdachte heeft gevraagd naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats, geboortedatum, alsmede zijn adres. De boa’s hebben van de bevoegdheid om de verdachte staande te houden dan ook geen gebruik gemaakt, aldus de steller van het middel, en dat heeft volgens hem tot gevolg dat de verdachte – nadat hij langs een van de boa’s was gesprongen, door hem was vastgepakt en met behulp van de andere boa (en omstanders) naar de grond was gebracht – zich aan de onterechte vrijheidsbeneming mocht trachten te onttrekken. De boa’s waren immers niet werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. De verdachte heeft zich, anders dan het hof heeft geoordeeld, niet schuldig gemaakt aan het misdrijf wederspannigheid.
9. Alvorens ik toekom aan de inhoudelijke bespreking van het middel, merk ik het volgende op. In zijn cassatieschriftuur tracht de steller van het middel zijn standpunt te onderbouwen door te wijzen op verschillende bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering, waaronder artikel 52 Sv Pro. Op grond van artikel 52 Sv Pro is iedere opsporingsambtenaar bevoegd de verdachte naar zijn personalia te vragen, op de wijze als bedoeld in artikel 27a lid 1, eerste volzin, Sv en hem daartoe staande te houden. De in artikel 52 Sv Pro omschreven bevoegdheid gaat niet verder dan het
vragennaar zijn personalia en
identiteitsbewijsen de verdachte daartoe gedurende een moment staande te houden. [1]
10. Daarnaast zijn opsporingsambtenaren bevoegd tot het
vorderenvan inzage in een identiteitsbewijs van personen, voor zover dat
“redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de politietaak”(artikel 8 lid 1 van Pro de Politiewet 2012). [2] Deze bepaling geldt tevens voor buitengewoon opsporingsambtenaren (artikel 8 lid 2 van Pro de Politiewet 2012). Op grond van artikel 2 van Pro de Wet op de identificatieplicht is eenieder die ouder is dan veertien jaar
verplichtom op eerste
vorderingeen identiteitsbewijs te tonen aan een ambtenaar in de zin van artikel 8 van Pro de Politiewet 2012. [3] Anders dan bij staandehouding op grond van artikel 52 Sv Pro geldt op grond van artikel 8 van Pro de Politiewet 2012 niet de eis dat er sprake moet zijn van een verdenking van een strafbaar feit. [4] Weigert een persoon aan de vordering een identiteitsbewijs te tonen, te voldoen dan is deze strafbaar op grond van artikel 447e Sr.
11. Uit voorgaande maak ik op dat een verdachte weliswaar niet verplicht is om op de vraag naar zijn personalia te antwoorden, maar dat op hem ingevolge artikel 2 van Pro de Wet op de identificatieplicht wel de verplichting rust zijn identiteitsbewijs aan de opsporingsambtenaar ter inzage aan te bieden, tenzij hij nog geen veertien jaar is.

De bespreking van het eerste middel

12. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte bij een vervoerscontrole in de trein door twee buitengewoon opsporingsambtenaren staande is gehouden
“teneinde zijn identiteit vast te stellen”wegens het niet dragen van een wettelijk voorgeschreven mondkapje. Het dragen van een mondkapje (in het openbaar vervoer) was sinds 1 juni 2020 verplicht gesteld. Het niet voldoen aan deze verplichting leverde een strafbaar feit op. [5] Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de boa die de verdachte staande heeft gehouden daarover heeft verklaard: “
Ik hield de man staande als verdachte voor het niet dragen van een mondkapje. Ik vroeg de verdachte om zijn identiteit (…). Ik hoorde de verdachte zeggen die heb ik niet bij me. Ik vorderde de verdachte zijn identiteitsbewijs.”Deze feitelijke gang van zaken is in cassatie niet betwist.
13. Als ik de steller van het middel goed begrijp, klaagt hij dat de boa’s de verdachte niet op rechtmatige wijze staande hebben gehouden omdat zij hem direct naar zijn identiteitsbewijs hebben gevraagd in plaats van enkel naar de in artikel 27a lid 1, eerste volzin Sv bedoelde gegevens. Gelet op het hiervoor door mij uiteengezette kader, faalt deze klacht evident. De boa was immers bevoegd om de verdachte op de voet van artikel 52 Sv Pro te
vragennaar zijn personalia én identiteitsbewijs en hem daartoe gedurende een moment staande te houden. [6] Daarmee heeft ook de daarop voortbordurende klacht dat, nu de boa’s niet werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, de verdachte zich mocht trachten te onttrekken aan de vrijheidsbeneming, waardoor het misdrijf wederspannigheid niet bewezen kan worden verklaard, geen kans van slagen.
14. Voor zover de steller van het middel (mede) beoogt te klagen dat de verdachte niet
verplichtwas om aan de
vorderingom zijn identiteitsbewijs te tonen, gehoor te geven, geldt dat iedere persoon ouder dan veertien jaar verplicht is om – op grond van artikel 2 van Pro de Wet op de identificatieplicht in verbinding met artikel 8 lid 2 van Pro de Politiewet 2012 – zijn identiteitsbewijs op eerste vordering aan een boa ter inzage aan te bieden voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van zijn politietaak. ’s Hofs kennelijke oordeel dat de vordering van de boa in dit geval redelijkerwijs noodzakelijk was voor de uitvoering van zijn politietaak, acht ik niet onbegrijpelijk. Ook in zoverre faalt het middel.

Het tweede middel en de toelichting daarop

15. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof zijn arrest onbegrijpelijk en onvoldoende met redenen heeft omkleed, in het bijzonder omdat het hof heeft bewezen verklaard dat het door de verdachte gepleegde misdrijf
“enig lichamelijk letsel, te weten een hoofdwond bij die [benadeelde 2] ten gevolge heeft gehad”,terwijl het tegelijkertijd heeft overwogen dat
“niet duidelijk is hoe dat lichamelijk letsel is opgelopen”.Het arrest is daardoor innerlijk tegenstrijdig, aldus de steller van het middel.

Het beoordelingskader inzake wederspannigheid met lichamelijk letsel

16. Indien sprake is van wederspannigheid (artikel 180 Sr Pro) kan, wanneer het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feiten en omstandigheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben, een (hogere) sanctie worden opgelegd (artikel 180 aanhef Pro en onder 1 Sr). Tussen de ambtsdwang en de wederspannigheid en het lichamelijk letsel dient een causaal verband te bestaan. Het strafverzwarende gevolg moet zich openbaren bij de personen tegen wie de daad of het verzet is gericht. [7] Dat gevolg behoeft niet voort te vloeien uit het geweld zelf, maar kan ook voortkomen uit andere omstandigheden die met die wederspannigheid in verband staan. [8]

De bespreking van het tweede middel

17. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat buitengewoon opsporingsambtenaar [benadeelde 1] heeft verklaard dat zijn collega tijdens de aanhouding van de verdachte “
gewond (is) geraakt aan het hoofd”. Daarnaast heeft buitengewoon opsporingsambtenaar [benadeelde 2] verklaard:
“Het klopt dat ik letsel heb opgelopen. Ik heb letsel opgelopen op mijn hoofd (…)”. Uit de als schriftelijk bescheid opgenomen verwijsbrief van de Spoedzorg volgt dat [benadeelde 2] een
“wond op hoofd”heeft opgelopen. Het hof heeft geoordeeld dat het aan de verdachte ten laste gelegde misdrijf wederspannigheid wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat dit misdrijf enig lichamelijk letsel, te weten een hoofdwond bij die [benadeelde 2] ten gevolge heeft gehad.
18. De innerlijke tegenstrijdigheid van het bestreden arrest is volgens de steller van het middel gelegen in het feit dat het hof naast zijn bewezenverklaring ten aanzien van de schadevergoedingsvordering van [benadeelde 2] heeft overwogen dat
“(…) nog daargelaten dat niet duidelijk is hoe [benadeelde 2] het letsel heeft opgelopen – het letsel te gering is om tot toekenning van smartengeld te kunnen komen”. Voornoemde overweging moet m.i. echter zo worden begrepen dat het hof daarmee enkel heeft willen aangeven dat niet duidelijk is geworden op welke wijze – dus door welke handeling van de verdachte (bijvoorbeeld slaan, schoppen, trappen) – de buitengewoon opsporingsambtenaar het letsel heeft opgelopen. Dat de buitengewoon opsporingsambtenaar
tijdensde aanhouding letsel heeft opgelopen, en dat er dus een causaal verband bestaat tussen de ambtsdwang en de wederspannigheid en het lichamelijk letsel, blijkt genoegzaam uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Van innerlijke tegenstrijdigheid is dan ook geen sprake.
19. Het middel faalt.

Het derde middel

20. Het derde middel klaagt dat het hof de verdachte heeft veroordeeld tot een taakstraf van dertig uur, terwijl het taakstrafverbod van toepassing is. Daarmee heeft het hof artikel 22b Sr geschonden, aldus de steller van het middel.

Het beoordelingskader inzake het taakstrafverbod

21. Het taakstrafverbod is opgenomen in artikel 22b Sr. Artikel 22b lid 1, onder b, Sr bepaalt dat een taakstraf – voor zover hier relevant – niet kan worden opgelegd in geval van veroordeling voor een van de misdrijven omschreven in artikel 181 Sr Pro. De wetgever is van oordeel dat de ernst van de in deze bepaling omschreven misdrijven en de bescherming die het artikel beoogt te geven aan personen werkzaam in publieke dienst, reden zijn om het opleggen van een kale taakstraf uit te sluiten. [9]

De bespreking van het derde middel

22. Het hof heeft de verdachte veroordeeld wegens wederspannigheid, terwijl het misdrijf enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft (artikel 181, aanhef en onder 1, Sr), en de strafoplegging als volgt gemotiveerd:

“Oplegging van straf en/of maatregel

(…)
Het hof is van oordeel dat oplegging van een taakstraf van 35 uur in beginsel passend en geboden is. Ter compensatie van de tijd die verdachte te lang is opgehouden – verdachte is voor een niet-voorlopige hechtenisfeit 03.42 uur te lang opgehouden voor onderzoek – zal het hof vijf uur in aftrek brengen, zodat een taakstraf voor de duur van 30 uur zal worden opgelegd.”
23. Door aan de verdachte een taakstraf op te leggen, na te hebben geoordeeld dat de verdachte artikel 181, aanhef onder 1, Sr heeft overtreden, heeft het hof artikel 22b lid 1, onder b, Sr geschonden en daarmee het taakstrafverbod miskend. Het middel is terecht voorgesteld.

Slotsom

24. Het eerste en het tweede middel falen. Het derde middel slaagt.
25. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
26. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.J. Boksem in: C.P.M. Cleiren, J.H. Crijns, M.J. Dubelaar & M.J.M. Verpalen (red.),
2.Vgl. HR 31 mei 2011,
3.J. Boksem in: C.P.M. Cleiren, J.H. Crijns, M.J. Dubelaar & M.J.M. Verpalen (red.),
4.W.J. Mora in: C.P.M. Cleiren, J.H. Crijns, M.J. Dubelaar & M.J.M. Verpalen (red.),
5.Zie Handreiking handhaving Boa’s domein IV Covid-19 en de Wet publieke gezondheid.
6.J. Boksem in: C.P.M. Cleiren, J.H. Crijns, M.J. Dubelaar & M.J.M. Verpalen (red.),
7.K.K. Lindenberg in: C.P.M. Cleiren, J.H. Crijns, M.J. Dubelaar & M.J.M. Verpalen (red.),
8.K.K. Lindenberg in: C.P.M. Cleiren, J.H. Crijns, M.J. Dubelaar & M.J.M. Verpalen (red.),
9.S. Meijer in: C.P.M. Cleiren, J.H. Crijns, M.J. Dubelaar & M.J.M. Verpalen (red.),