Conclusie
Nummer22/00249
Inleiding
De zaak in het kort
Het eerste middel
Ten aanzien van feit 1
3.4.1 Valsheid in geschrift
Het tweede middel
Ten aanzien van feit 2
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift en gewoontewitwassen door een rechtspersoon. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank Amsterdam uit 2019 en stelde vast dat verdachte en medeverdachten rekening-courantovereenkomsten en addenda valselijk hadden opgemaakt met het oogmerk deze als echt te gebruiken.
De valsheid betrof het vervalsen van datum en ondertekening van documenten die als bewijs moesten dienen voor geldtransacties tussen vennootschappen en investeerders. Het hof baseerde zich op e-mailcorrespondentie, digitale wijzigingsdata van documenten en financieel onderzoek. Daarnaast werd bewezen verklaard dat verdachte gewoontewitwassen pleegde door het omzetten en overdragen van geldbedragen afkomstig uit misdrijven.
Het cassatiemiddel dat het oogmerk van het gebruik van de geschriften als echt betwistte, werd verworpen omdat het hof voldoende motivering gaf en de bewijsmiddelen zwaarder wogen dan de aangevoerde contra-indicaties. Het middel tegen de bewezenverklaring van het witwassen faalde wegens gebrek aan feitelijke grondslag. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen valsheid in geschrift en gewoontewitwassen wordt bevestigd.