Conclusie
Nummer22/00248
Inleiding
De zaak in het kort
Het eerste middel
Ten aanzien van feit 1
3.4.1 Valsheid in geschrift
Het tweede middel
Ten aanzien van feit 2
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het hof Amsterdam van 13 januari 2022, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift en gewoontewitwassen. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2019 en legde een geheel voorwaardelijke geldboete van € 25.000 op.
De valsheid in geschrift betrof het vervalsen van rekening-courantovereenkomsten en addenda, waarbij documenten valselijk werden gedateerd en ondertekend om een bestaande rekening-courantverhouding aan te tonen aan Knab bank/Aegon. Dit gebeurde in nauwe samenwerking tussen verdachte, medeverdachte 1 en medeverdachte 2, die via een complex financieel construct geld wegsluisten en witwasten.
Het cassatieberoep richtte zich op het oordeel van het hof dat het oogmerk bestond om de geschriften als echt en onvervalst te gebruiken. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende gemotiveerd heeft waarom het de bewijsmiddelen zwaarder heeft gewogen dan de aangevoerde contra-indicaties en dat het hof niet gehouden was tot nadere motivering.
Ook het middel tegen de bewezenverklaring van gewoontewitwassen faalde omdat het hof niet heeft bewezen dat verdachte het voorhanden hebben en het verhullen van de rechthebbende van de geldbedragen pleegde. De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt geheel voorwaardelijke geldboete van € 25.000 wegens medeplegen valsheid in geschrift en gewoontewitwassen.