Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
Algehele uitsluiting
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelvan het cassatiemiddel heeft het hof een onjuiste uitleg gegeven aan artikel 12 lid 8 van Pro de huwelijkse voorwaarden nu daarin
nietstaat “Er wordt niet verrekend, indien het
te verrekenenvermogen van een van de echtgenoten negatief is”, het beding heeft het uitsluitend over ‘het vermogen’. Het vermogen van de vrouw bestaat uit de waarde van de woning van € 250.000,- minus de hypotheekschuld van € 200.000,- is € 50.000,-. Het is volgens de vrouw onbegrijpelijk dat het hof op dit vermogen van de vrouw het door haar met de uitsluitingsclausule geërfde en in de woning geïnvesteerde bedrag van (in ieder geval) € 126.100,- in mindering brengt en zo tot de conclusie komt dat er sprake is van een negatief eigen vermogen. Het met de uitsluitingsclausule verkregen vermogen valt immers buiten de verrekening en raakt daarmee ook het te verrekenen vermogen van de vrouw niet, aldus het cassatiemiddel.
tweede onderdeelvan het cassatiemiddel betoogt dat de vrouw in sub 11 van de appeldagvaarding nadrukkelijk heeft aangevoerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat ook al zou moeten worden uitgegaan van een negatief vermogen van de vrouw dit er toe zou leiden dat het (aanzienlijke) vermogen van de man niet met de vrouw hoeft te worden verrekend. Deze essentiële stelling heeft het hof ten onrechte buiten beschouwing gelaten.