Conclusie
offlinekan afspelen De Haagse rechtbank oordeelde dat offline streaming copies niet als thuiskopie kwalificeren volgens art. 16c lid1 Aw. Het Haagse Hof heeft daarentegen geoordeeld dat kopieën die een professionele/commerciële opdrachtnemer voor een natuurlijk persoon maakt niet onder de thuiskopieregeling van art. 16c Aw vallen en dat offline streaming copies dergelijke opdrachtkopieën zijn, zodat zij niet kunnen worden verdisconteerd in de thuiskopieheffing. SONT klaagt in cassatie dat het hof met zijn uitleg van art. 16c Aw buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Die klachten kunnen wat mij betreft niet slagen, zodat wordt toegekomen aan de materiële klachten over het oordeel dat offline streaming copies niet kwalificeren als thuiskopieën volgens art. 16c Aw [1] en het oordeel dat offline streaming copies afwijken van thuiskopieën omdat de rechthebbende de controle daarover behoudt
.De positie van SONT is heel kort gezegd dat het offline streaming proces geen commerciële opdrachtkopie is, maar het door de gebruiker van die dienst benutten van een faciliteit die de commerciële dienstverlener verschaft aan de gebruiker om zelf die offline kopie te maken. De vraag of de hofuitleg van art. 16c Aw en het oordeel dat offline streaming copies geen thuiskopieën zijn verenigbaar zijn met art. 5 lid 2 sub b Auteursrechtrichtlijn Pro (Arl), waarvan art. 16c Aw de implementatie vormt, lijkt mij, ondanks tamelijk overvloedige jurisprudentie van het Hof van Justitie (HvJEU) over deze richtlijnbepaling, geen
acte éclairé, maar mogelijk wel een
acte clair. Omdat hierover gerede twijfel mogelijk is, concludeer ik zekerheidshalve tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU.
Deze zaak hangt samen met zaak 22/02270, waarin Stg. De Thuiskopie (Thuiskopie) in cassatie komt tegen hetzelfde hofarrest als in de onderhavige zaak en waarin ik vandaag overeenkomstig concludeer. Onderdeel 1 uit het SONT-beroep over de grenzen van de rechtsstrijd ontbreekt in het cassatiemiddel van Thuiskopie, zoals onderdeel 5 van Thuiskopie over rov. 4.1 ontbreek in het middel van SONT. Onderdeel 2 van het middel van SONT (offline streaming copies zijn wel thuiskopieën in de zin van art. 16c Aw) is vergelijkbaar met de onderdelen 1-3 van Thuiskopie, met dien verstande dat subonderdeel 2.4 van SONT meer algemeen klaagt dat offline streaming copies niet mogen worden uitgesloten op grond van de Auteursrechtrichtlijn, terwijl subonderdelen 2.3 en 2.4 van het Thuiskopieberoep het oordeel in rov. 4.7 aanvallen dat de gestelde extra eis dat geen sprake mag zijn van commerciële opdrachtkopieën aansluit bij tekst en doelstelling van de Auteursrechtrichtlijn. Onderdeel 3 van SONT over rov. 4.11 spoort met onderdeel 4 van Thuiskopie. De cassatieberoepen in beide zaken stemmen zodoende in sterke mate overeen.
Als vergoedingsplichtig mee te nemen herkomstcategorieën’ staan als voor het SONT-besluit 2018 mee te nemen herkomstcategorieën onder meer vermeld:
Cloud’ is in het SONT-besluit 2018 het volgende vermeld:
offline streaming copies;
4. Vordering I: offline streaming copies/tethered downloads
offline streaming copiesgaat het om
downloads/copiesdie offline (buiten internet om, dus op het apparaat zelf) beschikbaar worden gesteld in het kader van een betaalde streamingdienst, meer in het bijzonder een streamingdienst die zich erdoor kenmerkt dat de aanbieder van die dienst de zeggenschap over het voortbestaan van de kopie behoudt, de gebruiker deze niet verder kan gebruiken en dat de rechthebbende wordt betaald. Het voordeel van deze faciliteit is dat de abonnee van een betaalde streamingdienst (bijvoorbeeld Spotify) deze gedownloade
copiesook kan afspelen wanneer er geen internettoegang is. Streamen is namelijk alleen mogelijk bij internettoegang. In het SONT-besluit 2018 zijn
offline streaming copiesaangeduid als: ‘
betaalde downloads streaming dienst’ (zie o.m. punt 17 ID en punt 4.1 CvA-S). In hoger beroep zijn partijen deze downloads ‘
tethered downloads’ gaan noemen, en het hof zal deze term overnemen De aanbieder van de streamingsdienst die
tethered downloadsmogelijk maakt zal hierna de ‘aanbieder’ worden genoemd, de gebruiker van die dienst, doorgaans een natuurlijke persoon/particulier, zal ook worden aangeduid als: de ‘gebruiker’.
tethered downloadniet een ‘thuiskopie’ is, dus niet een kopie die door een natuurlijke persoon voor een louter persoonlijk doeleinde wordt gemaakt, zie de punten 18-20 MvG. Ter onderbouwing van dit betoog heeft HP c.s. het volgende gesteld over de gang van zaken in het geval de gebruiker gebruik maakt van de
tethered download-faciliteit binnen zijn betaalde streaming-abonnement (zie de punten 4, 8, 9, 19 en 20 MvG):
tethered downloadwordt aangeboden als integraal onderdeel van de abonnementsdienst van de aanbieder, zodat de aanbieder daar een commercieel doel mee heeft;
download’ – aan welke downloadbare werken (muziek, films, kortweg ‘content’) hij
offlineals
tethered downloadster beschikking wil hebben;
device(bijvoorbeeld een smartphone) van de gebruiker, die dat deel aan de aanbieder ter beschikking heeft gesteld. De gebruiker bepaalt de opslaglocatie niet en heeft daarin zelf geen enkele keuzevrijheid of bewegingsruimte. Hij kan de content ook niet ergens anders neerzetten;
devicevan de gebruiker opgeslagen content automatisch verwijderd.
tethered downloadniet een thuiskopie is omdat deze niet door een natuurlijk persoon voor een persoonlijk doel wordt gemaakt, maar door een aanbieder[…] met een commercieel doel (zie punt 20 MvG) – aangevoerd dat er sprake is van inmenging van de aanbieder die een commercieel oogmerk heeft, en dat daarom die reproductie buiten het bereik van artikel 16c Aw valt. Daaraan heeft zij, in punt 32 PA-H en naar aanleiding van een vraag van het hof, toegevoegd dat een aanbieder als Spotify de kopie in opdracht van de gebruiker maakt.
Wel wordt benadrukt dat de regeling niet uitsluit dat een ander ten behoeve van de natuurlijke persoon de reproductie vervaardigt. (…). Dit moet aldus worden verstaan dat een kopie gemaakt in opdracht dus kan zijn toegelaten maar ook dat een privé-kopie niet slechts rechtmatig is indien de natuurlijke persoon voor wie de kopie is bestemd, deze kopie ook daadwerkelijk en zonder inschakeling van anderen zelf maakt.Het kan tegelijkertijd niet zo zijn dat een opdrachtnemer, direct of indirect, met oogmerk handelt. In dat geval is niet van een toegelaten privé-kopie sprake’.
(…). Bedoeld is dat een privé-kopie slechts onder bepaalde voorwaarden is toegestaan, namelijk wanneer het gaat om een kopie voor eigen oefening, studie of gebruik, zonder direct of indirect commercieel oogmerk.Dat sluit uit dat dergelijke kopieën in opdracht door een professionele opdrachtnemer worden gemaakt.Anderzijds wil de regeling ook niet in het privé-domein van de gebruiker treden door bijvoorbeeld het maken van een privé-kopie door een familielid zonder commercieel oogmerk te verbieden. (…)’.
Artikel 16c
VG Wort, en ook punt 37 van de conclusie van de Advocaat-Generaal bij dit arrest. Nederland mag dus extra eisen stellen aan een thuiskopie, waarbij van belang is dat de hier aan de orde zijnde extra eis, dat de kopie niet door commercieel/bedrijfsmatige opdrachtnemer mag worden gemaakt, in ieder geval aansluit bij de tekst en doelstelling van artikel 5 lid Pro 2 b) Arl – zo die eis daar niet al in ligt besloten of daaruit niet al voortvloeit – zodat die voorwaarde niet incoherent is en niet een ongerechtvaardigd verschil in behandeling oplevert.
tethered downloadin gang zet – zie het aldaar onder b) vermelde feit – en dat het de aanbieder is die dat kopieerproces vervolgens feitelijk uitvoert en voltooit. Dit handelen van de aanbieder vindt plaats naar aanleiding van een signaal van de gebruiker (het drukken op de knop ‘download’) om dat te gaan doen. Dit betekent dat de aanbieder in opdracht van de gebruiker handelt. Niet betwist is dat de aanbieder hierbij met een commercieel oogmerk handelt.
tethered downloads, valt niet in te zien. Bij de
tethered downloadsituatie zet de gebruiker het kopieerproces in gang, en bij de DVD/CD-kopieer-situatie niet, maar dit geringe verschil kan in het licht van het feit dat in beide situaties sprake is van een opdracht, geen gewicht van betekenis in de schaal leggen.
tethered downloadniet een thuiskopie in de zin van artikel 16c Aw is.
tethrered[lees: tethered, A-G]
downloadeen ander karakter heeft dan een thuiskopie omdat de rechthebbende de controle over de werken behoudt. Hij bepaalt niet alleen zelf welke werken aan abonnees ter beschikking worden gesteld, maar kan ook zelf (doen) bewerkstelligen dat de toegang tot de
tethered downloadswordt geblokkeerd of dat een download wordt verwijderd.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd in appel is getreden (zoals ontsloten door de grieven) met zijn uitleg in rov. 4.6 dat geen thuiskopie volgens art. 16c Aw voorhanden is als de kopie in opdracht van een natuurlijke persoon is gemaakt door een derde die professioneel/met commercieel oogmerk handelt. De rechtbank heeft in rov. 5.5 namelijk geoordeeld dat de Nederlandse wetgever ervoor heeft gekozen om binnen de werkingssfeer van art. 2 Arl Pro de beperking van art. 5 lid 2 onder Pro b Arl toe te passen, waarmee het recht van de rechthebbenden om toestemming te geven voor reproducties van hun werken voor privégebruik
volledigis uitgesloten. HP c.s. hebben daartegen onvoldoende kenbaar gegriefd. Met name is nergens bij grieven betoogd dat het recht om toestemming te geven voor reproducties voor privégebruik door de Nederlandse wetgever niet volledig, maar slechts gedeeltelijk (namelijk:
nietmet betrekking tot kopieën in opdracht van een natuurlijk persoon voor professionele/commerciële derden) is uitgesloten/beperkt. Als het hof heeft gemeend dat daartegen wel voldoende is gegriefd, is sprake van een onbegrijpelijke uitleg van de grieven, die SONT in ieder geval niet zo heeft begrepen. Het hof mocht in appel geen meer restrictieve uitleg aan art. 16c Aw geven dan de rechtbank had gedaan.
onderdeelvan de normale exploitatie; zij veroorzaken geen schade’ (MvG 34-39), ‘De gebruiker is bekend, zijn gedrag is bekend, en de gebruiker betaalt’ (MvG 40-41) en ‘Vragen van uitleg’ (MvG 42). Elk aspect van het in de visie van appellanten gemankeerde oordeel dat offline streaming copies wel thuiskopieën zijn wordt daarin bestreden. Met het aangevallen oordeel in rov. 4.6 is het hof zeker binnen de grenzen van die rechtsstrijd gebleven, omdat wel voldoende kenbaar is gegriefd tegen het in de klacht aangekaarte aspect van volledige of gedeeltelijke uitsluiting, waarbij nog is benadrukt het punt van commerciële derden in MvG 19-20. Subonderdeel 1.1 stuit daarop af.
ter bestrijding van deze gevolgtrekking (…) op de zitting van 10 mei 2021 (buiten de PA-S en PA-T om)’ heeft gedaan op hetgeen tijdens de behandeling van de aanpassingswet in de Eerste Kamer aan de orde is gekomen, afstuit op de opmerkingen van de regering in de Eerste Kamer die het hof in rov. 4.4 heeft weergegeven. Verder overweegt het hof in rov. 4.9 dat SONT op zitting eveneens buiten de pleitaantekeningen van SONT en Thuiskopie om nog heeft aangevoerd dat de Nederlandse wetgever met de buitensluiting van door commerciële opdrachtnemers vervaardigde kopieën het oog had op de situatie dat een derde tegen betaling een DVD/CD voor een natuurlijk persoon kopieert, maar niet op de situatie die aan de orde is bij tethered downloads.
subonderdeel 1.3dat gegrondbevinding van een of meer van de eerdere klachten ook rov. 4.5-4.13, 6.1-6.2 en het dictum aantast, kan buiten bespreking blijven en slaagt evenmin.
de minimis’ argument voor de thuiskopieregeling lijkt daarmee niet meer onverkort op te gaan [26] . Desalniettemin heeft die ontwikkeling geen einde gemaakt aan de thuiskopieregeling in het digitale tijdperk. Er zijn andere, zowel praktische als rechtspolitieke, gronden ter rechtvaardiging van de thuiskopieregeling. Zo is het handhaven van een verbod op kopiëren voor eigen gebruik door particulieren praktisch hoogst bezwaarlijk en wordt het ook – meer principieel – bezwaarlijk geacht in verband met de privacy van natuurlijke personen [27] . Daarnaast speelt bij de uitzondering voor privékopiëren ook het grondrecht op informatievrijheid van art. 10 EVRM Pro een rol [28] .
normale exploitatievan werken of ander materiaal en de wettige belangen van de rechthebbende niet onredelijk worden geschaad (de zogenoemde ‘driestappentoets’, die hierna in 3.67 e.v. nader aan de orde komt [44] . Ook wordt onder ogen gezien dat de Auteursrechtrichtlijn geen criterium bevat om beperkingen te kiezen die inspelen op de behoefte van de informatiemaatschappij. De regering heeft daarom bij de uitvoering van art. 5 Arl Pro zelf enkele uitgangspunten geformuleerd [45] .
in opdrachteen privé-kopie te maken:
de regeling niet uitsluit dat een ander ten behoeve van de natuurlijke persoon de reproductie vervaardigt.De Europese Commissie heeft in haar advies van 3 april 2001 over de amendementen van het Europees Parlement gesteld dat de woorden «gemaakt» door in artikel 5 lid 2 sub Pro [lees: b, A-G] ook het kopiëren voor en namens een natuurlijke persoon voor privé-gebruik kunnen dekken. Dit moet aldus worden verstaan
dat een kopie gemaakt in opdracht dus kan zijn toegelaten maar ook dat een privé-kopie niet slechts rechtmatig is indien de natuurlijke persoon voor wie de kopie is bestemd, deze kopie ook daadwerkelijk en zonder inschakeling van anderen zelf maakt. Het kan tegelijkertijd
nietzo zijn dat een opdrachtnemer, direct of in indirect,
met commercieel oogmerkhandelt. In
dat geval is niet van een toegelaten privé-kopie sprake.” [49] [onderstrepingen toegevoegd, A-G]
Door een amendement van het Europese Parlement zijn in artikel 5, tweede lid, onderdeel b, van de richtlijn de woorden «voor privé-gebruik door een natuurlijke persoon» vervangen door de woorden «gemaakt door een natuurlijk persoon voor privé-gebruik».De Europese Commissie heeft in haar reactie daarop gesteld dat de woorden «gemaakt door» ook het kopiëren voor en namens een natuurlijke persoon voor privé-gebruik kunnen dekken. Volgens de Europese Commissie zou dit ook inhouden dat mocht de begunstigde van de onderhavige beperking niet zelf over de noodzakelijke apparatuur voor het maken van een reproductie beschikken, de technische of andere middelen voor het maken daarvan worden verstrekt (COM (2001) 170 def).” [52] [onderstreping A-G]
Bedoeld is dat een privé-kopie slechts onder bepaalde voorwaarden is toegestaan, namelijk wanneer het gaat om een kopie voor eigen oefening, studie of gebruik, zonder direct of indirect commercieel oogmerk. Dat sluit uit dat dergelijke kopieën in opdracht door een professionele opdrachtnemer worden gemaakt.Anderzijds wil de regeling ook
niet in het privé-domein van de gebruiker treden door bijvoorbeeld het maken van een privé-kopie door een familielid zonder commercieel oogmerk te verbieden. Het kopiëren in opdracht van een virtuele vriendenkring, een situatie die de leden van de PvdA-fractie schetsen, valt buiten het bereik van de regeling en zal dus niet zijn toegestaan. Om de bedoeling van de bepaling tot uitdrukking te brengen, is het beter niet te spreken van het kopiëren van enkele exemplaren en opdracht.
Bij nota van wijziging is de reactie van het lid in deze zin aangepast.”
Het beschikbaar stellen van dergelijke apparatuur door die instellingen[bibliotheken, musea en archieven, A-G], waarmee natuurlijke personen in de gelegenheid worden gesteld om op grond van artikel 16c van het wetsvoorstel voor hun eigen oefening studie of gebruik kopieën te vervaardigen,
is op zichzelf beschouwd toegestaan. Artikel 16c van het wetsvoorstel staat er evenwel aan in de weg dat die instellingen ook in opdracht van natuurlijke personen kopieën gaan vervaardigen.” [59] [onderstrepingen toegevoegd, A-G]
nietkopieën die
in opdrachtvan een natuurlijke persoon zijn gemaakt door een opdrachtnemer die direct of indirect met
commercieel oogmerkhandelt.
nietkopieën die in opdracht van een natuurlijke persoon zijn gemaakt door instellingen als bibliotheken, musea en archieven en (andere)
professionele opdrachtnemers.
nietis beoogd het kopiëren in opdracht in het privé-domein
vollediguit te sluiten van de thuiskopieregeling. De bedoeling was immers enerzijds om uit te sluiten dat opdracht-kopieën door een professionele opdrachtnemer konden worden gemaakt, maar anderzijds zat ook duidelijk voor dat het niet de bedoeling was om in het privé-domein van de gebruiker te treden door bijvoorbeeld het maken van een privé-kopie door een familielid zonder commercieel oogmerk te verbieden. Díe bedoeling heeft de wetgever beter tot uitdrukking willen brengen door helemaal niet meer van opdracht te spreken in art. 16c Aw [66] . Ook in de nieuw voorgestelde bepaling is dus volgens de bedoeling van de wetgever wél toegestaan dat
een familielid zonder commercieel oogmerk in opdrachteen thuiskopie maakt, ook al werd dat niet meer met zoveel woorden in de tekst tot uitdrukking gebracht. Uitdrukkelijk uitgesloten was evenwel het kopiëren
in opdracht van een virtuele vriendenkring(waarmee de wetgever dus niet helemaal terugtrad uit het privé-domein). Voor deze zaak maakt deze nuancering denk ik niet uit, omdat ik het met genoemde auteurs eens ben
dat in ieder geval kopieën gemaakt door professionele en/of commerciële opdrachtnemersniet onder de Nederlandse thuiskopieregeling vallen.
technologieneutrale formuleringen [68] en uit de beschouwingen over technische beschermingsmaatregelen die kopiëren in de privésfeer (in de toekomst) mogelijk zouden kunnen controleren en reguleren [69] . De wetgeving was dan ook bedoeld om technische ontwikkelingen in de toekomst te kunnen opvangen. Dit betekent dat voor de vraag of offline streaming copies als thuiskopie kwalificeren kan worden bezien wat de ratio is van de thuiskopieregeling.
reproductievan dit materiaal, met welke middelen of in welke vorm ook (‘het reproductierecht’).
VG Wort-arrest schrijft A-G Sharpston dat het facultatieve karakter van de beperkende maatregelen aan lidstaten een zekere handelingsvrijheid geeft [74] : verdergaande beperkingen dan toegestaan in art. 5 leden Pro 2 en 3 Arl zijn niet richtlijnconform, maar minder vergaande maatregelen wel. Een voorbeeld van het eerste is dat een lidstaat níet met een beroep op art. 5 lid 2 sub b Arl Pro alle door een natuurlijke persoon op enige drager gemaakte reproducties mag uitsluiten zonder te onderscheiden naar het oogmerk waarvoor deze reproducties worden gemaakt. Dat gaat verder dan art. 5 lid 2 sub b Arl Pro toestaat, omdat het moet gaan om reproducties zonder commercieel oogmerk. Een toegestane beperking die minder ver gaat dan mogelijk zou zijn, is een regeling die ziet op reproducties door particulieren op papier voor persoonlijke studie; daarin zijn de elementen ‘op welke drager dan ook’ en ‘privé-gebruik zonder commercieel oogmerk’ vernauwd ten opzichte wat de Richtlijn mogelijk maakt. Lidstaten kunnen dus niet alleen kiezen
of, maar binnen zekere grenzen ook
hoezij de uitzonderingen uit art. 5 lid 2 sub b Arl Pro implementeren [75] .
VG Wortzijn
minder vergaande maatregelen(opdrachtkopieën door professionele opdrachtgevers vallen
buitende thuiskopieregeling en dus onder het ‘gewone’ reproductierecht van de rechthebbende) die dus
minder beperkingen op het reproductierechtvan de rechthebbende opleveren,
welrichtlijnconform. Het is goed dat in het achterhoofd te houden bij de nu volgende verdere analyse [76] .
acte clair(hierna uitgewerkt in 3.85).
Padawan [78] uit 2010 is een aantal principiële vragen beantwoord over de aard, vorm en berekeningsgrondslag van de thuiskopieheffing. Allereerst is daarin echter beslist dat ‘billijke compensatie’ uit art. 5 lid 2 sub b Arl Pro een autonoom Unierechtelijk begrip is dat uniform moet worden uitgelegd in alle lidstaten die een privékopie-uitzondering hebben ingevoerd. Dat geldt ongeacht de bevoegdheid van lidstaten om binnen de door het Unierecht gestelde grenzen vorm, financierings- en inningswijze en niveau van de billijke compensatie te bepalen, die bedoeld is als vergoeding van de door de auteur geleden schade door privékopieën (punt 33). Uitgangspunt is volgens
Padawandat de ‘billijke vergoeding’ moet worden gezien als ‘vergoeding van de door de auteur geleden schade’ (punt 40). De principiële vraag was of dat kon in de vorm van een
heffingstelselen het hof oordeelt dat dat in beginsel kan. In het arrest is uiteengezet dat het gaat om het vinden van een ‘rechtvaardig evenwicht’ tussen de rechten en belangen van de auteurs die een billijke compensatie moeten ontvangen en die van de gebruikers van beschermd materiaal (punt 43 onder verwijzing naar de considerans van de Arl onder 31). Dat hoeft niet te betekenen dat de heffing moet worden opgelegd aan de privékopieerders zelf (hetgeen wel het uitgangspunt is volgens het Hof in punt 45). De lidstaten kunnen voorzien in een systeem waarbij de financiering van de billijke compensatie niet door de betrokken particulieren geschiedt, maar door degenen die over kopieerapparatuur beschikken en die ter beschikking stellen van particulieren of voor hen reproductiediensten verrichten (punt 46). Betalingsplichtigen kunnen de privékopieheffing in de onderzochte Spaanse regeling op zich doorberekenen in de prijs van terbeschikkingstelling van de kopieerapparatuur (punt 48), zodat de privé-gebruikers uiteindelijk de last dragen. Ook daarmee kan dit ‘rechtvaardige evenwicht’ volgens het Hof worden bereikt (punten 49 en 50). Beslissende maatstaf voor het opleggen van de heffing is volgens punt 56 het ‘vermoedelijke gebruik’, wat af te leiden valt uit de geschiktheid van apparatuur en dragers en de beschikbaarheid daarvan voor het algemene publiek. Het is niet toegestaan een heffing te leggen op apparatuur en dragers die evident bedoeld zijn voor ander gebruik dan het kopiëren voor privégebruik, zoals gebruik door professionele muzikanten en geluidsstudio’s.
Thuiskopie/Opus [79] van een jaar later is hierop gevarieerd met de beslissing dat de billijke compensatie ook kan worden geïnd bij de verkoper die in een andere lidstaat woont dan de afnemers van de informatiedragers. Opus uit Duitsland verhandelde via internet blanco informatiedragers voornamelijk gericht op Nederlandse klanten, zonder daarvoor in Duitsland of Nederland heffingen af te dragen. De heffingsplicht mocht van het Hof hier worden gelegd op de vanuit Duitsland opererende internethandelaar Opus.
VCAST [80] uit 2017 vaste rechtspraak.
VG Wort-arrest uit 2013 gaat over de Duitse thuiskopieregeling. Onder verwijzing naar
Padawanmemoreert het Hof eerst dat het bij een billijke compensatie voor thuiskopiëren gaat om schadevergoeding die makers door dat thuiskopiëren leiden, hetgeen van belang is voor de uitleg van art. 5 Arl Pro (punten 31-32). Lidstaten hebben ruimte om de uitzonderingen op het reproductierecht uit leden 2 en 3 van art. 5 Arl Pro met variaties en gradaties te regelen binnen de toegestane mogelijkheden (punten 34 en 36). Dat is een belangrijk aspect voor onze zaak; zie hiervoor in 3.47.
ACI Adamuit 2014. Daarin is geoordeeld dat art. 5 lid 2 sub b Arl Pro (in samenhang met art. 5 lid 5 Arl Pro) in de weg staat aan een nationale regeling die privé-kopiëren uit ongeoorloofde bron toestaat, zoals tot dan toe in Nederland het geval was [81] . De uitzondering van art. 5 lid 2 Arl Pro op het reproductierecht moet restrictief worden uitgelegd (punten 22, 23 en 30). Dat is blijkens
Copydan [82] van een jaar later vaste rechtspraak. Alle wettelijke beperkingen (zoals art. 16c Aw) moeten voldoen aan de driestappentoets uit art. 5 lid 5 Arl Pro (punten 24-25 en 38-41; dit komt nog nader aan bod in 3.67-3.79); vgl. ook art. 13 TRIPs Pro): slechts in bijzondere gevallen toepasselijk, op voorwaarde dat daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van werken en de wettige belangen van de rechthebbende niet onredelijk worden geschaad; de driestappentoets dient volgens het Hof te worden gezien als nadere afbakening van de in art. 5 lid 2 van Pro de Arl categoraal toegestane wettelijke beperkingen (punt 25). Daarbij leidt het Hof uit considerans 44 van de Arl af dat wettelijke beperkingen in een digitale omgeving grotere economische gevolgen hebben, zodat die nog beperkter moeten worden toegepast, wanneer het gaat om bepaalde nieuwe vormen van gebruik van beschermde werken [83] , terwijl nergens uit de richtlijn blijkt dat lidstaten het toepassingsgebied van uitzonderingen en beperkingen kunnen uitbreiden (punt 27). Een doelstelling van de richtlijn is dat de uitzonderingen van de richtlijn een evenwicht moet verzekeren tussen de rechtstradities van de lidstaten en een goed functionerende interne markt (considerans 32 Arl). Dit brengt mee dat wanneer lidstaten een uitzondering implementeren, zij die coherent moeten toepassen, zodat geen afbreuk wordt gedaan aan de nagestreefde doelstellingen, zoals het verzekeren van een goede werking van de interne markt (punten 33-34). Ook in dit arrest komt terug dat een andere doelstelling van de richtlijn die van belang is bij de uitleg van restricties, is dat deze een rechtvaardig evenwicht nastreeft tussen enerzijds de belangen en rechten van auteurs en anderzijds de rechten en belangen van gebruikers van beschermd materiaal (considerans 31 Arl, punten 53-57).
Copydan-arrest uit 2015, een casuïstische zaak over thuiskopievergoeding voor reproducties gemaakt met geheugenkaarten van mobiele telefoons (die een intern geheugen hebben (volgens Deens recht niet heffingsplichtig), maar daarnaast over een uitneembare geheugenkaart (wel onder de Deense heffing vallend) beschikken) waarbij onduidelijk is of daarbij het maken van privékopieën de voornaamste functie is of niet, is als vaste rechtspraak bevestigd dat lidstaten een ruime beoordelingsmarge hebben om de verschillende aspecten van een billijk compensatiestelsel in te richten, voor zover de bepalingen van de richtlijn deze kwestie niet nader regelen. Het is aan de lidstaten om te bepalen wie deze compensatie moet betalen en ook om de vorm, de modaliteiten en het niveau ervan aan te geven [84] . Onder verwijzing naar
Padawanleert het Hof dat voor een privé-kopieheffing volstaat dat met dragers privé-kopieën
kunnenworden gemaakt en de dragers aan particulieren ter beschikking zijn gesteld (ongeacht of er
daadwerkelijkprivé-kopieën worden gemaakt, punten 24-25). Multifunctionaliteit en de secundaire aard van de reproductiefunctie kunnen wel de hoogte van de vergoeding beïnvloeden en dat kan ook tot een nihil-heffing leiden (27-29); wanneer dragers of apparaten nauwelijks voor privekopiëren worden gebruikt, is een thuiskopievergoeding niet verplicht (aldus punt 28; zie ook punt 72).
Copydanis verder uitgemaakt dat de lidstaten bij een thuiskopieregeling niet
zonder rechtvaardigingonderscheid kunnen maken tussen de verschillende categorieën marktdeelnemers die handelen in vergelijkbare goederen waarop de uitzondering voor het kopiëren voor privégebruik ziet, of tussen de verschillende categorieën gebruikers van beschermd materiaal (gelijke behandeling, punten 32-33). Dit gebeurde in de onderwerpelijke Deense regeling wel, waarin een onderscheid werd gemaakt tussen dragers waarvoor wel en waarvoor geen thuiskopieheffing gold. Een rechtvaardiging voor zo’n onderscheid kan erin bestaan dat de rechthebbenden voor de dragers die zijn uitgesloten van de compensatieregeling een
andere vorm van compensatieontvangen (punt 40). A-G Hogan meent in zijn conclusie uit 2021 voor
Austro-Mechana/Strato [85] dat dezelfde benadering behoort te gelden voor diensten. Verder is in
Copydanuitgewerkt hoe een terugbetalingsregeling in elkaar moet zitten als ten onrechte een thuiskopieheffing is opgelegd in bepaalde gevallen (aan handelaren in plaats van particulieren). Iets soortgelijks over een recht op terugbetaling wanneer de apparatuur of gegevensdrager door de uiteindelijke verwerver wordt gebruikt op een manier die niet onder art. 5 lid 2 onder Pro b Arl was al bekend uit
Amazon/Austro Mechana [86] over de Oostenrijkse thuiskopieregeling. Ook is in
Copydanuitgemaakt dat een vrijstelling van een thuiskopieheffing voor
de minimisgevallen mogelijk is (punten 56-62). Een ander aspect uit
Copydanis dat de vraag kan zijn of er ruimte is voor een thuiskopieheffing voor thuiskopieën waarvoor al langs andere weg was betaald (er dus al toestemming was van de rechthebbende). Onder verwijzing naar
VG Wortleert
Copydanin punten 65-67 (anders dan A-G Cruz Villalón had voorgesteld in zijn conclusie onder 58-65) dat toestemming voor het maken van privékopieën nooit rechtsgevolg kan hebben voor de vraag of een thuiskopieheffing mogelijk is, met als resultaat dat veel rechthebbenden voor privékopieën een dubbele vergoeding incasseren (NJ-annotator Hugenholtz noemt als voorbeeld: van iTunes en uit de thuiskopieheffing) en dat een gebruiksvoorwaarde die privékopiëren verbiedt in lidstaten met een privékopie-exceptie ongeldig is. Hugenholtz typeert dit in zijn noot als een dwingendrechtelijke status van art. 16c Aw. Ik blijf dit een vrij duistere weg vinden die in
VG Wortis ingeslagen, maar die wordt ondanks een contraire conclusie in
Copydanbevestigd. Zoals ook al in
VG Wortaan de orde was geweest, rees in
Copydanopnieuw de vraag hoe het dan zit met ‘technische beschermingsmiddelen’, zoals bijvoorbeeld een kopieerslot. Dat leidt volgens het hof weliswaar niet tot verval van de vergoedingsaanspraak, zoals we al wisten uit
VG Wort, maar in
Copydanis genuanceerd dat dat voor de hoogte van de thuiskopieheffing wel gevolgen kan hebben (punt 72). Belangrijker voor onze zaak is wat het Hof leert over de vraag of een thuiskopieheffing mogelijk is voor thuiskopieën gemaakt door een particulier vanaf of met behulp van een inrichting die aan een derde toebehoort. De tekst van art. 5 lid 2 onder Pro b Arl leert niets over inrichtingen waarmee privékopieën worden vervaardigd en of daar van belang is of de maker van privékopieën dat op apparatuur doet in diens eigendom of meer algemeen wat het rechtskarakter is van de betreffende verhouding tussen de kopieerinrichting en de particulier die privékopieert (punt 86). Herhaald wordt in dit verband dat uitzonderingen als in art. 5 lid 2 onder Pro b restrictief moeten worden uitgelegd (punt 87) en dat de richtlijn slechts bepaalde aspecten van het auteursrecht harmoniseert (punt 88 onder verwijzing naar punt 35 uit
Padawan). Doordat art. 5 lid 2 onder Pro b Arl niets vermeldt over de hier besproken vraag, is door de Uniewetgever te kennen gegeven dat ‘deze niet van belang zijn voor het doel waarnaar hij met de gedeeltelijke harmonisatie streeft’ (punt 88). Of de inrichting die een particulier gebruikt voor het maken van kopieën voor privégebruik aan hem moet toebehoren of ook aan een derde kan toebehoren, valt volgens het Hof daarom niet binnen de werkingssfeer van art. 5 lid 2 sub b Arl Pro (punt 89). De Commissie had hier ook een koppeling tussen art. 5 lid 5 en Pro art. 5 lid 2 onder Pro b Arl bepleit, maar dat verwerpt het Hof expliciet (punt 90): lid 5 is volgens het Hof ‘namelijk niet bedoeld om effect te hebben op de materiële inhoud van de onder […] lid 2 […] van deze richtlijn vallende bepalingen, en met name niet om de reikwijdte van de daarin voorziene beperkingen en restricties uit te breiden (zie
ACI Adam e.a., ECLI:EU:C:2014:254, punt 26)’.
VCASTen
Austro-Mechana/Stratowas aan de orde hoe de regeling van art. 5 lid 2 sub b Arl Pro zich verhoudt tot reproductiedienstverlening met behulp van de
cloud. In beide zaken was bovendien sprake van dienstverlening van derden. Dat komt het dichtst in de buurt van hetgeen in onze zaak aan de orde is.
cloudvan terrestrisch – dat wil zeggen met hertzgolven via een zendmast – uitgezonden programma’s van (met name) RTI, een Italiaanse televisieomroep [87] . De klant koos daarbij op de website van VCAST een concrete uitzending uit het aanbod van televisiekanalen, het systeem van VCAST ving vervolgens met behulp van eigen antennes het televisiesignaal op en nam de gekozen uitzending op in de door de gebruiker in de
cloudaangegeven opslagruimte [88] . De klant kon vervolgens op ieder gewenst moment het voor hem opgenomen televisieprogramma terugkijken; hij beschikte over een kopie in de
cloud.
cloudprivé-kopieën worden opgeslagen, waarbij die commerciële ondernemingen actief tussenkomen bij de opname van die kopieën (punt 54).
VCAST-arrest [89] is A-G Szpunar daar op ingegaan (onder 23-28). Hij onderscheidt twee soorten dienstverlening door derden: terbeschikkingstelling van opslagcapaciteit enerzijds en het maken van reproducties anderzijds. Voor bezit en terbeschikkingstelling van opslagcapaciteit is de Unierechtspraak volgens hem vrij duidelijk: lidstaten zijn bevoegd om compensatie te innen bij personen die gegevensdragers of opnameapparatuur aan het publiek ter beschikking stellen en er is geen principieel bezwaar om dit ook te doen wanneer die terbeschikkingstelling geschiedt in de
cloud(onder 24). Hij vindt hiervoor steun in
Copydan,dat de billijke compensatie voor thuiskopieën betrekking kan hebben op reproducties die zijn vervaardigd door een natuurlijke persoon met behulp van een inrichting die aan een derde toebehoort.
cloudde tussenkomst van een derde nodig is, of het nu gaat om de aanbieder van die opslagruimte of een andere persoon. Wanneer de gebruiker namelijk een begin maakt met de reproductie, wordt, min of meer automatisch, een aantal processen in gang gezet die leiden tot een vervaardiging van een kopie van het werk in kwestie. Het enkele feit dat een derde tussenkomt op een wijze die verder gaat dan het eenvoudigweg ter beschikking stellen van gegevensdragers of apparatuur, maakt volgens hem nog niet dat die reproductie moet worden uitgesloten van de werkingssfeer van de thuiskopieregeling. Zolang het de gebruiker zelf is die het initiatief neemt om een reproductie te maken en het voorwerp ‘en de overige voorwaarden bepaalt’ [90] , ziet hij geen relevant verschil tussen die handeling en een reproductie die wordt vervaardigd door diezelfde gebruiker met behulp van apparatuur die hij rechtstreeks kan bedienen. Hij roept in herinnering dat volgens
Padawanal uitdrukkelijk is toegestaan dat de billijke compensatie betrekking heeft op reproducties die zijn vervaardigd in het kader van het aanbieden van reproductiediensten.
elketussenkomst van derden is uitgesloten in de huidige tijd voor problemen zorgen. Tegenwoordig wordt namelijk niet alleen opslagruimte door derden aangeboden, maar ook de software die nodig is om een reproductie te maken. De reproductie waarbij een werk op een aan de betrokken gebruiker toebehorende stoffelijke gegevensdrager, bijvoorbeeld een CD, op de harde schijf van zijn computer wordt gekopieerd (een handeling die bij uitstek onder de uitzondering voor privé-kopieën valt) kan plaats vinden door middel van software die niet op de computer van de gebruiker is geïnstalleerd, maar op afstand als dienst ter beschikking wordt gesteld door een aanbieder. De tussenkomst van die aanbieder is voor de reproductie onontbeerlijk. Het is dan volgens A-G Szpunar niet logisch om die reproductie uit te sluiten van de thuiskopieregeling, terwijl een reproductie door dezelfde gebruiker door op diens computer geïnstalleerde software daar wél onder zou vallen.
VCASTvervolgens geen oordeel gegeven of kopieën gemaakt door of middels een (
cloud)dienstverlener onder de werkingssfeer van art. 5 lid 2 sub b Arl Pro kunnen vallen.
Austro-Mechana/Strato [91] was opnieuw clouddienstverlening aan de orde. Strato verleende een dienst waarbij zij aan haar klanten opslagruimte in de
cloudter beschikking stelde en de vraag was of Austro-Mechana (een Oostenrijkse collectieve beheersorganisatie van auteursrechten) daarvoor een billijke vergoeding kon heffen bij Strato. Het HvJEU overwoog eerst dat er sprake was van een reproductie, aangezien de dienstverlening van Strato er met name in bestond een kopie van een werk op te slaan in de
cloud(punten 17-18). Het begrip ‘op welke drager dan ook’ van art. 5 lid 2 onder Pro b Arl moet ruim worden uitgelegd en omvat alle dragers waarop een beschermd werk kan worden gereproduceerd, daaronder begrepen servers zoals die bij
cloudcomputingworden gebruikt (punten 21 en 30). Het feit dat de servers waarop de kopieën worden opgeslagen niet aan Strato toebehoorden maar aan derden, is volgens het Hof niet relevant (punt 23). Geoordeeld wordt dan ook dat art. 5 lid 2 onder Pro b Arl zich mede uitstrekt tot het maken van privé-kopieën van auteursrechtelijk beschermde werken op een server waarop de aanbieder van cloudcomputingdiensten opslagruimte ter beschikking stelt van een gebruiker (punt 33). Volgens het Hof strookt deze uitleg met het beginsel van technologische neutraliteit, wat meebrengt dat moet worden voorkomen dat de auteursrechtelijke bescherming in de Europese Unie achterhaald wordt of in onbruik raakt door de voortgang van technologische ontwikkeling en de opkomst van nieuwe exploitatievormen van auteursrechtelijk beschermde content. Dit beginsel, dat ook als doelstelling van de Auteursrechtrichtlijn in overwegingen 2 en 5 is verankerd, brengt mee dat rekening moet worden gehouden met technologische ontwikkelingen en met de opkomst van met name digitale dragers en cloudcomputingdiensten (punt 28).
ACI Adamvolgt dat de uitzondering voor kopieën voor privégebruik afhankelijk is van de voorwaarde dat de reproductie een geoorloofde bron heeft [92] . Dat brengt mij bij de driestappentoets van art. 5 lid 5 Arl Pro.
ACI Adam(en bevestigd in
Copydan, punt 90, zie hiervoor in 3.55) geoordeeld dat art. 5 lid 5 Arl Pro geen wijziging aanbrengt in de uitzonderingen van lid 2, in de zin dat lid 5 niet de materiële inhoud van die uitzonderingen definieert en met name niet de reikwijdte daarvan uitbreidt, maar alleen wel de voorwaarden van de toepassing ervan nader preciseert [94] . De driestappentoets speelt zodoende pas een rol op het moment dat de uitzonderingen door de lidstaten worden toegepast en dient als aanknopingspunt voor de uitleg van de uitzonderingen bij de toepassing ervan in het nationale recht van de lidstaten, maar ook voor de uitleg van de bepalingen van de Auteursrechtrichtlijn door het HvJEU zelf [95] . De mogelijkheid van lidstaten om uitzonderingen op het reproductierecht te voorzien (bijvoorbeeld in de vorm van een thuiskopiestelsel) wordt met andere woorden
beperktdoor de driestappentoets [96] .
VCAST-zaak en hij kwam (onder 57-69) tot de conclusie dat de door VCAST aangeboden diensten
nietdoor de beugel van art. 5 lid 5 Arl Pro konden, omdat zij een aantasting vormde van de normale exploitatie door de rechthebbenden. Zijn beschouwingen zijn naar ik meen voor onze zaak bij uitstek relevant, zodat ik die iets uitvoeriger bespreek nu.
ACI Adamdat toepassing van de thuiskopie-exceptie op kopieën van werken op basis van illegale bronnen een ongerechtvaardigd nadeel voor de rechthebbenden zou opleveren, aangezien zij dan verplicht zouden zijn om gevallen van piraterij te dulden buiten situaties waarin de gebruikers de werken in hun persoonlijke levenssfeer benutten.
acte éclairé. Er is naar ik meen wel te beargumenteren dat hier sprake is van een
acte clair, maar alvorens die te bespreken geef ik hier alvast te kennen dat volgens mij over de juiste toepassing van het Unierecht hier redelijkerwijs twijfel kan bestaan, zodat het stellen van prejudiciële vragen geïndiceerd lijkt in deze bodemzaak, net als in de parallelle Thuiskopie-zaak.
acte clairmoet in de eerste plaats worden bedacht dat de betrokkenheid van derden niet zonder meer in de weg staat aan toepassing van de thuiskopie-exceptie uit art. 5 lid 2 onder Pro b Arl. De thuiskopie-exceptie uit art. 5 lid 2 sub b Arl Pro geldt tekstueel voor een reproductie ‘door een natuurlijk persoon voor privé-gebruik gemaakt’, maar het HvJEU legt die bepaling niet strikt uit. De tussenkomst van derden bij het maken van een kopie verhindert niet dat die kopie onder de werkingssfeer van art. 5 lid 2 sub b Arl Pro kan vallen. Zowel gevallen waarin die tussenkomst alleen bestaat uit het ter beschikking stellen van apparatuur, als die waarin dat meer behelst (reproductiedienstverlening), kunnen onder de werkingssfeer van art. 5 lid 2 sub b Arl Pro vallen, zo volgt uit de rechtspraak van het HvJEU.
welonder een volgens art. 5 lid 2 sub b Arl Pro vallend thuiskopiestelsel
mogelijkzou zijn – de Nederlandse thuiskopieregeling, die die mogelijkheid niet opneemt maar juist uitsluit van de nationale thuiskopie-exceptie, op dit punt niet conform de richtlijn is. Immers in lijn met A-G Sharpston in haar conclusie voor
VG Wortzijn
minder vergaande maatregelen(opdrachtkopieën door professionele opdrachtgevers vallen
buitende thuiskopieregeling en dus onder het ‘gewone’ reproductierecht van de rechthebbende) die dus
minder beperkingen op het reproductierechtvan de rechthebbende opleveren dan volgens de richtlijn in principe mogelijk zouden zijn,
welrichtlijnconform (als aan de driestappentoets wordt voldaan en geen ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt in de in de vorige twee nummers bedoelde zin, voeg ik nu aan die basale gedachte toe).
nietonder de betreffende lidstatelijke thuiskopie-exceptie te laten vallen. Gezien werd bovendien dat een rechtvaardiging voor het onderscheid maken tussen verschillende categorieën gebruikers van beschermd materiaal erin kan bestaan dat rechthebbenden al een andere vorm van compensatie ontvangen of waarvoor al langs andere weg is betaald, zoals kort gezegd een licentievergoeding bij het Spotify-model. Ook daar lijkt mij in te passen dat opdrachtkopieën in de vorm van tethered downloads niet worden meegenomen in het Nederlandse thuiskopieheffingsstelsel. Als uitzondering op het reproductierecht van de rechthebbenden moet de thuiskopie-exceptie ook nog eens volgens vaste rechtspraak van het HvJEU restrictief worden toegepast, hetgeen nog beperkter dient te zijn in een digitale omgeving, en deze moet bovendien voldoen aan de driestappentoets. Zoals we in de bespreking van de klachten zullen zien, zijn offline streaming copies te zien als een normale vorm van exploitatie en die zou in strijd met de driestappentoets worden belemmerd als offline streaming copies onder de thuiskopieheffing zouden vallen. Dat kan allemaal in de richting wijzen dat de door de Nederlandse wetgever beoogde uitzondering op de thuiskopie-uitzondering voor opdrachtkopieën gemaakt door een professionele opdrachtnemer richtlijnconform is. Of dat alles genoeg is om een
acte clairaan te nemen in de onderhavige zaak (zie ook hierna in 3.112), is een beslispunt (hetzelfde geldt voor de Thuiskopie-zaak); zekerheidshalve stel ik in de nu volgende bespreking voor om wel prejudiciële vragen hierover te stellen aan het HvJEU.
tethered downloadwordt aangeboden als integraal onderdeel van de abonnementsdienst van de aanbieder, zodat de aanbieder daar een commercieel doel mee heeft;
download’ – aan welke downloadbare werken (muziek, films, kortweg ‘content’) hij
offlineals
tethered downloadster beschikking wil hebben;
device(bijvoorbeeld een smartphone) van de gebruiker, die dat deel aan de aanbieder ter beschikking heeft gesteld. De gebruiker bepaalt de opslaglocatie niet en heeft daarin zelf geen enkele keuzevrijheid of bewegingsruimte. Hij kan de content ook niet ergens anders neerzetten;
devicevan de gebruiker opgeslagen content automatisch verwijderd.’
actieve handelingenverricht om de kopie te maken [102] . De ‘geautomatiseerde feitelijke betrokkenheid’ van de streamingsdienstaanbieder bij het maken van offline streaming copies is volgens SONT in ieder geval niet waarop de Nederlandse wetgever het oog had met de uitsluiting van opdrachtkopieën [103] . De eis moet dus volgens haar in ieder geval zo worden uitgelegd dat hieronder niet offline streaming copies vallen [104] .
nietdat de wetgever bij het uitsluiten van opdrachtkopieën het oog had op ‘
een (actief) handelen van een door de natuurlijke persoon benaderde professionele of commerciële derde’ die de opdracht krijgt om een reproductie te maken ‘
van een cd of ander werk’ [106] . Ik lees dat ook niet in de totstandkomingsgeschiedenis van art. 16c Aw. In de parlementaire geschiedenis wordt het commerciële kopiëren in opdracht in algemene bewoordingen uitgesloten van de thuiskopieregeling [107] . De wetgever heeft geen onderscheid gemaakt tussen derden die bij het vervaardigen van reproducties actief handelen of juist niet, of tussen derden die het kopieerproces in gang zetten of juist niet [108] .
future-proofmogelijk is. Beoogd is zodoende dat kopieën gemaakt met modernere technieken dan destijds bekend, ook onder de thuiskopieregeling (en onder de uitzonderingen daarop, zoals opdrachtkopieën) zouden vallen. Het komt dus aan op de aard en strekking van die regeling.
thuiskopie-exceptie zelf een uitzondering is op de hoofdregel van het exclusieve reproductierechtvan de rechthebbende en dat binnen een stelsel dat mogelijk maakt om ook helemaal af te zien van invoering van een thuiskopie-exceptie naast gradaties in de lidstatelijke excepties, verschillen gegeven zijn.
ratiovan de thuiskopieregeling en in het verengde daarvan de
driestappentoets. Dat zou maken dat (ook) belang bij cassatie hier lijkt te ontbreken. Exploitatie in de vorm van offline streaming copies lijkt een vorm van primaire exploitatie voor de rechthebbenden te zijn in de betreffende licentieverhouding [124] .
acte clairgezien worden, maar de voorafgaande bespreking laat denk ik wel zien dat daar gerede twijfel [135] over mogelijk is, zodat het dienstig voorkomt (ook) daar een vraag over te stellen aan het HvJEU.
subonderdeel 2.2klaagt SONT dat het hof met zijn oordeel in rov. 4.7 dat in het midden kan blijven of art. 5 lid 2 onder Pro b Arl aan de hoedanigheid van thuiskopie de eis stelt dat deze niet door een commercieel/bedrijfsmatig handelende opdrachtnemer is vervaardigd, heeft miskend dat voor de uitleg en reikwijdte van de door de Nederlandse wetgever in art. 16c Aw gestelde eis wel degelijk van belang is of art. 5 lid 2 onder Pro b Arl dezelfde eis stelt, en zo ja, hoe die eis in het kader van art. 5 lid 2 onder Pro b Arl moet worden uitgelegd. Het subonderdeel voert daartoe aan dat uit de parlementaire geschiedenis van art. 16c Aw kan worden afgeleid dat de Nederlandse wetgever heeft willen aansluiten bij de regeling van art. 5 lid 2 onder Pro b Arl en deze regeling van de thuiskopie-exceptie volledig heeft willen implementeren [136] . Dat sprake is van een volledige implementatie heeft de rechtbank tot uitgangspunt genomen en heeft de SONT in deze procedure ook gesteld [137] , aldus het subonderdeel. Gewezen wordt ter illustratie op het arrest
Austro-Mechana/Strato [138] , waaruit blijkt dat de opslag van werken in de cloud moet worden aangemerkt als een thuiskopie in de zin van art. 5 lid 2 onder Pro b Arl. Als art. 5 lid 2 onder Pro b Arl al aan de thuiskopie de eis stelt dat geen sprake mag zijn van een reproductie die in opdracht van een natuurlijke persoon is gemaakt door een derde die professioneel of met commercieel oogmerk handelt, dan volgt volgens de klacht uit dit arrest dat de genoemde eis in ieder geval niet zo moet worden uitgelegd dat bij opslag van werken in de cloud sprake is van een dergelijke ‘opdrachtkopie’. In het verlengde hiervan moet deze eis dan zo worden uitgelegd dat offline streaming copies evenmin als een dergelijke ‘opdrachtkopie’ kunnen worden aangemerkt, althans valt het tegendeel zonder nadere motivering, die het hof niet geeft, niet in te zien, zo is de klacht.
hoedan, één-op-één als ‘reproductie’ [142] , of dat gebruik is gemaakt van de implementatieruimte die de richtlijn op dit punt biedt [143] . Voor beide opvattingen valt mogelijk wat te zeggen, maar voor het eerste het minst, dunkt mij.
nietde eis besloten ligt dat een thuiskopie niet mag worden vervaardigd door een commerciële en/of professionele opdrachtnemer. Al in
Padawanheeft het HvJEU geoordeeld dat niet noodzakelijk is dat de betrokken natuurlijke personen de installaties, apparaten of dragers waarmee de reproducties worden gemaakt zelf bezitten en dat zij ook een reproductiedienstverlening van derden kunnen ontvangen die de noodzakelijke feitelijke premisse vormt die deze natuurlijke personen toestaat privékopieën te verkrijgen. Dat de dienstverlener een commerciële dan wel professionele opdrachtnemer is, lijkt daarmee geen belemmering te zijn voor de kwalificatie als thuiskopie. Dit lijkt mij te meer ook te volgen uit
VCASTen
Austro-Mechana/Strato, waarin het HvJEU oordeelde dat opslag in de cloud van reproducties ook kwalificeert als thuiskopie.
welis toegestaan op grond van de implementatieruimte die de Auteursrechtrichtlijn biedt. Dat vormt geen ongeoorloofde uitbreiding van de uitzondering op het reproductierecht; het maakt de reikwijdte van die uitzondering juist enger en dat past in de Luxemburgse jurisprudentielijn dat dergelijke wettelijke lidstatelijke uitzonderingen op dat reproductierecht restrictief moeten worden toegepast, zeker in een digitale omgeving. Daarbij lijkt de eis te vallen binnen de grenzen van wat is toegestaan: de eis lijkt geen afbreuk te doen aan de doelstellingen van de richtlijn, geen ongerechtvaardigd onderscheid te maken tussen verschillende goederen, dragers of diensten waarop de billijke compensatie wordt geheven en te voldoen aan de driestappentoets. Hierover heeft het HvJEU evenwel nog geen uitspraak gedaan, dus het is geen
acte éclairé.
acte clair,maar dat dat een beslispunt is (zie hiervoor in 3.85). Het uitsluiten van offline streaming copies lijkt mij namelijk naadloos te passen in de driestappentoets van art. 5 lid 5 Arl Pro en de uitleg en toepassing die A-G Szpunar daaraan heeft gegeven in zijn besproken conclusie in de
VCAST-zaak [144] . Bij de bespreking van subonderdeel 2.1 kwamen we al tegen dat het HvJEU zich nog niet (uitdrukkelijk) heeft uitgelaten over de vraag of dienstverlening zoals het aanbieden van offline streaming copies (of vergelijkbare dienstverlening) een vorm van normale exploitatie is en zo ja, of het scharen van dergelijke kopieën onder een nationale thuiskopieregeling afbreuk doet aan die normale exploitatie. Het HvJEU heeft zich evenmin al kunnen uitlaten over de vraag of de ratio van de thuiskopieregeling wel een ‘bijzonder geval’ oplevert bedoeld in de eerste stap van de driestappentoets en hoe het dan zit met de schade die rechthebbenden lijden wanneer offline streaming copies onder de thuiskopieregeling worden geschaard, nu dat een normale, primaire exploitatievorm lijkt te zijn (waar in de bespreking van subonderdeel 2.1 mee is geworsteld).
acte clairkan worden aangenomen [145] :
subonderdeel 2.3klaagt SONT dat voor zover het hof in rov. 4.4-4.11 en met name in rov. 4.7 relevant heeft geacht dat bij reproducties met de kenmerken als genoemd in rov. 4.2 onder a-f, sprake is van enige betrokkenheid van een derde die professioneel of met commercieel oogmerk handelt, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het vereiste uit art. 5 lid 2 onder Pro b Arl (en art. 16c Aw) dat geen sprake mag zijn van een commercieel oogmerk (‘zonder direct of indirect commercieel oogmerk’) niet ziet op de eventuele tussenkomst van een derde, maar op het gebruik dat van de reproductie wordt gemaakt door de natuurlijk persoon [146] .
VCAST-zaak ziet het vereiste van art. 5 lid 2 onder Pro b Arl dat geen sprake mag zijn van een commercieel oogmerk op het gebruik dat van de reproductie wordt gemaakt door de natuurlijk persoon voor wie de reproductie is bedoeld [147] . Daar lijkt mij veel voor te zeggen, maar het HvJEU heeft nog niet uitdrukkelijk in die zin geoordeeld. Op grond van de huidige rechtspraak lijkt het feit dat een commerciële derde reproductiedienstverlening biedt, geen belemmering te vormen om een daarmee gemoeide thuiskopie in beginsel onder art. 5 lid 2 onder Pro b Arl te laten vallen, zo hebben we gezien.
acte clairlangs de hiervoor geschetste lijnen is het aangevallen hofoordeel helemaal juist en treft de klacht geen doel. Indien prejudiciële vragen zouden worden gesteld langs de gesuggereerde lijnen, dienen de antwoorden daarop eerst te worden afgewacht, alvorens de klacht uit subonderdeel 2.3 te bespreken.
subonderdeel 2.4klaagt SONT dat het hof in rov. 4.4-4.11 althans heeft miskend dat, ook voor zover de lidstaten de mogelijkheid hebben om op grond van art. 5 lid 2 onder Pro b Arl niet alleen een (algehele) uitzondering te maken op het exclusieve reproductierecht, maar ook om daarop (gedeeltelijke) beperkingen aan te brengen, het de lidstaten in ieder geval niet is toegestaan om reproducties met de kenmerken als genoemd in rov. 4.2 onder a-f uit te sluiten van de in nationale wetgeving opgenomen thuiskopie-exceptie. Het hof had art. 16c Aw dan ook richtlijnconform moeten uitleggen en offline streaming copies als thuiskopie moeten aanmerken, aldus het subonderdeel [148] .
Padawan, ACI Adam en Deckmyn [150] , maar licht niet toe waarom daaruit zou volgen, dat het ook in geval van een nationaal stelsel dat slechts beperkingen op het exclusieve reproductierecht wil implementeren conform art. 5 lid 2 sub b Arl Pro , het niet zou zijn toegestaan om offline streaming copies uit te sluiten van de nationale thuiskopie-exceptie. In de eerste twee arresten heeft het HvJEU geoordeeld dat het begrip ‘billijke compensatie’ in art. 5 lid 2 onder Pro b Arl een autonoom Unierechtelijk begrip is en uniform moet worden uitgelegd op het grondgebied van de Unie. In het
Deckmyn-arrest is hetzelfde geoordeeld met betrekking tot het begrip ‘parodie’ in art. 5 lid 3 onder Pro k Arl [151] . Dit betekent dat het de lidstaten niet vrij staat om de parameters van het begrip ‘billijke compensatie’ op incoherente, niet-geharmoniseerde en mogelijkerwijze van lidstaat tot lidstaat verschillende wijze nader in te vullen. Deze rechtspraak laat evenwel onverlet dat per lidstaat wél kan verschillen of zij een thuiskopieregeling invoeren, en zo ja, op welke wijze en met wat voor modaliteiten (een algehele uitzondering, of slechts een beperking van het exclusieve reproductierecht) [152] . Uit genoemde arresten volgt dat áls lidstaten een thuiskopieregeling hebben ingevoerd, zij ervoor dienen te zorgen dat billijke compensatie wordt betaald aan auteurs (rechthebbenden) die door die thuiskopieregeling worden benadeeld, en dat die billijke compensatie niet per lidstaat mag verschillen maar in de gehele Unie uniform moet zijn [153] . Ik zie dus niet waarom uit de genoemde arresten zou volgen dat de Nederlandse thuiskopieregeling niet offline streaming copies mag uitsluiten [154] .
hoedat daaruit zou volgen. In een stelsel waarin het lidstaten is toegestaan een beperking op het exclusieve reproductierecht in te voeren in plaats van een algehele uitzondering [156] , zoals SONT ook onderkent [157] , en lidstaten daarbij bovendien een ruime beoordelingsmarge hebben [158] , zie ik niet in waarom richtlijnconforme uitleg van art. 16c Aw geen commerciële opdrachtkopieën zou mogen uitsluiten.
de factouitsluiten van kopieën die via internet worden gemaakt, omdat in dat geval de kopieën vrijwel altijd door commerciële derden worden vervaardigd [162] . SONT noemt verschillende voorbeelden [163] .
Onderdeel 3richt een rechts- althans motiveringsklacht tegen de overweging ten overvloede in rov. 4.11. Het hof heeft daar geoordeeld dat voor de conclusie dat offline streaming copies niet kunnen worden aangemerkt als thuiskopieën in de zin van art. 16c Aw, ook pleit dat offline streaming copies een ander karakter hebben dan een thuiskopie, omdat de rechthebbende bij offline streaming copies de controle over de werken behoudt, nu hij zelf bepaalt welke werken aan abonnees ter beschikking worden gesteld, en zelf kan (doen) bewerkstelligen dat de toegang tot offline streaming copies wordt geblokkeerd of dat offline streaming copies worden verwijderd. Volgens de klacht is voor een thuiskopie niet vereist dat de rechthebbende (of de aanbieder van de streamingsdienst) de controle over de reproductie van het werk verliest. Evenmin is vereist dat een thuiskopie tot in lengte van jaren en onder alle omstandigheden moet kunnen blijven bestaan. Bovendien zijn offline streaming copies in de praktijk vrijwel even ‘duurzaam’ als de meer klassieke thuiskopie: het gebeurt vrijwel nooit dat een offline streaming copy wordt verwijderd, zoals SONT heeft aangevoerd, terwijl het hof niet het tegendeel heeft vastgesteld. Dat de rechthebbende al dan niet voorwaardelijk ‘toestemming’ geeft voor het maken van offline streaming copies , is verder zonder rechtsgevolg, zoals ook volgt uit de jurisprudentie van het HvJEU. Het maken van die kopieën is volgens het subonderdeel immers op grond van de wet toegestaan. Dit alles heeft het hof miskend met zijn overweging dat offline streaming copies een ander karakter hebben een thuiskopie, omdat de rechthebbende bij offline streaming copies de controle over de werken behoudt en dat dit ervoor pleit om deze niet als thuiskopie te zien. Dat is in ieder geval onvoldoende gemotiveerd in het licht van door het hof niet verworpen stellingname van SONT. Voor zover het hof relevant heeft geacht dat de rechthebbende (of de aanbieder van de streamingdienst) zelf bepaalt welke werken aan abonnees ter beschikking worden gesteld, heeft het hof miskend dat dit niet relevant is. Bovendien is het in dat geval zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk dat het hof relevant heeft geacht dat de rechthebbende (of de streamingsdienstaanbieder) zelf bepaalt welke werken aan abonnees ter beschikking worden gesteld. Volgens de klacht valt niet in te zien waarom die omstandigheid maakt dat offline streaming copies een ander karakter hebben dan een thuiskopie, nu het immers altijd een rechthebbende is die (uiteindelijk) bepaalt welke werken ter beschikking worden gesteld.
acte clairzal daartoe de beantwoording van de te stellen prejudiciële vragen (vgl. hiervoor in 3.113) moeten worden afgewacht.
omdathet een (potentieel) tijdelijke kopie is. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag.
(doen) bewerkstelligen” dat de toegang tot de tethered downloads wordt geblokkeerd of dat een kopie wordt verwijderd. Dit alles betekent dat het oordeel dat offline streaming copies een ander karakter hebben dan thuiskopieën omdat de rechthebbende de controle over de werken behoudt, ziet op het feit dat het bij offline streaming copies gaat om een normale exploitatievorm. Dat is relevant omdat thuiskopieën nu juist
nietonder de normale exploitatie van een rechthebbende vallen, maar aan die normale exploitatie schade kunnen toebrengen. Vandaar dat is bepaald dat voor kopieën die onder de thuiskopieregeling vallen een billijke compensatie aan rechthebbenden moet worden betaald. In het geval van offline streaming copies is geen ruimte voor die compensatiegedachte, omdat de rechthebbende juist wordt betaald voor het afspelen van offline streaming copies van zijn werken. Van een verkeerde rechtsopvatting in rov. 4.11 is geen sprake en van een motiveringsgebrek evenmin.
acte clairwordt aangenomen – eerst de beantwoording van de voorgestelde prejudiciële vragen af te wachten.
onderdeel 4dat gegrondbevinding van een of meer klachten uit de onderdelen 2 en/of 3 ook de daarmee samenhangende of daarop voortbouwende beslissingen in rov. 4.5-4.13, 6.1-6.2 en het dictum aantasten, behoeft in dit stadium geen afzonderlijke bespreking.