ECLI:NL:PHR:2023:915

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 oktober 2023
Publicatiedatum
13 oktober 2023
Zaaknummer
22/00793
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 SrArt. 235 SrArt. 325 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke vernietiging beroepsontzetting wegens te ruime formulering

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot 13 maanden gevangenisstraf en een bijkomende straf van ontzetting uit het recht tot uitoefening van diverse functies binnen het notariaat voor vijf jaar, vanwege medeplegen van opzettelijk gebruik van vervalst geschrift en valsheid in geschrift.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad heeft in zijn conclusie van 31 oktober 2023 het cassatieberoep van de verdachte beoordeeld. Het middel richt zich op de omvang van de opgelegde beroepsontzetting, die volgens de conclusie te ruim is geformuleerd omdat deze alle werkzaamheden op een notariskantoor omvat, ook functies zonder verband met het strafbare feit.

De conclusie stelt dat de ontzetting moet worden beperkt tot het recht tot uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker of daarmee vergelijkbare werkzaamheden in de notariële adviespraktijk. Dit volgt uit de wettelijke vereiste dat het ontzettingsbesluit moet aansluiten bij het beroep waarin het strafbare feit is gepleegd.

De conclusie adviseert de Hoge Raad de uitspraak van het hof te vernietigen voor zover het beroepsverbod verder strekt dan deze functies en het verbod dienovereenkomstig te herstellen. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen. Tevens wordt opgemerkt dat de vermelding van art. 325 Sr Pro door de rechtbank een kennelijke fout is, die door het hof is gecorrigeerd naar art. 235 Sr Pro.

Uitkomst: De Hoge Raad wordt geadviseerd het beroepsontzettingsbesluit te vernietigen voor zover het te ruim is geformuleerd en te herstellen tot ontzetting beperkt tot notariële functies gerelateerd aan het strafbare feit.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/00793
Zitting31 oktober 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 23 februari 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens “Medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd en valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 maanden. [1] De verdachte is daarbij de bijkomende straf van ontzetting uit een beroep zoals in het arrest bepaald opgelegd voor de duur van vijf jaren.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel klaagt over de opgelegde ontzetting van het recht een beroep uit te oefenen
2.2
De door de rechtbank opgelegde ontzetting uit een beroep, die door het hof is bevestigd, is als volgt geformuleerd:
“Ontzet verdachte uit het recht tot de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker en het anderszins verrichten van werkzaamheden op een notariskantoor of in de notariële (advies)praktijk, voor 5 (vijf) jaar.”
2.3
De motivering van de rechtbank daarvan, die door het hof is bevestigd, luidt als volgt:
“Verdachte is in 2013 door de Kamer voor het Notariaat ontzet uit het ambt van notaris. Desondanks is verdachte opnieuw en tegen de beroepsregels in tóch bij een notariskantoor gaan werken. Er zijn bovendien aanwijzingen dat verdachte ook na het aan het licht komen van deze zaak nog notariële werkzaamheden heeft verricht. De rechtbank vindt het daarom van belang dat aan verdachte het door de officier van justitie gevraagde beroepsverbod wordt opgelegd, zodat hij op geen enkele manier nog in het notariaat werkzaam zal kunnen zijn. De rechtbank zal verdachte dan ook voor 5 jaar ontzetten uit het recht tot de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker en het anderszins verrichten van werkzaamheden op een notariskantoor of in de notariële (advies)praktijk. De wettelijke grondslag voor dit verbod is te vinden in de artikelen artikel 28, eerste lid, onder 5°, 235 en 325 [2] van het Wetboek van Strafrecht.”
2.4
Het hof heeft in zijn arrest deze motivering als volgt aangevuld:
“De rechtbank heeft de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde voor een periode van vijf jaar ontzet uit het recht in enige hoedanigheid werkzaam te zijn in het notariaat. Het hof verenigt zich met die beslissing, sluit zich aan bij de motivering daarvan op pagina 6 van het vonnis en voegt daar het volgende aan toe. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep de wens uitgesproken om op enig moment weer aan het werk te kunnen in het notariaat. Nu de verdachte tot twee maal toe betrokken is geweest bij gesjoemel met derdengelden op een notariskantoor, is de oplegging van een beroepsverbod – dat alle functies binnen een notariskantoor omvat – geboden. Op die manier wordt de verdachte, in elk geval in de eerste precaire periode, niet blootgesteld aan de verleiding opnieuw dergelijke strafbare feiten te plegen. Daarbij gaat het hof ervan uit dat het beroepsverbod de huidige werkzaamheden van de verdachte binnen zijn juridische advieskantoor niet raakt. Het is niet de bedoeling met het beroepsverbod de huidige werkzaamheden van de verdachte te doorkruisen, omdat die werkzaamheden uitsluitend het bieden van advies en geen notariële activiteiten behelzen.”
2.5
In de schriftuur wordt allereerst geklaagd dat het hof in het midden heeft gelaten in de uitoefening van welk beroep de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft begaan. Deze klacht lijkt mij ongegrond, nu het hof heeft vastgesteld dat “de verdachte tot twee maal toe betrokken is geweest bij gesjoemel met derdengelden op een notariskantoor”.
2.6
In de schriftuur wordt verder geklaagd dat de opgelegde beroepsontzetting zo ruim is geformuleerd dat daaronder alle werkzaamheden op een notariskantoor vallen, ook werkzaamheden die op geen enkele manier verband houden met het strafbare feit. In dat kader wordt in de schriftuur gewezen op “de functie van telefonist, receptionist, IT-specialist en schoonmaker op een notariskantoor of in de notariële adviespraktijk”.
2.7
Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:
- Art. 28 lid 1 Sr Pro:
“De rechten waarvan de schuldige, in de bij de wet bepaalde gevallen, bij rechterlijke uitspraak kan worden ontzet, zijn:
(…)
5°. de uitoefening van bepaalde beroepen.”
- Art. 235 lid 1 Sr Pro:
“Bij veroordeling wegens een der in deze titel omschreven misdrijven, kan de schuldige worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft.”
2.8
Een verdachte kan op grond van art. 28 lid 1 Sr Pro worden ontzet uit het recht bepaalde beroepen uit te oefenen. Daarvoor moet het strafbare feit zijn begaan in de uitoefening van dat beroep. [3] De ontzetting moet betrekking hebben op het recht op uitoefening van een beroep dat in voldoende verband staat met het beroep waarin het strafbare feit is begaan. [4]
2.9
Uit de door het hof bevestigde motivering van de rechtbank blijkt dat het doel van het beroepsverbod is dat de verdachte “op geen enkele manier nog in het notariaat werkzaam zal kunnen zijn”. Het hof heeft daaraan in zijn arrest toegevoegd dat “een beroepsverbod – dat alle functies binnen een notariskantoor omvat – geboden” is, zodat de verdachte “in elk geval in de eerste precaire periode, niet [wordt] blootgesteld aan de verleiding opnieuw dergelijke strafbare feiten te plegen”. Ik meen dat uit die motivering kan worden afgeleid dat het hof heeft beoogd een beroepsverbod op te leggen voor alle notariële activiteiten.
2.1
Het beroepsverbod is dan inderdaad te ruim geformuleerd voor zover daarmee “het anderszins verrichten van werkzaamheden op een notariskantoor of in de notariële (advies)praktijk” wordt verboden. Dat omvat immers ook werkzaamheden die geen verband houden met de gedragingen die de verdachte worden verweten. De Hoge Raad heeft een eerdere zaak over zo’n te ruim geformuleerd beroepsverbod zelf afgedaan door het verbod anders te verstaan. [5] Ik zal daarom overeenkomstig concluderen, te weten dat het verbod zo worde verstaan dat daaronder valt de ontzetting van het recht tot de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker “of daarmee vergelijkbare werkzaamheden in de notariële (advies)praktijk”.

3.Slotsom

3.1
Het middel slaagt. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot:
- vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover de bijkomende straf verder strekt dan de ontzetting van het recht tot de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker of daarmee vergelijkbare werkzaamheden in de notariële (advies)praktijk;
- verstaan dat de bijkomende straf de ontzetting van het recht tot de uitoefening van het beroep van kandidaat-notaris, notarisklerk, notarieel medewerker of daarmee vergelijkbare werkzaamheden in de notariële (advies)praktijk betreft;
- verwerping het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Kennelijk wordt met “eerste lid” bedoeld: tweede lid. Die fout in het door het hof gedeeltelijk overgenomen vonnis van de rechtbank is door het hof niet hersteld.
2.In de schriftuur wordt terecht opgemerkt dat de vermelding van art. 325 Sr Pro door de rechtbank een kennelijke misslag is, omdat dat artikel in deze zaak niet van toepassing is. Het hof heeft in zijn arrest eveneens terecht in plaats daarvan art. 235 Sr Pro vermeld.
3.HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1378, r.o. 2.4.
4.HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1378, r.o. 2.4.
5.Vgl. HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1378, r.o. 2.5.3.