ECLI:NL:PHR:2023:926

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 oktober 2023
Publicatiedatum
16 oktober 2023
Zaaknummer
22/00309
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 onder B OpiumwetArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplichtigheid en medeplegen opzettelijk telen hennep bevestigd

De verdachte is door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand, met aftrek van voorarrest, wegens medeplichtigheid en medeplegen van het opzettelijk telen van hennep in strijd met artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet.

Tegen dit arrest heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld, waarbij twee middelen werden aangevoerd. Het eerste middel betrof de klacht dat een of meer raadsheren die het arrest hebben gewezen niet op juiste wijze waren beëdigd. Het tweede middel betrof de klacht dat de advocaat-generaal die betrokken was bij de zaak niet op juiste wijze was beëdigd.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad heeft geconcludeerd dat beide middelen niet slagen, verwijzend naar eerdere rechtsoverwegingen in een vergelijkbare zaak (ECLI:NL:HR:2022:1438). Er zijn geen ambtshalve gronden gevonden die tot vernietiging van het arrest leiden. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; veroordeling medeplichtigheid en medeplegen hennepteelt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/00309

Zitting17 oktober 2023
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 17 januari 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. subsidiair "medeplichtigheid tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod" en 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot één maand gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 22/00239 en 22/00284. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J. van Rooijen, advocaat te Tilburg, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Ik bespreek beide middelen gezamenlijk.

De middelen

2.1
Het
eerste middelbevat de klacht dat het hof een ongeldig arrest heeft gewezen, omdat is gebleken dat een of meer raadsheren die de zaak hebben behandeld en die verantwoordelijk zijn voor het arrest, niet (op een juiste wijze) waren beëdigd. Het
tweede middelbevat de klacht dat het hof een ongeldig arrest heeft gewezen, omdat is gebleken dat de advocaatgeneraal die betrokken was bij de onderhavige zaak die heeft geleid tot het arrest van het hof van 17 januari 2022, niet (op een juiste wijze) was beëdigd.
2.2
Beide middelen kunnen niet slagen, gelet op de gronden vermeld in HR 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438, rechtsoverwegingen 5.2.1 tot en met 5.3 en 5.4.2 tot en met 5.7, wat betreft de raadsheren, en 5.10.1 tot en met 5.10.3, wat betreft de advocaat-generaal.

Afronding

3.1
Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met een motivering ontleend aan art. 81 lid 1 RO Pro.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG