ECLI:NL:PHR:2023:920

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 oktober 2023
Publicatiedatum
16 oktober 2023
Zaaknummer
22/00249
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 lid 2 SvArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor medeplegen valsheid in geschrift en gewoontewitwassen

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift en gewoontewitwassen door een rechtspersoon. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank Amsterdam uit 2019 en stelde vast dat verdachte en medeverdachten rekening-courantovereenkomsten en addenda valselijk hadden opgemaakt met het oogmerk deze als echt te gebruiken.

De valsheid betrof het vervalsen van datum en ondertekening van documenten die als bewijs moesten dienen voor geldtransacties tussen vennootschappen en investeerders. Het hof baseerde zich op e-mailcorrespondentie, digitale wijzigingsdata van documenten en financieel onderzoek. Daarnaast werd bewezen verklaard dat verdachte gewoontewitwassen pleegde door het omzetten en overdragen van geldbedragen afkomstig uit misdrijven.

Het cassatiemiddel dat het oogmerk van het gebruik van de geschriften als echt betwistte, werd verworpen omdat het hof voldoende motivering gaf en de bewijsmiddelen zwaarder wogen dan de aangevoerde contra-indicaties. Het middel tegen de bewezenverklaring van het witwassen faalde wegens gebrek aan feitelijke grondslag. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen valsheid in geschrift en gewoontewitwassen wordt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/00249

Zitting17 oktober 2023
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte],
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 13 januari 2022 het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2019 bevestigd. De verdachte is bij voormeld vonnis wegens 1. "medeplegen van valsheid in geschrift door een rechtspersoon, meermalen gepleegd", en, kort gezegd, het voorhanden hebben van deze geschriften, en 2. “medeplegen van gewoontewitwassen, begaan door een rechtspersoon“, veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gelboete van € 25.000,-.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 22/00248 en 22/00250 en 22/00251. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en W. de Vries, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

De zaak in het kort

2. Samengevat gaat het in de vier samenhangende zaken om het volgende. [medeverdachte 1] (zaak 22/00251; hierna: [medeverdachte 1]) is via een holdingmaatschappij bestuurder van [medeverdachte 2] (zaak 00/00248). Op haar beurt is [medeverdachte 2] enig aandeelhouder in de verdachte [verdachte] en in [medeverdachte 3] (zaak 22/00250). Deze laatste twee vennootschappen houden zich bezig met de aankoop van grond voor de bouw van zonneparken in respectievelijk Ansen (gemeente De Wolden) en Willemsoord (gemeente Steenwijkerland). Zij geven hiervoor obligatieleningen uit. Het geld dat met deze lening is opgehaald wordt door de beide vennootschappen doorgesluisd, al dan niet via contante opnames, naar [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Het hof heeft [medeverdachte 1] veroordeeld voor de verduistering van dit geld en de oplichting van een tweetal investeerders. [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [verdachte] zijn daarnaast veroordeeld voor het valselijk opmaken van rekening-courantovereenkomsten die ten grondslag zouden liggen aan de geldtransacties. Alle vier verdachten zijn ten slotte veroordeeld voor het witwassen van de weggesluisde bedragen.

Het eerste middel

3.1
Het middel keert zich tegen de bewezenverklaring van de valsheid in geschrift (en niet tegen het eveneens bewezen verklaarde voorhanden hebben van de valselijk opgemaakte geschriften). Het middel houdt in dat het hof heeft verzuimd te reageren op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over het ontbreken van het oogmerk de geschriften als echt en onvervalst te (doen) gebruiken.
3.2
Ik zal eerst de bewezenverklaring en de bewijsconstructie van het hof weergeven. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd, met dien verstande dat het een aantal passages uit het vonnis heeft vervangen door een eigen overweging.
3.3
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij:

Ten aanzien van feit 1
in de periode van 17 augustus 2017 tot en met 23 augustus 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, één rekening-courantovereenkomst (DOC-092) en één addendum (DOC091), geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft doen opmaken, immers hebben zij, verdachte en haar mededaders valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- die rekening-courantovereenkomst en dat addendum doen dateren en ondertekend op een andere datum dan waarop die rekening-courantovereenkomst en dat addendum in werkelijkheid zijn opgemaakt en ondertekend, zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken
en
in de periode van 17 augustus 2017 tot en met 7 september 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk voorhanden heeft gehad één rekening-courantovereenkomst (DOC-092) en één addendum (DOC-091), geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, terwijl zij, verdachte en haar mededaders wisten dat die geschriften bestemd waren tot gebruik als ware die geschriften echt en onvervalst, en bestaande die valsheid hierin dat die rekening-courantovereenkomst en dat addendum gedateerd en ondertekend zijn op een andere datum dan waarop die rekening-overeenkomst en dat addendum in werkelijkheid zijn opgemaakt en ondertekend.”
3.4
Deze bewezenverklaring steunt op de PROMIS-overwegingen van de rechtbank, zoals gewijzigd door het hof. De rechtbank overwoog (met weglating van de voetnoten):

3.4.1 Valsheid in geschrift
Uit financieel onderzoek is gebleken dat door de investeerders van [verdachte] in totaal € 632.500,- is ingelegd. Voorts is gebleken dat een groot deel van de geïnvesteerde gelden van de rekening van [verdachte] via [medeverdachte 2] is overgeboekt naar de rekeningen van [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] heeft aangegeven dat aan de overboekingen van [verdachte] naar [medeverdachte 2] en van [medeverdachte 2] naar zijn privérekening, rekening-courantovereenkomsten ten grondslag liggen.
Bij de doorzoeking van het kantoor van [verdachte] en [medeverdachte 2] op 7 september 2017 is een groot aantal documenten in beslag genomen, waaronder:
Een rekening-courantovereenkomst tussen verdachte en [medeverdachte 2]. Dit document is gedateerd op 1 januari 2017 en ondertekend door [medeverdachte 1], zowel namens [verdachte], als namens [medeverdachte 2].
Een addendum op een rekening-courantovereenkomst tussen [verdachte] en [medeverdachte 2], waarbij het rekening-courantbedrag wordt opgehoogd naar € 200.000,-. Dit document is gedateerd op 1 november 2016 en op dezelfde wijze ondertekend.
Op 7 september 2017 zijn bij het administratiekantoor [A] de dossiers van [verdachte] en [medeverdachte 2] inbeslaggenomen, evenals digitale gegevens met betrekking tot [medeverdachte 1] en zijn ondernemingen. In de digitale gegevensbestanden van administratiekantoor [A] zijn dezelfde documenten aangetroffen:
In de gegevensbestanden van [A] is te zien dat het bestand van het addendum van 1 november 2016 is gewijzigd op 21 augustus 2017 om 13.31 uur. Het bestand van de rekening-courantovereenkomst die ondertekend is op 1 januari 2017 is gewijzigd op 18 augustus 2017 om 15.10 uur.
De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte 1] deze documenten heeft laten vervalsen en dat hij dit deed mede als bestuurder van [verdachte] en [medeverdachte 2].
De rechtbank baseert dit op het volgende.
Rekening-courantovereenkomst
Op 17 augustus 2017 om 11.24 uur stuurt [medeverdachte 1] een e-mail van Knab bank door aan de FIOD betreffende het beslag op zijn zakelijke rekeningen.
Hierna volgen e-mails tussen [medeverdachte 1] en medewerkers van [A]. De e-mails zijn bijna allemaal verzonden vanaf en naar het e-mailadres van [medeverdachte 2].
17 augustus 2017 om 14.56 uur stuurt [medeverdachte 1] een mail door aan [betrokkene 1]. Dit betreft een mail van 19 dec 2014, met als bijlage een getekende rekening-courantovereenkomst tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] d.d. 18 december 2014. Om 16.22 uur reageert [betrokkene 1] en geeft aan dat er aanpassingen aan de rente zijn gedaan. Als bijlage zendt zij rekening-courantovereenkomsten tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] en tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Beide zijn gedagtekend op 17 augustus 2017. Om 16.51 uur mailt [betrokkene 1] aan [medeverdachte 1] dat de rekening-courantovereenkomsten zijn aangepast. Als bijlage is (onder meer) de rekening-courantovereenkomst tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] opnieuw bijgevoegd, met dien verstande dat de dagtekening daarin is aangepast naar 1 januari 2017.
Op 18 augustus 2017 om 14.29 uur mailt [betrokkene 1] aan [medeverdachte 1]. Dit betreft de verbetering van een fout. In eerdere mails (van 9.38 uur en 10.49 uur, die onder de mail van 14.29 uur staan) wordt gevraagd om de verhuisdata die nodig zijn om de juiste adressen in de overeenkomsten te kunnen opnemen.
Op 18 augustus 2017 om 15.07 uur reageert [medeverdachte 1] en stuurt hij [betrokkene 1] de getekende documenten toe. In de bijlage is (onder meer) een getekend exemplaar van de rekening-courantovereenkomst tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] (deze komt overeen met doc-092) opgenomen. De overeenkomst is gedagtekend 1 januari 2017.
De rechtbank concludeert uit bovenstaande e-mailwisselingen in combinatie met de wijzigingsdata van de pdf-bestanden in het digitale archief van [A], dat de rekening-courantovereenkomst in opdracht van [medeverdachte 1], mede namens [verdachte] en [medeverdachte 2], zijn vervalst teneinde aan Knab bank/Aegon aan te tonen dat er sprake is van een bestaande rekening-courantverhouding.
Addendum
Op 20 augustus 2017 om 15.41 uur mailt [medeverdachte 1] aan [betrokkene 2] dat hij wil praten over zijn salaris over boekjaar 2016. Hij vraagt of 21 augustus schikt en of [betrokkene 2] dan de overeenkomsten die nog moeten worden gemaakt in tweevoud wil opstellen, zodat hij die meteen kan ondertekenen.
Op 21 augustus 2017 om 10.38 uur antwoordt [betrokkene 2]. Hij stuurt de aanvullingen op. Als bijlage bij deze mail is onder meer het addendum op de rekening-courantovereenkomst tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] (gedateerd 1 november 2016) opgenomen.
Op 23 augustus 2017 om 12.31 uur stuurt [medeverdachte 1] vanaf het mailadres van [verdachte] een mail aan [betrokkene 2] met de mededeling dat [B] er nog bij moet. Hij vraagt of dat vandaag nog kan, zodat hij straks tot ondertekening kan overgaan.
De rechtbank concludeert uit bovenstaande e-mailwisselingen in combinatie met de wijzigingsdata van de pdf-bestanden in het digitale archief van [A], dat het addendum op de rekening-courantovereenkomst tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] in opdracht van [medeverdachte 1], mede namens [verdachte] en [medeverdachte 2], zijn vervalst teneinde aan Knab bank/Aegon aan te tonen dat er sprake was van een al langer bestaande rekening-courantverhouding.”
Het hof heeft daaraan toegevoegd:
“[medeverdachte 1] is bestuurder en enig aandeelhouder van [medeverdachte 2] en [verdachte]. De genoemde overeenkomsten zijn afgesloten tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en tussen [verdachte] en [medeverdachte 2]. [medeverdachte 1] is de overeenkomsten steeds aangegaan mede namens de beide BV ‘s en heeft de stukken steeds (ook) uit naam van de vennootschappen ondertekend.
Op 7 september 2017 zijn de ondertekende rekening-courantovereenkomsten en addenda bij [medeverdachte 1], in het kantoor van [verdachte] en [medeverdachte 2], aangetroffen. De documenten zijn in de periode van 17 augustus 2017 tot en met 23 augustus 2017 aangemaakt, zoals hierboven is beschreven. Het hof is van oordeel dat hiermee is komen vast te staan dat [medeverdachte 1] in nauwe en bewuste samenwerking met de aan hem gelieerde vennootschappen, de documenten in de periode van 17 augustus 2017 tot en met 1 september 2017 heeft vervalst/doen vervalsen en in de periode van 17 augustus 2017 tot en met 7 september 2017 voorhanden heeft gehad. Deze geschriften waren bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen en te worden gebruikt als waren zij echt en onvervalst en [medeverdachte 1] wist dat.
Het oogmerk van [medeverdachte 1] als bestuurder en enig aandeelhouder van [medeverdachte 2] en [verdachte] kan redelijkerwijs worden toegerekend aan deze vennootschappen, nu zijn gedraging past in de bedrijfsvoering van deze rechtspersonen, de gedraging de rechtspersonen dienstig is geweest en vergelijkbaar gedrag, blijkens de feitelijke gang van zaken, steeds door de rechtspersonen is aanvaard.”
3.5
Het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt waarop het hof niet zou hebben gereageerd houdt kort gezegd in dat er contra-indicaties zijn om bewezen te achten dat de verdachte het oogmerk had de geschriften als echt en onvervalst te (doen) gebruiken. Deze contra-indicties zouden zijn dat de rekening-courantovereenkomsten en addenda alleen afspraken wilden vastleggen die al bestonden en dat de rekening-courantschulden al snel zijn ingelost. Van kwade intenties en een motief tot antedateren van de overeenkomst was daarom volgens de steller van het middel geen sprake.
3.6
Het juridisch kader dat bij de vraag of aan het voorschrift van art. 359 lid 2 Sv Pro, tweede volzin is voldaan in acht moet worden genomen, zal bekend zijn. Zeer in het kort en voor zover hier relevant komt dit kader er op neer dat een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt een duidelijk standpunt is, dat door argumenten is geschraagd en dat tevens is voorzien van een ondubbelzinnige conclusie. [1] De motiveringsplicht die eerst bij afwijking van zo’n standpunt geldt, brengt geen wijziging aan in de vrijheid van de rechter ten aanzien van de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal, terwijl de motiveringsplicht niet zo ver gaat dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. Ten slotte is van belang dat zich het geval kan voordoen dat de uitspraak voldoende gegevens bevat, bijvoorbeeld in de gebezigde, voor de verwerping van het standpunt relevante bewijsmiddelen en/of in een aanvullende bewijsmotivering, waarin die nadere motivering besloten ligt waardoor de rechter niet tot een verdere weerlegging van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt gehouden is. [2]
3.7
Ik stel voorop dat het hof slechts bewezen heeft geacht dat de genoemde geschriften zijn gedateerd op een andere datum dan zij in werkelijkheid zijn opgemaakt en ondertekend. Daarbij neem ik in aanmerking dat niet naar voren is gekomen dat de ‘dagtekening’ in de geschriften een andere betekenis zou hebben dan de dag waarop de overeenkomst is vastgesteld en ondertekend. [3] Over de resterende inhoud van de geschriften laat de bewezenverklaring zich niet uit.
3.8
Zoals hiervoor weergegeven onder 3.4 heeft het hof uit de bewijsmiddelen afgeleid dat de verdachte de geschriften opzettelijk heeft vervalst, dat deze geschriften zijn opgenomen in de bedrijfsadministratie en dat het vervalsen tot doel had aan Knab bank/Aegon aan te tonen dat er sprake was van een al langer bestaande rekening-courantverhouding. Het hof heeft deze bewijsmiddelen zwaarder laten wegen dan de gestelde contra-indicaties. Gelet op de genoemde selectie- en waarderingsvrijheid is dit oordeel niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden. Daarbij neem ik in aanmerking dat de genoemde indicaties ook niet zonder meer in strijd hoeven te zijn met de bewezenverklaring. Ook als zij juist zouden zijn, kan immers nog reden bestaan eerdere betalingen van een valse grondslag te voorzien.
3.9
Het middel faalt.

Het tweede middel

4.1
Het tweede middel richt zich tegen het onder 2 bewezen verklaarde medeplegen van gewoontewitwassen voor zover het gaat om het voorhanden hebben van gelden en het verbergen of verhullen wie de rechthebbenden op de geldbedragen waren.
4.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij:

Ten aanzien van feit 2
in de periode van 1 september 2016 tot en met 17 augustus 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, geldbedragen van in totaal Euro 632.413,88 heeft omgezet en heeft overgedragen en van die geldbedragen gebruik heeft gemaakt en van die geldbedragen de herkomst heeft verhuld terwijl zij, verdachte en haar mededaders, wisten dat die geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl zij, verdachte en haar mededaders daarvan een gewoonte hebben gemaakt.”
4.3
Het hof heeft dus niet ‘voorhanden hebben’ en ook niet ‘verhullen van de rechthebbende’ van de geldbedragen bewezen verklaard. Het middel ontbeert daarom feitelijke grondslag. Het hof heeft weliswaar in zijn overwegingen genoemd dat mogelijk is verhuld wie de rechthebbende op de geldbedragen was, maar de bewezenverklaring van het hof berust niet op deze motivering. Voor zover het middel zich hiertegen richt, heeft de verdachte geen belang bij deze klacht.
4.4
Het middel faalt.

Slotsom

5.1
Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, rov. 3.7.1
2.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, rov. 3.8.1-3.8.4.
3.Zie ook punt 133 van de pleitnota waarin wordt uiteengezet dat de tekst van het geschrift een verduidelijking van dit punt ontbeert.