Conclusie
Nummer21/04316
Inleiding
Het eerste middel
Geen sprake van vernieling, onbruikbaar maken en/of wegmaken
de gebruikswaardevan zaken die aan anderen toebehoren of die ten algemene nutte worden gebruikt
te verminderen.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor het opzettelijk en wederrechtelijk vernielen of beschadigen van een ruit die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde. De ruit was ten tijde van het incident al zwaar beschadigd en met tape en een plaat afgeplakt. De verdachte had met zijn hand op de hoek van het raam geklopt, waardoor het glas verder brak en naar binnen viel, wat het hof als vernieling en/of beschadiging kwalificeerde.
De verdediging voerde aan dat de ruit al kapot was en geen gebruikswaarde meer had, zodat geen sprake kon zijn van vernieling of beschadiging in de zin van art. 350 Sr Pro. Ook werd betoogd dat de verdachte geen opzet had op vernieling, omdat hij slechts met zijn hand had geklopt en niet met een hamer. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat de ruit ondanks de eerdere beschadigingen nog enige gebruikswaarde had en dat het verdere beschadigen daarvan strafbaar was.
Verder concludeerde de Hoge Raad dat het hof voldoende gemotiveerd had waarom het opzet van de verdachte op vernieling bewezen kon worden, mede gelet op de verklaring van de verdachte zelf en de verklaring van de aangeefster. De middelen van cassatie faalden en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling voor vernieling en/of beschadiging met opzet.