ECLI:NL:PHR:2023:946

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 oktober 2023
Publicatiedatum
24 oktober 2023
Zaaknummer
21/03928
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Wet wapens en munitieArt. 3 onder B OpiumwetArt. 6 EVRMArt. 359 SvArt. 350 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt gevangenisstraf voor illegaal wapen- en hennepbezit ondanks verzoek tot strafmatiging

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf wegens het bezit van meerdere vuurwapens, waaronder een automatisch wapen, een grote hoeveelheid munitie en het telen van hennepplanten. De verdediging voerde aan dat de straf onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd was, mede vanwege de grote impact op het leven van de verdachte en zijn gezin, en verzocht om een straf die gelijk is aan de duur van het voorarrest met een aanvullende taakstraf.

Het hof motiveerde de strafoplegging uitvoerig, waarbij het de ernst van de feiten, de combinatie van drugshandel en wapenbezit, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in ogenschouw nam. Het hof vond een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur passend en wees het verzoek tot matiging af.

De Hoge Raad bevestigt in dit arrest dat de strafmotivering van het hof toereikend is en dat het hof voldoende rekening heeft gehouden met het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging. Wel constateert de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn, wat leidt tot strafvermindering. Het cassatieberoep wordt afgewezen voor het overige.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de gevangenisstraf van vijftien maanden met strafvermindering wegens termijnoverschrijding en verwerpt het cassatieberoep.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/03928
Zitting31 oktober 2023

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 15 september 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle wegens onder 1 “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II”, en “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, onder 2 “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd” en onder 4 “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden.
Er bestaat samenhang met de zaak 22/01559. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
4.1
Het middel klaagt dat de strafoplegging onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is, althans dat het hof zijn afwijkende beslissing op het namens de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inzake de strafoplegging onvoldoende en niet begrijpelijk heeft gemotiveerd.
4.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1.
hij op 22 september 2019 te Zwolle een vuurwapen in de vorm van een pistool geschikt om automatisch mee te vuren, zijnde een wapen van categorie II onder 2 van de Wet Wapens en Munitie en munitie, bestaande uit een grote hoeveelheid patronen (te weten ongeveer 1511 stuks), zijnde munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie voorhanden heeft gehad;
2.
hij op 22 september 2019 te Zwolle, twee, vuurwapens in de vorm van een pistool en een geweer, zijnde wapens van categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie voorhanden heeft gehad;
4.
hij op 22 september 2019 te Zwolle, heeft geteeld (in een pand aan de [a-straat 1] )
een hoeveelheid van ongeveer 35 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.”
4.3
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 september 2021 heeft de verdediging ten aanzien van de strafoplegging onder meer het volgende aangevoerd:
“Hij is doordrongen van de ernst van de feiten. Hij weet dondersgoed dat op de bewezen verklaarde feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf staat. Volgens de richtlijnen van het openbaar ministerie uit 2019 stond voor het voorhanden hebben van een UZI destijds negen maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Cliënt wist dat dit hem te wachten stond. Maar, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft enorme, gigantische consequenties voor cliënt. Wij hebben een reclasseringsrapport ontvangen en gelezen. In de setting van vandaag slaat cliënt dicht. Het is de vraag of u dan een goed beeld krijgt van cliënt. Hij is een harde werker, kostwinner en heeft de zorg voor twee kinderen en zijn vrouw. Hij heeft een eigen bedrijf, een koopwoning en werkt één dag per week. De consequenties van het voorarrest van 48 dagen en de straf die is opgelegd zijn gigantisch voor het bedrijf van cliënt. Het bedrijf zal ter ziele gaan. Cliënt zal alle klanten verliezen en de lopende projecten zal hij niet meer kunnen afmaken. De wereld waarin zijn klanten zich begeven is niet groot en het zal voor hem moeilijk worden om het bedrijf na de detentie weer op te bouwen. Dit bleek al na de periode die cliënt in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf betekent dat cliënt zijn lasten niet meer zal kunnen betalen en op termijn zijn woning zal verliezen. Dan kom ik bij kern van mijn betoog. Ik verzoek u namens cliënt om enorm over u hart te strijken en barmachtigheid [ik (AEH) begrijp: barmhartigheid] te betrachten. Hij heeft 48 dagen in voorlopige hechtenis doorgebracht. Ik heb hem in die periode twee à drie keer bezocht. Cliënt is in die periode meer dan tien kilogram afgevallen. Mentaal was hij een wrak. Hij zat compleet aan de grond. Het is een klein wondertje dat het weer goed gaat met hem. Daar komt bij dat het goed gaat met zijn bedrijf. Ook gaat het goed in de relatie met zijn partner. Aan de andere kant blijkt uit de besprekingen die ik met cliënt heb gevoerd dat hij een zeer grote mentale druk ervaart door de onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden die hem boven zijn hoofd hangt. Dat gegeven drukt zwaar op hem. Hij heeft zijn lesje geleerd. De mentale factoren hangen nu al ruim een jaar boven zijn hoofd. Het is om die reden dat ik heel veel van u vraag. Ik verzoek u om aan cliënt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, die gelijk is aan het voorarrest, met daarnaast een maximale taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. Het daarnaast nog opleggen van een geldboete is prima. U dient een afweging te maken tussen het belang van strafvordering en het belang van cliënt, die alles zal kwijtraken. Ik vraag mij af of de maatschappij daarbij gebaat is. Bovenstaand voorstel in combinatie met een forse voorwaardelijke gevangenisstraf is een ultieme waarschuwing voor cliënt dat het bij de minste misstap einde oefening is.”
4.4
Het hof heeft de opgelegde straf als volgt gemotiveerd:
“De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft meerdere vuurwapens, waaronder een automatisch wapen (een uzi), en een enorm grote hoeveelheid munitie voorhanden gehad in zijn woning. Verdachte heeft daarover ter terechtzitting verklaard dat hij een passie had voor wapens en interesse voor de geschiedenis van de wapens die hij voorhanden heeft gehad. Verdachte heeft bij ook verklaard dat hij hartstikke dom is geweest en niet heeft stilgestaan bij de mogelijke consequenties van zijn handelen.
Het hof kan zich weinig voorstellen bij de fascinatie die verdachte zegt te hebben voor dit soort wapens en is van oordeel dat het ongecontroleerde bezit daarvan niet alleen ernstige gevoelens van onveiligheid teweeg brengt onder de burgers maar dat deze ook een potentieel gevaar voor en een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren.
Het illegaal gebruik van vuurwapens met vaak dodelijke afloop is bijna dagelijks in het nieuws en het bezit ervan zonder vergunning wordt daarom terecht bedreigd met hoge straffen zoals blijkt uit de oriëntatiepunten van de LOVS. Door wapens te kopen zonder vergunning houdt men bovendien de illegale handel in stand.
De verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan een misdrijf ingevolge de Opiumwet door het opzettelijk telen van 35 hennepplanten. Drugs zijn schadelijk voor de volksgezondheid en leiden veelal, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit en verslavingsproblematiek. De combinatie van drugshandel -want het bezit van 35 planten voor eigen gebruik is niet erg geloofwaardig- en het bezit van vuurwapens, waaronder een automatisch vuurwapen als een Uzi-machinegeweer, is naar het oordeel van het hof zeer verontrustend en is in zoverre mede van belang voor de strafwaardigheid en daarmee voor de keuze van de strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.
Het hof heeft bij de strafoplegging tevens gelet op de inhoud van het uittreksel justitiële documentatie van 24 augustus 2021, waaruit onder meer blijkt dat verdachte in het verleden al eens wegens een Opiumdelict is veroordeeld, maar niet in de afgelopen vijf jaren.
Het hof heeft ook acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden waarvoor door en namens verdachte nadrukkelijk aandacht is gevraagd.
Door de raadsman is uiterste clementie bepleit en verzocht om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gelijk aan de duur van het voorarrest een en ander in combinatie met een forse voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van de maximale duur. Het hof is zich er terdege van bewust dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan het voorarrest gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte veel impact zal hebben op het leven van verdachte en zijn jonge gezin. Verdachte is daar echter zelf verantwoordelijk voor.
Het hof neemt als uitgangspunt voor de keuze voor de strafmodaliteit en de duur van de op te leggen straf de oriëntatiepunten van de LOVS zoals deze golden ten tijde van het bewezenverklaarde bezit van de vuurwapens en de hennep. Van belang daarbij is dat voor het bezit van een automatisch vuurwapen alleen al ten tijde van het bewezenverklaarde feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden als oriëntatiepunt had te gelden en dat dit oriëntatiepunt onlangs is verhoogd naar 12 maanden. In deze zaak is ook het bezit van nog eens 2 vuurwapens, een enorm groot aantal stuks munitie en het bezit van 35 hennepplanten bewezenverklaard. De bijzondere ernst van de bewezenverklaarde feiten laat naar het oordeel van het hof geen ruimte voor een andere straf(modaliteit) dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur.
Alles afwegende komt het hof tot het oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest passend en geboden is.”
4.5
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld wat de Hoge Raad in zijn arrest van 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, heeft overwogen over de motivering van de strafoplegging bij een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de op te leggen straf:
“3.4
In het Nederlandse strafrecht geldt dat de rechter die de zaak behandelt en op basis daarvan over de feiten oordeelt (hierna: de feitenrechter), beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Dat wil zeggen dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing.
3.5.1
In artikel 359 leden Pro 5 en 6 Sv zijn enkele motiveringsvoorschriften neergelegd die de rechter ambtshalve bij de oplegging van een straf in acht moet nemen. Het in artikel 359 lid 2 Sv Pro neergelegde motiveringsvoorschrift heeft daarnaast zelfstandige betekenis. Dit voorschrift brengt met zich dat de rechter zijn beslissing over de strafoplegging nader moet motiveren als die beslissing afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging of het openbaar ministerie.
3.5.2
De onder 3.4 genoemde straftoemetingsvrijheid stelt de feitenrechter in staat om bij de beslissing over de oplegging van straf zoals bedoeld in artikel 350 Sv Pro, te komen tot een strafoplegging die is afgestemd op de ernst van het bewezenverklaarde feit, de persoon van de verdachte en alle overige betrokken belangen. De grote vrijheid die de feitenrechter bij deze beslissing heeft, brengt ook de verantwoordelijkheid van de feitenrechter mee om – met het oog op de begrijpelijkheid en de aanvaardbaarheid van de strafoplegging en mede in reactie op wat ter terechtzitting naar voren is gebracht over de strafoplegging – inzicht te bieden in de beweegredenen die in het concrete geval hebben geleid tot de opgelegde straf. In de feitenrechtspraak bestaat – gelet op diverse initiatieven die daartoe zijn ondernomen – in algemene zin ook ruim aandacht voor het belang van een behoorlijke strafmotivering.
3.5.3
Aan de rechtspraak van de Hoge Raad ligt ten grondslag dat de verantwoordelijkheid voor de inhoud en de motivering van de straftoemeting in het concrete geval in belangrijke mate bij de feitenrechter ligt. De Hoge Raad stelt zich daarom als cassatierechter terughoudend op bij de beantwoording van de vraag of de motivering van de beslissing over de straftoemeting toereikend is.
3.5.4
Waar het gaat om de motiveringsverplichting van de tweede volzin van artikel 359 lid 2 Sv Pro past de hiervoor genoemde terughoudendheid van de Hoge Raad als cassatierechter bij de eisen die in de rechtspraak van de Hoge Raad in het algemeen worden gesteld aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en de invulling van de responsieplicht van de rechter als hij afwijkt van zo’n standpunt. Van belang hierbij is in het bijzonder het arrest van 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130. Zo levert een algemeen verzoek tot het matigen van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden van de verdachte niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op. Dat geldt ook voor de enkele opsomming van factoren die bij de strafoplegging in de zaak van de verdachte een rol zouden moeten spelen en die zouden moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf.
Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan wel sprake zijn als het gaat om een betoog waarin beargumenteerd wordt aangevoerd waarom – gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan – een bepaalde specifieke omstandigheid of een samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, of waarom de rechter daarvan juist zou moeten afzien. De rechter moet dan op grond van artikel 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv nader motiveren waarom hij tot een van dat standpunt afwijkende beslissing komt. In zo’n geval gaat het bij de controle in cassatie in de kern om niet meer dan de vraag of de feitenrechter ervan blijk heeft gegeven dat acht is geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en of de feitenrechter, gelet op de strafmotivering als geheel, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de door de verdediging voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwogen tegen de door het hof genoemde gronden voor de opgelegde straf.” [1]
4.6
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof ten onrechte heeft nagelaten de redenen aan te geven op grond waarvan het is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, inhoudend dat zou moeten worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de reeds ondergane voorlopige hechtenis in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. De steller van het middel heeft gewezen op de belangen die voor de verdachte op het spel staan, welke belangen een andere straf rechtvaardigen dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer de ondergane voorlopige hechtenis. In het bijzonder is gewezen op de consequenties die een langdurige gevangenisstraf heeft voor de verdachte en zijn gezin, zoals onder meer dat de verdachte als enige kostwinner de bedrijfsvoering van zijn dakdekkersbedrijf niet kan voortzetten, ten gevolge waarvan het gezin de maandelijkse aflossing van de hypotheek niet kan voldoen waardoor het gezin noodgedwongen de woning dient te verkopen.
4.7
Uit de strafmotivering blijkt dat het hof de op te leggen straf heeft bepaald op grond van de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Hierbij heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen de combinatie van drugshandel en het bezit van vuurwapens, waaronder een automatisch vuurwapen als een Uzi-machinegeweer, hetgeen het hof zeer verontrustend acht en van belang heeft geacht voor de strafwaardigheid en daarmee voor de keuze van de strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf. Het hof heeft overwogen dat het hof zich er terdege van bewust is dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan het voorarrest gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte veel impact zal hebben op het leven van de verdachte en zijn jonge gezin, maar dat de verdachte daar zelf verantwoordelijk voor is. Ten slotte heeft het hof overwogen dat de bijzondere ernst van de bewezenverklaarde feiten naar het oordeel van het hof geen ruimte laat voor een andere straf(modaliteit) dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur. Anders dan de steller van het middel meent, wijst de strafmotivering uit dat het hof bij het bepalen van de straf acht heeft geslagen op het standpunt van de verdediging en op de persoon van de verdachte. In de overwegingen van het hof liggen de redenen besloten waarom niet kan worden volstaan met oplegging van een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het voorarrest. Het hof hiermee toereikend tot uitdrukking gebracht waarom de door de verdediging opgeworpen punten niet opwegen tegen de door het hof genoemde gronden voor de hoogte van de opgelegde (gevangenis)straf. Het oordeel van het hof acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
5. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.
6. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. Namens verdachte is op 17 september 2021 beroep in cassatie ingesteld. Vaststaat thans dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden, wat moet leiden tot strafvermindering.
7. Ambtshalve heb ik voor het overige geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf wegens de geconstateerde inbreuk op het in artikel 6 EVRM Pro gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975,