Conclusie
offlinekan afspelen. De Haagse rechtbank oordeelde dat offline streaming copies niet als thuiskopie kwalificeren volgens art. 16c lid 1 Aw. . Het Haagse Hof heeft daarentegen geoordeeld dat kopieën die een professionele/commerciële opdrachtnemer voor een natuurlijk persoon maakt niet onder de thuiskopieregeling van art. 16c Aw vallen en dat offline streaming copies dergelijke opdrachtkopieën zijn, zodat zij niet kunnen worden verdisconteerd in de thuiskopieheffing. Thuiskopie klaagt in cassatie over het oordeel dat offline streaming copies niet kwalificeren als thuiskopieën volgens art. 16c Aw [1] (onderdelen 1-2) en dat een onbegrijpelijk oordeel is gegeven over het makerschap van de offline streaming copy (onderdeel 3) en een onjuist en onbegrijpelijk oordeel over het andere karakter van zo’n kopie (onderdeel 4) Onderdeel 5 klaagt over het oordeel dat de rechthebbende betaling ontvangt voor offline streaming copies en onderdeel 6 is een veegklacht
.De positie van Thuiskopie is heel kort gezegd dat het offline streaming proces geen commerciële opdrachtkopie is, maar het door de gebruiker van die dienst benutten van een faciliteit die de commerciële dienstverlener verschaft aan de gebruiker om zelf die offline kopie te maken. De vraag of de hofuitleg van art. 16c Aw en het oordeel dat offline streaming copies geen thuiskopieën zijn verenigbaar zijn met art. 5 lid 2 sub b Auteursrechtrichtlijn Pro (Arl), waarvan art. 16c Aw de implementatie vormt, lijkt mij, ondanks tamelijk overvloedige jurisprudentie van het Hof van Justitie (HvJEU) over deze richtlijnbepaling, geen
acte éclairé, maar mogelijk wel een
acte clair. Omdat hierover gerede twijfel mogelijk is, concludeer ik zekerheidshalve tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU.
Deze zaak hangt samen met zaak 22/02230, waarin SONT in cassatie komt tegen hetzelfde hofarrest als in de onderhavige zaak en waarin ik vandaag overeenkomstig concludeer. Onderdeel 1 van het cassatiemiddel van Thuiskopie komt overeen met onderdeel 2 van het middel van SONT (offline streaming copies zijn wel thuiskopieën in de zin van art. 16c Aw), terwijl onderdelen 2 en 3 van Thuiskopie ook congrueren met onderdeel 2 van SONT, met dien verstande dat subonderdeel 2.4 van SONT meer algemeen klaagt dat offline streaming copies niet mogen worden uitgesloten op grond van de Auteursrechtrichtlijn, terwijl subonderdelen 2.3 en 2.4 van het Thuiskopieberoep het oordeel in rov. 4.7 aanvallen dat de gestelde extra eis dat geen sprake mag zijn van commerciële opdrachtkopieën aansluit bij tekst en doelstelling van de Auteursrechtrichtlijn. Onderdeel 4 van Thuiskopie over rov. 4.11 is vergelijkbaar met onderdeel 3 van SONT en onderdeel 5 van Thuiskopie over rov. 4.1 ontbreekt in het middel van Sont, zoals onderdeel 1 van SONT (grenzen rechtsstrijd) ontbreekt in het middel van Thuiskopie. De cassatieberoepen in beide zaken stemmen zodoende in sterke mate overeen.
Als vergoedingsplichtig mee te nemen herkomstcategorieën’ staan als voor het SONT-besluit 2018 mee te nemen herkomstcategorieën onder meer vermeld:
Cloud’ is in het SONT-besluit 2018 het volgende vermeld:
offline streaming copies;
4. Vordering I: offline streaming copies/tethered downloads
offline streaming copiesgaat het om
downloads/copiesdie offline (buiten internet om, dus op het apparaat zelf) beschikbaar worden gesteld in het kader van een betaalde streamingdienst, meer in het bijzonder een streamingdienst die zich erdoor kenmerkt dat de aanbieder van die dienst de zeggenschap over het voortbestaan van de kopie behoudt, de gebruiker deze niet verder kan gebruiken en dat de rechthebbende wordt betaald. Het voordeel van deze faciliteit is dat de abonnee van een betaalde streamingdienst (bijvoorbeeld Spotify) deze gedownloade
copiesook kan afspelen wanneer er geen internettoegang is. Streamen is namelijk alleen mogelijk bij internettoegang. In het SONT-besluit 2018 zijn
offline streaming copiesaangeduid als: ‘
betaalde downloads streaming dienst’ (zie o.m. punt 17 ID en punt 4.1 CvA-S). In hoger beroep zijn partijen deze downloads ‘
tethered downloads’ gaan noemen, en het hof zal deze term overnemen De aanbieder van de streamingsdienst die
tethered downloadsmogelijk maakt zal hierna de ‘aanbieder’ worden genoemd, de gebruiker van die dienst, doorgaans een natuurlijke persoon/particulier, zal ook worden aangeduid als: de ‘gebruiker’.
tethered downloadniet een ‘thuiskopie’ is, dus niet een kopie die door een natuurlijke persoon voor een louter persoonlijk doeleinde wordt gemaakt, zie de punten 18-20 MvG. Ter onderbouwing van dit betoog heeft HP c.s. het volgende gesteld over de gang van zaken in het geval de gebruiker gebruik maakt van de
tethered download-faciliteit binnen zijn betaalde streaming-abonnement (zie de punten 4, 8, 9, 19 en 20 MvG):
tethered downloadwordt aangeboden als integraal onderdeel van de abonnementsdienst van de aanbieder, zodat de aanbieder daar een commercieel doel mee heeft;
download’ – aan welke downloadbare werken (muziek, films, kortweg ‘content’) hij
offlineals
tethered downloadster beschikking wil hebben;
device(bijvoorbeeld een smartphone) van de gebruiker, die dat deel aan de aanbieder ter beschikking heeft gesteld. De gebruiker bepaalt de opslaglocatie niet en heeft daarin zelf geen enkele keuzevrijheid of bewegingsruimte. Hij kan de content ook niet ergens anders neerzetten;
devicevan de gebruiker opgeslagen content automatisch verwijderd.
tethered downloadniet een thuiskopie is omdat deze niet door een natuurlijk persoon voor een persoonlijk doel wordt gemaakt, maar door een aanbiedere [lees: aanbieder, A-G] met een commercieel doel (zie punt 20 MvG) – aangevoerd dat er sprake is van inmenging van de aanbieder die een commercieel oogmerk heeft, en dat daarom die reproductie buiten het bereik van artikel 16c Aw valt. Daaraan heeft zij, in punt 32 PA-H en naar aanleiding van een vraag van het hof, toegevoegd dat een aanbieder als Spotify de kopie in opdracht van de gebruiker maakt.
Wel wordt benadrukt dat de regeling niet uitsluit dat een ander ten behoeve van de natuurlijke persoon de reproductie vervaardigt. (…). Dit moet aldus worden verstaan dat een kopie gemaakt in opdracht dus kan zijn toegelaten maar ook dat een privé-kopie niet slechts rechtmatig is indien de natuurlijke persoon voor wie de kopie is bestemd, deze kopie ook daadwerkelijk en zonder inschakeling van anderen zelf maakt.Het kan tegelijkertijd niet zo zijn dat een opdrachtnemer, direct of indirect, met oogmerk handelt. In dat geval is niet van een toegelaten privé-kopie sprake’.
(…). Bedoeld is dat een privé-kopie slechts onder bepaalde voorwaarden is toegestaan, namelijk wanneer het gaat om een kopie voor eigen oefening, studie of gebruik, zonder direct of indirect commercieel oogmerk.Dat sluit uit dat dergelijke kopieën in opdracht door een professionele opdrachtnemer worden gemaakt.Anderzijds wil de regeling ook niet in het privé-domein van de gebruiker treden door bijvoorbeeld het maken van een privé-kopie door een familielid zonder commercieel oogmerk te verbieden. (…)’.
Artikel 16c
VG Wort, en ook punt 37 van de conclusie van de Advocaat-Generaal bij dit arrest. Nederland mag dus extra eisen stellen aan een thuiskopie, waarbij van belang is dat de hier aan de orde zijnde extra eis, dat de kopie niet door commercieel/bedrijfsmatige opdrachtnemer mag worden gemaakt, in ieder geval aansluit bij de tekst en doelstelling van artikel 5 lid Pro 2 b) Arl – zo die eis daar niet al in ligt besloten of daaruit niet al voortvloeit – zodat die voorwaarde niet incoherent is en niet een ongerechtvaardigd verschil in behandeling oplevert.
tethered downloadin gang zet – zie het aldaar onder b) vermelde feit – en dat het de aanbieder is die dat kopieerproces vervolgens feitelijk uitvoert en voltooit. Dit handelen van de aanbieder vindt plaats naar aanleiding van een signaal van de gebruiker (het drukken op de knop ‘download’) om dat te gaan doen. Dit betekent dat de aanbieder in opdracht van de gebruiker handelt. Niet betwist is dat de aanbieder hierbij met een commercieel oogmerk handelt.
tethered downloads, valt niet in te zien. Bij de
tethered downloadsituatie zet de gebruiker het kopieerproces in gang, en bij de DVD/CD-kopieer-situatie niet, maar dit geringe verschil kan in het licht van het feit dat in beide situaties sprake is van een opdracht, geen gewicht van betekenis in de schaal leggen.
tethered downloadniet een thuiskopie in de zin van artikel 16c Aw is.
tethrered[lees: tethered, A-G]
downloadeen ander karakter heeft dan een thuiskopie omdat de rechthebbende de controle over de werken behoudt. Hij bepaalt niet alleen zelf welke werken aan abonnees ter beschikking worden gesteld, maar kan ook zelf (doen) bewerkstelligen dat de toegang tot de
tethered downloadswordt geblokkeerd of dat een download wordt verwijderd.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Subonderdeel 1.1richt een rechtsklacht tegen rov. 4.5 en 4.6 waarin het hof heeft geoordeeld dat uit de parlementaire geschiedenis volgt dat art. 16c Aw zo moet worden uitgelegd dat van een thuiskopie geen sprake is als deze wordt gemaakt door een ander in opdracht van een natuurlijke persoon en die ander daarbij met commercieel oogmerk heeft/professioneel handelt.
Subonderdeel 1.3 [6] richt een rechts- en motiveringsklacht tegen rov. 4.9 waarin het hof heeft geoordeeld dat de Nederlandse wetgever bij de uitsluiting van de thuiskopieregeling van opdrachtkopieën gemaakt door professionele/commerciële opdrachtnemers ook het oog had op de situatie die aan de orde is bij offline streaming copies.
Subonderdelen 2.1 en 2.2richten rechtsklachten tegen het oordeel in rov. 4.7 dat in het midden kan blijven of art. 5 lid 2 onder Pro b Arl aan de hoedanigheid van een thuiskopie de eis stelt dat deze niet door een commercieel/bedrijfsmatig handelende opdrachtnemer is vervaardigd.
Subonderdelen 2.3 en 2.4richten respectievelijk een rechts- en motiveringsklacht tegen het oordeel in rov. 4.7 dat de eis dat de kopie niet mag zijn gemaakt door een commercieel/bedrijfsmatige handelende opdrachtnemer aansluit bij de tekst en doelstelling van art. 5 lid 2 onder Pro b Arl, zo die eis daar al niet in besloten ligt of daar niet al uit voortvloeit, zodat die voorwaarde niet incoherent is en geen ongerechtvaardigd verschil in behandeling oplevert.
Onderdeel 3richt een motiveringsklacht tegen het oordeel in rov. 4.8 dat de gebruiker het kopieerproces van offline streaming copies in gang zet, dat het de streamingdienstaanbieder is die het kopieerproces feitelijk uitvoert en voltooit en dat die aanbieder in opdracht handelt van de gebruiker.
Subonderdelen 4.1 en 4.2bevatten een rechts- respectievelijk motiveringsklacht tegen het oordeel in rov. 4.11 dat een offline streaming copy een ander karakter heeft dan een thuiskopie omdat de rechthebbende de controle over de werken behoudt.
Onderdeel 5behelst een rechts- en motiveringsklacht tegen het oordeel in rov. 4.1 dat de rechthebbende voor een offline streaming copy wordt betaald.
Onderdeel 6bevat een loutere veegklacht.
onderdeel 1klaagt Thuiskopie dat het oordeel in rov. 4.10 en het dictum dat offline streaming copies niet als thuiskopie in de zin van art. 16c Aw kwalificeren en dat daarvoor geen billijke compensatie is verschuldigd, onjuist is. Offline streaming copies voldoen namelijk aan de voorwaarden van een thuiskopie als bedoeld in art. 16c Aw, zoals dat moet worden uitgelegd volgens art. 5 lid 2 onder Pro b Arl. Het zijn namelijk reproducties, op een voorwerp bestemd om een werk ten gehore te brengen, te vertonen of weer te geven, gemaakt door natuurlijke personen voor privégebruik en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk.
de minimis’ argument voor de thuiskopieregeling lijkt daarmee niet meer onverkort op te gaan [17] . Desalniettemin heeft die ontwikkeling geen einde gemaakt aan de thuiskopieregeling in het digitale tijdperk. Er zijn andere, zowel praktische als rechtspolitieke, gronden ter rechtvaardiging van de thuiskopieregeling. Zo is het handhaven van een verbod op kopiëren voor eigen gebruik door particulieren praktisch hoogst bezwaarlijk en wordt het ook – meer principieel – bezwaarlijk geacht in verband met de privacy van natuurlijke personen [18] . Daarnaast speelt bij de uitzondering voor privékopiëren ook het grondrecht op informatievrijheid van art. 10 EVRM Pro een rol [19] .
normale exploitatievan werken of ander materiaal en de wettige belangen van de rechthebbende niet onredelijk worden geschaad (de zogenoemde ‘driestappentoets’, die hierna in 3.53 e.v. nader aan de orde komt) [35] . Ook wordt onder ogen gezien dat de Auteursrechtrichtlijn geen criterium bevat om beperkingen te kiezen die inspelen op de behoefte van de informatiemaatschappij. De regering heeft daarom bij de uitvoering van art. 5 Arl Pro zelf enkele uitgangspunten geformuleerd [36] .
in opdrachteen privé-kopie te maken:
de regeling niet uitsluit dat een ander ten behoeve van de natuurlijke persoon de reproductie vervaardigt.De Europese Commissie heeft in haar advies van 3 april 2001 over de amendementen van het Europees Parlement gesteld dat de woorden «gemaakt» door in artikel 5 lid 2 sub Pro [lees: b, A-G] ook het kopiëren voor en namens een natuurlijke persoon voor privé-gebruik kunnen dekken. Dit moet aldus worden verstaan
dat een kopie gemaakt in opdracht dus kan zijn toegelaten maar ook dat een privé-kopie niet slechts rechtmatig is indien de natuurlijke persoon voor wie de kopie is bestemd, deze kopie ook daadwerkelijk en zonder inschakeling van anderen zelf maakt. Het kan tegelijkertijd
nietzo zijn dat een opdrachtnemer, direct of in indirect,
met commercieel oogmerkhandelt. In
dat geval is niet van een toegelaten privé-kopie sprake.” [40] [onderstrepingen toegevoegd, A-G]
Door een amendement van het Europese Parlement zijn in artikel 5, tweede lid, onderdeel b, van de richtlijn de woorden «voor privé-gebruik door een natuurlijke persoon» vervangen door de woorden «gemaakt door een natuurlijk persoon voor privé-gebruik».De Europese Commissie heeft in haar reactie daarop gesteld dat de woorden «gemaakt door» ook het kopiëren voor en namens een natuurlijke persoon voor privé-gebruik kunnen dekken. Volgens de Europese Commissie zou dit ook inhouden dat mocht de begunstigde van de onderhavige beperking niet zelf over de noodzakelijke apparatuur voor het maken van een reproductie beschikken, de technische of andere middelen voor het maken daarvan worden verstrekt (COM (2001) 170 def).” [43] [onderstreping A-G]
Bedoeld is dat een privé-kopie slechts onder bepaalde voorwaarden is toegestaan, namelijk wanneer het gaat om een kopie voor eigen oefening, studie of gebruik, zonder direct of indirect commercieel oogmerk. Dat sluit uit dat dergelijke kopieën in opdracht door een professionele opdrachtnemer worden gemaakt.Anderzijds wil de regeling ook
niet in het privé-domein van de gebruiker treden door bijvoorbeeld het maken van een privé-kopie door een familielid zonder commercieel oogmerk te verbieden. Het kopiëren in opdracht van een virtuele vriendenkring, een situatie die de leden van de PvdA-fractie schetsen, valt buiten het bereik van de regeling en zal dus niet zijn toegestaan. Om de bedoeling van de bepaling tot uitdrukking te brengen, is het beter niet te spreken van het kopiëren van enkele exemplaren en opdracht.
Bij nota van wijziging is de reactie van het lid in deze zin aangepast.”
Het beschikbaar stellen van dergelijke apparatuur door die instellingen[bibliotheken, musea en archieven, A-G], waarmee natuurlijke personen in de gelegenheid worden gesteld om op grond van artikel 16c van het wetsvoorstel voor hun eigen oefening studie of gebruik kopieën te vervaardigen,
is op zichzelf beschouwd toegestaan. Artikel 16c van het wetsvoorstel staat er evenwel aan in de weg dat die instellingen ook in opdracht van natuurlijke personen kopieën gaan vervaardigen.” [50] [onderstrepingen toegevoegd, A-G]
nietkopieën die
in opdrachtvan een natuurlijke persoon zijn gemaakt door een opdrachtnemer die direct of indirect met
commercieel oogmerkhandelt.
nietkopieën die in opdracht van een natuurlijke persoon zijn gemaakt door instellingen als bibliotheken, musea en archieven en (andere)
professionele opdrachtnemers.
nietis beoogd het kopiëren in opdracht in het privé-domein
vollediguit te sluiten van de thuiskopieregeling. De bedoeling was immers enerzijds om uit te sluiten dat opdracht-kopieën door een professionele opdrachtnemer konden worden gemaakt, maar anderzijds zat ook duidelijk voor dat het niet de bedoeling was om in het privé-domein van de gebruiker te treden door bijvoorbeeld het maken van een privé-kopie door een familielid zonder commercieel oogmerk te verbieden. Díe bedoeling heeft de wetgever beter tot uitdrukking willen brengen door helemaal niet meer van opdracht te spreken in art. 16c Aw [57] . Ook in de nieuw voorgestelde bepaling is dus volgens de bedoeling van de wetgever wél toegestaan dat
een familielid zonder commercieel oogmerk in opdrachteen thuiskopie maakt, ook al werd dat niet meer met zoveel woorden in de tekst tot uitdrukking gebracht. Uitdrukkelijk uitgesloten was evenwel het kopiëren
in opdracht van een virtuele vriendenkring(waarmee de wetgever dus niet helemaal terugtrad uit het privé-domein). Voor deze zaak maakt deze nuancering denk ik niet uit, omdat ik het met genoemde auteurs eens ben
dat in ieder geval kopieën gemaakt door professionele en/of commerciële opdrachtnemersniet onder de Nederlandse thuiskopieregeling vallen.
technologieneutrale formuleringen [59] en uit de beschouwingen over technische beschermingsmaatregelen die kopiëren in de privésfeer (in de toekomst) mogelijk zouden kunnen controleren en reguleren [60] . De wetgeving was dan ook bedoeld om technische ontwikkelingen in de toekomst te kunnen opvangen. Dit betekent dat voor de vraag of offline streaming copies als thuiskopie kwalificeren kan worden bezien wat de ratio is van de thuiskopieregeling.
reproductievan dit materiaal, met welke middelen of in welke vorm ook (‘het reproductierecht’).
VG Wort-arrest schrijft A-G Sharpston dat het facultatieve karakter van de beperkende maatregelen aan lidstaten een zekere handelingsvrijheid geeft [65] : verdergaande beperkingen dan toegestaan in art. 5 leden Pro 2 en 3 Arl zijn niet richtlijnconform, maar minder vergaande maatregelen wel. Een voorbeeld van het eerste is dat een lidstaat níet met een beroep op art. 5 lid 2 sub b Arl Pro alle door een natuurlijke persoon op enige drager gemaakte reproducties mag uitsluiten zonder te onderscheiden naar het oogmerk waarvoor deze reproducties worden gemaakt. Dat gaat verder dan art. 5 lid 2 sub b Arl Pro toestaat, omdat het moet gaan om reproducties zonder commercieel oogmerk. Een toegestane beperking die minder ver gaat dan mogelijk zou zijn, is een regeling die ziet op reproducties door particulieren op papier voor persoonlijke studie; daarin zijn de elementen ‘op welke drager dan ook’ en ‘privé-gebruik zonder commercieel oogmerk’ vernauwd ten opzichte wat de richtlijn mogelijk maakt. Lidstaten kunnen dus niet alleen kiezen
of, maar binnen zekere grenzen ook
hoezij de uitzonderingen uit art. 5 lid 2 sub b Arl Pro implementeren [66] .
VG Wortzijn
minder vergaande maatregelen(opdrachtkopieën door commerciële/professionele opdrachtgevers vallen
buitende thuiskopieregeling en dus onder het ‘gewone’ reproductierecht van de rechthebbende) die dus
minder beperkingen op het reproductierechtvan de rechthebbende opleveren,
welrichtlijnconform. Het is goed dat in het achterhoofd te houden bij de nu volgende verdere analyse [67] .
acte clair(hierna uitgewerkt in 3.71).
Padawan [69] uit 2010 is een aantal principiële vragen beantwoord over de aard, vorm en berekeningsgrondslag van de thuiskopieheffing. Allereerst is daarin echter beslist dat ‘billijke compensatie’ uit art. 5 lid 2 sub b Arl Pro een autonoom Unierechtelijk begrip is dat uniform moet worden uitgelegd in alle lidstaten die een privékopie-uitzondering hebben ingevoerd. Dat geldt ongeacht de bevoegdheid van lidstaten om binnen de door het Unierecht gestelde grenzen vorm, financierings- en inningswijze en niveau van de billijke compensatie te bepalen, die bedoeld is als vergoeding van de door de auteur geleden schade door privékopieën (punt 33). Uitgangspunt is volgens
Padawandat de ‘billijke vergoeding’ moet worden gezien als ‘vergoeding van de door de auteur geleden schade’ (punt 40). De principiële vraag was of dat kon in de vorm van een
heffingstelselen het hof oordeelt dat dat in beginsel kan. In het arrest is uiteengezet dat het gaat om het vinden van een ‘rechtvaardig evenwicht’ tussen de rechten en belangen van de auteurs die een billijke compensatie moeten ontvangen en die van de gebruikers van beschermd materiaal (punt 43 onder verwijzing naar de considerans van de Arl onder 31). Dat hoeft niet te betekenen dat de heffing moet worden opgelegd aan de privékopieerders zelf (hetgeen wel het uitgangspunt is volgens het Hof in punt 45). De lidstaten kunnen voorzien in een systeem waarbij de financiering van de billijke compensatie niet door de betrokken particulieren geschiedt, maar door degenen die over kopieerapparatuur beschikken en die ter beschikking stellen van particulieren of voor hen reproductiediensten verrichten (punt 46). Betalingsplichtigen kunnen de privékopieheffing in de onderzochte Spaanse regeling op zich doorberekenen in de prijs van terbeschikkingstelling van de kopieerapparatuur (punt 48), zodat de privé-gebruikers uiteindelijk de last dragen. Ook daarmee kan dit ‘rechtvaardige evenwicht’ volgens het Hof worden bereikt (punten 49 en 50). Beslissende maatstaf voor het opleggen van de heffing is volgens punt 56 het ‘vermoedelijke gebruik’, wat af te leiden valt uit de geschiktheid van apparatuur en dragers en de beschikbaarheid daarvan voor het algemene publiek. Het is niet toegestaan een heffing te leggen op apparatuur en dragers die evident bedoeld zijn voor ander gebruik dan het kopiëren voor privégebruik, zoals gebruik door professionele muzikanten en geluidsstudio’s.
Thuiskopie/Opus [70] van een jaar later is hierop gevarieerd met de beslissing dat de billijke compensatie ook kan worden geïnd bij de verkoper die in een andere lidstaat woont dan de afnemers van de informatiedragers. Opus uit Duitsland verhandelde via internet blanco informatiedragers voornamelijk gericht op Nederlandse klanten, zonder daarvoor in Duitsland of Nederland heffingen af te dragen. De heffingsplicht mocht van het Hof hier worden gelegd op de vanuit Duitsland opererende internethandelaar Opus.
VCAST [71] uit 2017 vaste rechtspraak.
VG Wort-arrest uit 2013 gaat over de Duitse thuiskopieregeling. Onder verwijzing naar
Padawanmemoreert het Hof eerst dat het bij een billijke compensatie voor thuiskopiëren gaat om schadevergoeding die makers door dat thuiskopiëren leiden, hetgeen van belang is voor de uitleg van art. 5 Arl Pro (punten 31-32). Lidstaten hebben ruimte om de uitzonderingen op het reproductierecht uit leden 2 en 3 van art. 5 Arl Pro met variaties en gradaties te regelen binnen de toegestane mogelijkheden (punten 34 en 36). Dat is een belangrijk aspect voor onze zaak; zie hiervoor in 3.33.
ACI Adamuit 2014. Daarin is geoordeeld dat art. 5 lid 2 sub b Arl Pro (in samenhang met art. 5 lid 5 Arl Pro) in de weg staat aan een nationale regeling die privé-kopiëren uit ongeoorloofde bron toestaat, zoals tot dan toe in Nederland het geval was [72] . De uitzondering van art. 5 lid 2 Arl Pro op het reproductierecht moet restrictief worden uitgelegd (punten 22, 23 en 30). Dat is blijkens
Copydan [73] van een jaar later vaste rechtspraak. Alle wettelijke beperkingen (zoals art. 16c Aw) moeten voldoen aan de driestappentoets uit art. 5 lid 5 Arl Pro (punten 24-25 en 38-41; dit komt nog nader aan bod in 3.67-3.79); vgl. ook art. 13 TRIPs Pro): slechts in bijzondere gevallen toepasselijk, op voorwaarde dat daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van werken en de wettige belangen van de rechthebbende niet onredelijk worden geschaad; de driestappentoets dient volgens het Hof te worden gezien als nadere afbakening van de in art. 5 lid 2 van Pro de Arl categoraal toegestane wettelijke beperkingen (punt 25). Daarbij leidt het Hof uit considerans 44 van de Arl af dat wettelijke beperkingen in een digitale omgeving grotere economische gevolgen hebben, zodat die nog beperkter moeten worden toegepast, wanneer het gaat om bepaalde nieuwe vormen van gebruik van beschermde werken [74] , terwijl nergens uit de richtlijn blijkt dat lidstaten het toepassingsgebied van uitzonderingen en beperkingen kunnen uitbreiden (punt 27). Een doelstelling van de richtlijn is dat de uitzonderingen van de richtlijn een evenwicht moet verzekeren tussen de rechtstradities van de lidstaten en een goed functionerende interne markt (considerans 32 Arl). Dit brengt mee dat wanneer lidstaten een uitzondering implementeren, zij die coherent moeten toepassen, zodat geen afbreuk wordt gedaan aan de nagestreefde doelstellingen, zoals het verzekeren van een goede werking van de interne markt (punten 33-34). Ook in dit arrest komt terug dat een andere doelstelling van de richtlijn die van belang is bij de uitleg van restricties, is dat deze een rechtvaardig evenwicht nastreeft tussen enerzijds de belangen en rechten van auteurs en anderzijds de rechten en belangen van gebruikers van beschermd materiaal (considerans 31 Arl, punten 53-57).
Copydan-arrest uit 2015, een casuïstische zaak over thuiskopievergoeding voor reproducties gemaakt met geheugenkaarten van mobiele telefoons (die een intern geheugen hebben (volgens Deens recht niet heffingsplichtig), maar daarnaast over een uitneembare geheugenkaart (wel onder de Deense heffing vallend) beschikken) waarbij onduidelijk is of daarbij het maken van privékopieën de voornaamste functie is of niet, is als vaste rechtspraak bevestigd dat lidstaten een ruime beoordelingsmarge hebben om de verschillende aspecten van een billijk compensatiestelsel in te richten, voor zover de bepalingen van de richtlijn deze kwestie niet nader regelen. Het is aan de lidstaten om te bepalen wie deze compensatie moet betalen en ook om de vorm, de modaliteiten en het niveau ervan aan te geven [75] . Onder verwijzing naar
Padawanleert het Hof dat voor een privé-kopieheffing volstaat dat met dragers privé-kopieën
kunnenworden gemaakt en de dragers aan particulieren ter beschikking zijn gesteld (ongeacht of er
daadwerkelijkprivé-kopieën worden gemaakt, punten 24-25). Multifunctionaliteit en de secundaire aard van de reproductiefunctie kunnen wel de hoogte van de vergoeding beïnvloeden en dat kan ook tot een nihil-heffing leiden (27-29); wanneer dragers of apparaten nauwelijks voor privekopiëren worden gebruikt, is een thuiskopievergoeding niet verplicht (aldus punt 28; zie ook punt 72).
Copydanis verder uitgemaakt dat de lidstaten bij een thuiskopieregeling niet
zonder rechtvaardigingonderscheid kunnen maken tussen de verschillende categorieën marktdeelnemers die handelen in vergelijkbare goederen waarop de uitzondering voor het kopiëren voor privégebruik ziet, of tussen de verschillende categorieën gebruikers van beschermd materiaal (gelijke behandeling, punten 32-33). Dit gebeurde in de onderwerpelijke Deense regeling wel, waarin een onderscheid werd gemaakt tussen dragers waarvoor wel en waarvoor geen thuiskopieheffing gold. Een rechtvaardiging voor zo’n onderscheid kan erin bestaan dat de rechthebbenden voor de dragers die zijn uitgesloten van de compensatieregeling een
andere vorm van compensatieontvangen (punt 40). A-G Hogan meent in zijn conclusie uit 2021 voor
Austro-Mechana/Strato [76] dat dezelfde benadering behoort te gelden voor diensten. Verder is in
Copydanuitgewerkt hoe een terugbetalingsregeling in elkaar moet zitten als ten onrechte een thuiskopieheffing is opgelegd in bepaalde gevallen (aan handelaren in plaats van particulieren). Iets soortgelijks over een recht op terugbetaling wanneer de apparatuur of gegevensdrager door de uiteindelijke verwerver wordt gebruikt op een manier die niet onder art. 5 lid 2 onder Pro b Arl was al bekend uit
Amazon/Austro Mechana [77] over de Oostenrijkse thuiskopieregeling. Ook is in
Copydanuitgemaakt dat een vrijstelling van een thuiskopieheffing voor
de minimisgevallen mogelijk is (punten 56-62). Een ander aspect uit
Copydanis dat de vraag kan zijn of er ruimte is voor een thuiskopieheffing voor thuiskopieën waarvoor al langs andere weg was betaald (er dus al toestemming was van de rechthebbende). Onder verwijzing naar
VG Wortleert
Copydanin punten 65-67 (anders dan A-G Cruz Villalón had voorgesteld in zijn conclusie onder 58-65) dat toestemming voor het maken van privékopieën nooit rechtsgevolg kan hebben voor de vraag of een thuiskopieheffing mogelijk is, met als resultaat dat veel rechthebbenden voor privékopieën een dubbele vergoeding incasseren (NJ-annotator Hugenholtz noemt als voorbeeld: van iTunes en uit de thuiskopieheffing) en dat een gebruiksvoorwaarde die privékopiëren verbiedt in lidstaten met een privékopie-exceptie ongeldig is. Hugenholtz typeert dit in zijn noot als een dwingendrechtelijke status van art. 16c Aw. Ik blijf dit een vrij duistere weg vinden die in
VG Wortis ingeslagen, maar die wordt ondanks een contraire conclusie in
Copydanbevestigd. Zoals ook al in
VG Wortaan de orde was geweest, rees in
Copydanopnieuw de vraag hoe het dan zit met ‘technische beschermingsmiddelen’, zoals bijvoorbeeld een kopieerslot. Dat leidt volgens het hof weliswaar niet tot verval van de vergoedingsaanspraak, zoals we al wisten uit
VG Wort, maar in
Copydanis genuanceerd dat dat voor de hoogte van de thuiskopieheffing wel gevolgen kan hebben (punt 72). Belangrijker voor onze zaak is wat het Hof leert over de vraag of een thuiskopieheffing mogelijk is voor thuiskopieën gemaakt door een particulier vanaf of met behulp van een inrichting die aan een derde toebehoort. De tekst van art. 5 lid 2 onder Pro b Arl leert niets over inrichtingen waarmee privékopieën worden vervaardigd en of daar van belang is of de maker van privékopieën dat op apparatuur doet in diens eigendom of meer algemeen wat het rechtskarakter is van de betreffende verhouding tussen de kopieerinrichting en de particulier die privékopieert (punt 86). Herhaald wordt in dit verband dat uitzonderingen als in art. 5 lid 2 onder Pro b restrictief moeten worden uitgelegd (punt 87) en dat de richtlijn slechts bepaalde aspecten van het auteursrecht harmoniseert (punt 88 onder verwijzing naar punt 35 uit
Padawan). Doordat art. 5 lid 2 onder Pro b Arl niets vermeldt over de hier besproken vraag, is door de Uniewetgever te kennen gegeven dat ‘deze niet van belang zijn voor het doel waarnaar hij met de gedeeltelijke harmonisatie streeft’ (punt 88). Of de inrichting die een particulier gebruikt voor het maken van kopieën voor privégebruik aan hem moet toebehoren of ook aan een derde kan toebehoren, valt volgens het Hof daarom niet binnen de werkingssfeer van art. 5 lid 2 sub b Arl Pro (punt 89). De Commissie had hier ook een koppeling tussen art. 5 lid 5 en Pro art. 5 lid 2 onder Pro b Arl bepleit, maar dat verwerpt het Hof expliciet (punt 90): lid 5 is volgens het Hof ‘namelijk niet bedoeld om effect te hebben op de materiële inhoud van de onder […] lid 2 […] van deze richtlijn vallende bepalingen, en met name niet om de reikwijdte van de daarin voorziene beperkingen en restricties uit te breiden (zie
ACI Adam e.a., ECLI:EU:C:2014:254, punt 26)’.
VCASTen
Austro-Mechana/Stratowas aan de orde hoe de regeling van art. 5 lid 2 sub b Arl Pro zich verhoudt tot reproductiedienstverlening met behulp van de
cloud. In beide zaken was bovendien sprake van dienstverlening van derden. Dat komt het dichtst in de buurt van hetgeen in onze zaak aan de orde is.
cloudvan terrestrisch – dat wil zeggen met hertzgolven via een zendmast – uitgezonden programma’s van (met name) RTI, een Italiaanse televisieomroep [78] . De klant koos daarbij op de website van VCAST een concrete uitzending uit het aanbod van televisiekanalen, het systeem van VCAST ving vervolgens met behulp van eigen antennes het televisiesignaal op en nam de gekozen uitzending op in de door de gebruiker in de
cloudaangegeven opslagruimte [79] . De klant kon vervolgens op ieder gewenst moment het voor hem opgenomen televisieprogramma terugkijken; hij beschikte over een kopie in de
cloud.
cloudprivé-kopieën worden opgeslagen, waarbij die commerciële ondernemingen actief tussenkomen bij de opname van die kopieën (punt 54).
VCAST-arrest [80] is A-G Szpunar daar op ingegaan (onder 23-28). Hij onderscheidt twee soorten dienstverlening door derden: terbeschikkingstelling van opslagcapaciteit enerzijds en het maken van reproducties anderzijds. Voor bezit en terbeschikkingstelling van opslagcapaciteit is de Unierechtspraak volgens hem vrij duidelijk: lidstaten zijn bevoegd om compensatie te innen bij personen die gegevensdragers of opnameapparatuur aan het publiek ter beschikking stellen en er is geen principieel bezwaar om dit ook te doen wanneer die terbeschikkingstelling geschiedt in de
cloud(onder 24). Hij vindt hiervoor steun in
Copydan,dat de billijke compensatie voor thuiskopieën betrekking kan hebben op reproducties die zijn vervaardigd door een natuurlijke persoon met behulp van een inrichting die aan een derde toebehoort.
cloudde tussenkomst van een derde nodig is, of het nu gaat om de aanbieder van die opslagruimte of een andere persoon. Wanneer de gebruiker namelijk een begin maakt met de reproductie, wordt, min of meer automatisch, een aantal processen in gang gezet die leiden tot een vervaardiging van een kopie van het werk in kwestie. Het enkele feit dat een derde tussenkomt op een wijze die verder gaat dan het eenvoudigweg ter beschikking stellen van gegevensdragers of apparatuur, maakt volgens hem nog niet dat die reproductie moet worden uitgesloten van de werkingssfeer van de thuiskopieregeling. Zolang het de gebruiker zelf is die het initiatief neemt om een reproductie te maken en het voorwerp ‘en de overige voorwaarden bepaalt’ [81] , ziet hij geen relevant verschil tussen die handeling en een reproductie die wordt vervaardigd door diezelfde gebruiker met behulp van apparatuur die hij rechtstreeks kan bedienen. Hij roept in herinnering dat volgens
Padawanal uitdrukkelijk is toegestaan dat de billijke compensatie betrekking heeft op reproducties die zijn vervaardigd in het kader van het aanbieden van reproductiediensten.
elketussenkomst van derden is uitgesloten in de huidige tijd voor problemen zorgen. Tegenwoordig wordt namelijk niet alleen opslagruimte door derden aangeboden, maar ook de software die nodig is om een reproductie te maken. De reproductie waarbij een werk op een aan de betrokken gebruiker toebehorende stoffelijke gegevensdrager, bijvoorbeeld een CD, op de harde schijf van zijn computer wordt gekopieerd (een handeling die bij uitstek onder de uitzondering voor privé-kopieën valt) kan plaats vinden door middel van software die niet op de computer van de gebruiker is geïnstalleerd, maar op afstand als dienst ter beschikking wordt gesteld door een aanbieder. De tussenkomst van die aanbieder is voor de reproductie onontbeerlijk. Het is dan volgens A-G Szpunar niet logisch om die reproductie uit te sluiten van de thuiskopieregeling, terwijl een reproductie door dezelfde gebruiker door op diens computer geïnstalleerde software daar wél onder zou vallen.
VCASTvervolgens geen oordeel gegeven of kopieën gemaakt door of middels een (
cloud)dienstverlener onder de werkingssfeer van art. 5 lid 2 sub b Arl Pro kunnen vallen.
Austro-Mechana/Strato [82] was opnieuw clouddienstverlening aan de orde. Strato verleende een dienst waarbij zij aan haar klanten opslagruimte in de
cloudter beschikking stelde en de vraag was of Austro-Mechana (een Oostenrijkse collectieve beheersorganisatie van auteursrechten) daarvoor een billijke vergoeding kon heffen bij Strato. Het HvJEU overwoog eerst dat er sprake was van een reproductie, aangezien de dienstverlening van Strato er met name in bestond een kopie van een werk op te slaan in de
cloud(punten 17-18). Het begrip ‘op welke drager dan ook’ van art. 5 lid 2 onder Pro b Arl moet ruim worden uitgelegd en omvat alle dragers waarop een beschermd werk kan worden gereproduceerd, daaronder begrepen servers zoals die bij
cloudcomputingworden gebruikt (punten 21 en 30). Het feit dat de servers waarop de kopieën worden opgeslagen niet aan Strato toebehoorden maar aan derden, is volgens het Hof niet relevant (punt 23). Geoordeeld wordt dan ook dat art. 5 lid 2 onder Pro b Arl zich mede uitstrekt tot het maken van privé-kopieën van auteursrechtelijk beschermde werken op een server waarop de aanbieder van cloudcomputingdiensten opslagruimte ter beschikking stelt van een gebruiker (punt 33). Volgens het Hof strookt deze uitleg met het beginsel van technologische neutraliteit, wat meebrengt dat moet worden voorkomen dat de auteursrechtelijke bescherming in de Europese Unie achterhaald wordt of in onbruik raakt door de voortgang van technologische ontwikkeling en de opkomst van nieuwe exploitatievormen van auteursrechtelijk beschermde content. Dit beginsel, dat ook als doelstelling van de Auteursrechtrichtlijn in overwegingen 2 en 5 is verankerd, brengt mee dat rekening moet worden gehouden met technologische ontwikkelingen en met de opkomst van met name digitale dragers en cloudcomputingdiensten (punt 28).
ACI Adamvolgt dat de uitzondering voor kopieën voor privégebruik afhankelijk is van de voorwaarde dat de reproductie een geoorloofde bron heeft [83] . Dat brengt mij bij de driestappentoets van art. 5 lid 5 Arl Pro.
ACI Adam(en bevestigd in
Copydan, punt 90, zie hiervoor in 3.41) geoordeeld dat art. 5 lid 5 Arl Pro geen wijziging aanbrengt in de uitzonderingen van lid 2, in de zin dat lid 5 niet de materiële inhoud van die uitzonderingen definieert en met name niet de reikwijdte daarvan uitbreidt, maar alleen wel de voorwaarden van de toepassing ervan nader preciseert [85] . De driestappentoets speelt zodoende pas een rol op het moment dat de uitzonderingen door de lidstaten worden toegepast en dient als aanknopingspunt voor de uitleg van de uitzonderingen bij de toepassing ervan in het nationale recht van de lidstaten, maar ook voor de uitleg van de bepalingen van de Auteursrechtrichtlijn door het HvJEU zelf [86] . De mogelijkheid van lidstaten om uitzonderingen op het reproductierecht te voorzien (bijvoorbeeld in de vorm van een thuiskopiestelsel) wordt met andere woorden
beperktdoor de driestappentoets [87] .
VCAST-zaak en hij kwam (onder 57-69) tot de conclusie dat de door VCAST aangeboden diensten
nietdoor de beugel van art. 5 lid 5 Arl Pro konden, omdat zij een aantasting vormde van de normale exploitatie door de rechthebbenden. Zijn beschouwingen zijn naar ik meen voor onze zaak bij uitstek relevant, zodat ik die iets uitvoeriger bespreek nu.
ACI Adamdat toepassing van de thuiskopie-exceptie op kopieën van werken op basis van illegale bronnen een ongerechtvaardigd nadeel voor de rechthebbenden zou opleveren, aangezien zij dan verplicht zouden zijn om gevallen van piraterij te dulden buiten situaties waarin de gebruikers de werken in hun persoonlijke levenssfeer benutten.
acte éclairé. Er is naar ik meen wel te beargumenteren dat hier sprake is van een
acte clair, maar alvorens die te bespreken geef ik hier alvast te kennen dat volgens mij over de juiste toepassing van het Unierecht hier redelijkerwijs twijfel kan bestaan, zodat het stellen van prejudiciële vragen geïndiceerd lijkt in deze bodemzaak, net als in de parallelle SONT-zaak.
acte clairmoet in de eerste plaats worden bedacht dat de betrokkenheid van derden niet zonder meer in de weg staat aan toepassing van de thuiskopie-exceptie uit art. 5 lid 2 onder Pro b Arl. De thuiskopie-exceptie uit art. 5 lid 2 sub b Arl Pro geldt tekstueel voor een reproductie ‘door een natuurlijk persoon voor privé-gebruik gemaakt’, maar het HvJEU legt die bepaling niet strikt uit. De tussenkomst van derden bij het maken van een kopie verhindert niet dat die kopie onder de werkingssfeer van art. 5 lid 2 sub b Arl Pro kan vallen. Zowel gevallen waarin die tussenkomst alleen bestaat uit het ter beschikking stellen van apparatuur, als die waarin dat meer behelst (reproductiedienstverlening), kunnen onder de werkingssfeer van art. 5 lid 2 sub b Arl Pro vallen, zo volgt uit de rechtspraak van het HvJEU.
welonder een volgens art. 5 lid 2 sub b Arl Pro vallend thuiskopiestelsel
mogelijkzou zijn – de Nederlandse thuiskopieregeling, die die mogelijkheid niet opneemt maar juist uitsluit van de nationale thuiskopie-exceptie, op dit punt niet conform de richtlijn is. Immers in lijn met A-G Sharpston in haar conclusie voor
VG Wortzijn
minder vergaande maatregelen(opdrachtkopieën door professionele opdrachtgevers vallen
buitende thuiskopieregeling en dus onder het ‘gewone’ reproductierecht van de rechthebbende) die dus
minder beperkingen op het reproductierechtvan de rechthebbende opleveren dan volgens de richtlijn in principe mogelijk zouden zijn,
welrichtlijnconform (als aan de driestappentoets wordt voldaan en geen ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt in de in de vorige twee nummers bedoelde zin, voeg ik nu aan die basale gedachte toe).
nietonder de betreffende lidstatelijke thuiskopie-exceptie te laten vallen. Gezien werd bovendien dat een rechtvaardiging voor het onderscheid maken tussen verschillende categorieën gebruikers van beschermd materiaal erin kan bestaan dat rechthebbenden al een andere vorm van compensatie ontvangen of waarvoor al langs andere weg is betaald, zoals kort gezegd een licentievergoeding bij het Spotify-model. Ook daar lijkt mij in te passen dat opdrachtkopieën in de vorm van tethered downloads niet worden meegenomen in het Nederlandse thuiskopieheffingsstelsel. Als uitzondering op het reproductierecht van de rechthebbenden moet de thuiskopie-exceptie ook nog eens volgens vaste rechtspraak van het HvJEU restrictief worden toegepast, hetgeen nog beperkter dient te zijn in een digitale omgeving, en deze moet bovendien voldoen aan de driestappentoets. Zoals we in de bespreking van de klachten zullen zien, zijn offline streaming copies te zien als een normale vorm van exploitatie en die zou in strijd met de driestappentoets worden belemmerd als offline streaming copies onder de thuiskopieheffing zouden vallen. Dat kan allemaal in de richting wijzen dat de door de Nederlandse wetgever beoogde uitzondering op de thuiskopie-uitzondering voor opdrachtkopieën gemaakt door een commerciële/professionele opdrachtnemer richtlijnconform is. Of dat alles genoeg is om een
acte clairaan te nemen in de onderhavige zaak (zie ook hierna in 3.95), is een beslispunt (hetzelfde geldt voor de SONT-zaak); zekerheidshalve stel ik in de nu volgende bespreking voor om wel prejudiciële vragen hierover te stellen aan het HvJEU.
acte clairis – en dat dat wèl zo is, is best te verdedigen, zoals hiervoor is uiteengezet in 3.71 – er hier prejudiciële vragen in de rede liggen die in de conclusie in de parallelle SONT-procedure ook worden voorgesteld als vragen 1) en 2) in 3.113 en die in het verdere verloop van de bespreking in de onderhavige zaak identiek geformuleerd zullen worden in 3.96.
moet gebeuren ‘zonder direct of commercieel oogmerk’ – zo formuleert de klacht het, bedoeld zal zijn: ‘zonder direct of indirect commercieel oogmerk’, zoals de wetstekst van art. 16c lid 1 Aw luidt – gaat het namelijk om het oogmerk van de gebruiker van de kopieerfaciliteit, en niet de aanbieder van die faciliteit, waarbij de klacht verwijst naar art. 16 b (niet c) Aw en art. 5 lid 2 onder Pro b Arl. Logischerwijs heeft een faciliteit waarmee offline streaming copies kunnen worden gemaakt een commercieel oogmerk bij het aanbieden van die faciliteit, maar dat is volgens de klacht niet relevant voor de kwalificatie van de gemaakte kopie als thuiskopie.
zelfeen privékopie te laten maken, is een toegestane thuiskopie opleverende figuur waarvoor een billijke vergoeding kan worden gevraagd. Dat moet worden onderscheiden van het als particulier opdracht geven aan een derde om
die derde zelfeen privékopie te laten maken
voor die particulier; als die derde dat doet met commercieel oogmerk, is geen sprake van een thuiskopie in de zin van art. 16c Aw volgens de parlementaire geschiedenis. Het hof heeft dit niet miskend met zijn aangevallen beslissingen in rov. 4.5 en 4.6. Daar loopt onderdeel 1.1 op stuk.
subonderdeel 1.3 [99] klaagt Thuiskopie dat het oordeel in rov. 4.9 onjuist is, althans ontoereikend is gemotiveerd, waarin het hof heeft geoordeeld dat de Nederlandse wetgever met de buitensluiting van door commerciële opdrachtnemers vervaardigde kopieën niet alleen het oog had op de situatie dat een derde tegen betaling een DVD/CD voor een natuurlijke persoon kopieert, maar ook op de situatie van de offline streaming copy. Daartoe heeft het hof overwogen dat bij offline streaming copies de gebruiker het kopieerproces in gang zet en bij de DVD/CD kopieersituatie niet, maar dat dit geringe verschil in het licht van het feit dat in beide situaties sprake is van een opdracht (aan een derde met commercieel belang) geen gewicht van betekenis in de schaal kan leggen. Daarmee is volgens Thuiskopie ten eerste miskend dat de wetgever niet het oog kan hebben gehad op offline streaming copies omdat dergelijke technologie ten tijde van de uitlatingen in de parlementaire geschiedenis nog niet bestond en ten tweede dat het punt van de vergelijking met de DVD/CD-kopieersituatie niet zozeer is wie de opdracht tot de kopie geeft of het kopieerproces in gang zet, maar dat de bedoeling van de wetgever was te verbieden dat professionele opdrachtnemers kopieën van CD’s en DVD’s konden maken. De bedoeling was niet te verbieden dat privépersonen zelf gebruik maakten van faciliteiten ter beschikking gesteld door professionele partijen.
future-proofmogelijk is. Beoogd is zodoende dat kopieën gemaakt met modernere technieken dan destijds bekend, ook onder de thuiskopieregeling (en onder de uitzonderingen daarop, zoals opdrachtkopieën) zouden vallen. Het komt dus aan op de aard en strekking van die regeling. De vraag is zo bezien dus of offline streaming copies, gezien de door de wetgever genoemde gevallen die het wel en niet onder de thuiskopieregeling heef willen scharen en de ratio van de thuiskopieregeling, als thuiskopieën moeten worden gekwalificeerd. Het hof heeft dat niet miskend. Daar stuit deze klacht op af.
Austro-Mechana/Strato [103] ,
Funke Medien [104] en
ACI Adam [105] ) en baseert daarop drie verschillende argumenten dat art. 5 lid 2 onder Pro b Arl geen ruimte biedt voor de eis dat commerciële opdrachtkopieën niet onder de thuiskopieregeling vallen.
ACI Adam-arrest blijkt dat de Uniewetgever heeft willen toestaan dat lidstaten, wanneer zij voorzien in de in de richtlijn bedoelde uitzonderingen en beperkingen, het toepassingsgebied daarvan nog meer zouden mogen beperken wanneer het gaat om bepaalde nieuwe vormen van gebruik van door het auteursrecht beschermde werken, maar dat lidstaten niet de mogelijkheid hebben het toepassingsgebied van dergelijke uitzonderingen of beperkingen uit te breiden. Dat de extra eis die voor de Nederlandse thuiskopieregeling geldt in strijd zou zijn met dit oordeel, zoals Thuiskopie betoogt, zie ik niet [106] . De eis dat een privékopie niet mag worden vervaardigd door een commercieel/professioneel handelende derde breidt het toepassingsgebied van de thuiskopieregeling volgens mij niet uit, maar beperkt die juist. Door het stellen van die eis vallen dergelijke kopieën immers niet onder de thuiskopieregeling, terwijl de thuiskopieregeling de door het HvJEU bedoelde beperking vormt op het exclusieve reproductierecht.
thuiskopie-exceptie zelf een uitzondering is op de hoofdregel van het exclusieve reproductierechtvan de rechthebbende en dat binnen een stelsel dat mogelijk maakt om ook helemaal af te zien van invoering van een thuiskopie-exceptie naast gradaties in de lidstatelijke excepties, verschillen gegeven zijn.
ratiovan de thuiskopieregeling en de
driestapppentoets.Dat zou maken dat (ook) belang bij cassatie hier kan ontbreken. Het argument van Thuiskopie op grond van
Austro-Mechana/Stratodat het voor de vraag of sprake is van een thuiskopie als bedoeld in art. 5 lid 2 onder Pro b Arl niet relevant is of de aanbieder van de clouddiensten waarmee de kopie op een server wordt opgeslagen al dan niet een commercieel oogmerk heeft, is mogelijk juist, maar laat volgens mij onverlet dat offline streaming copies weinig kans maken om door de driestappentoets heen te komen, terwijl evenmin de ratio voor een thuiskopieheffing voor offline streaming copies opgeld lijkt te doen, als eerder besproken.
gelijkzijn. De ratio voor de thuiskopieregeling laat zich hier niet gelden.
VCAST-zaak) dat de dienstverlening van streamingsdienstaanbieders zoals Netflix en Spotify verschilt van marktdeelnemers die aan gebruikers van beschermde content apparatuur of gegevensdragers beschikbaar stellen of die reproductiediensten aanbieden. Die apparatuur, gegevensdragers en diensten kunnen namelijk worden gebruikt voor de reproductie van beschermde werken, maar óók voor andere doeleinden. Bovendien is niet van tevoren bekend welke werken eventueel worden gereproduceerd en wie dus de rechthebbenden zijn. Een clouddienstverlener die opslagruimte in de cloud aanbiedt, weet niet wat de gebruiker daarmee gaat doen. Het kan zijn dat hij die opslagruimte gebruikt om eigen foto’s en dergelijke op te slaan, maar hij kan die opslagruimte ook gebruiken voor kopieën van beschermde werken. De offline streaming copy-diensten zoals Netflix en Spotify die aanbieden, hebben daarentegen uitsluitend tot doel om van tevoren concreet aangewezen werken beschikbaar te stellen en te reproduceren, waarbij de rechthebbenden bekend zijn. Streamingsdienstaanbieders bieden met andere woorden geen ‘kopieerfaciliteiten’ waarmee kopieën kunnen worden gemaakt van willekeurig welk werk [119] , zoals clouddienstverleners dat wel doen. De diensten van streamingsdienstaanbieders zijn zodoende eenvoudig onder het normale monopolie van de rechthebbenden te exploiteren, het exclusieve reproductierecht. Het brengen van die offline streaming dienstverlening onder de thuiskopieregeling zou de wettige belangen van rechthebbenden daarom onredelijk schaden, een element uit de driestappentoets.
acte clairworden gezien, zo valt te betogen (zie 3.71 hiervoor), maar daar lijkt wel gerede twijfel [127] over mogelijk, zodat het dienstig voorkomt daar vragen over te stellen aan het HvJEU, alvorens tot een finale bespreking te komen van subonderdeel 2.1 [128] .
acte clairkan worden aangenomen [129] :
subonderdeel 2.2klaagt Thuiskopie dat het oordeel in rov. 4.7 tevens rechtens onjuist is omdat het heeft hof heeft miskend dat de Nederlandse wetgever geen gebruik heeft gemaakt van de ruimte die lidstaten hebben om de uitzonderingen en beperkingen van art. 5 lid 2 onder Pro b Arl te implementeren. Het subonderdeel voert daartoe aan dat de Hoge Raad in het
Thuiskopie-arrest heeft geoordeeld dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de implementatiewet blijkt dat de Nederlandse wetgever niets anders voor ogen heeft gestaan dan het getrouw omzetten van de Auteursrechtrichtlijn en het hof art. 16c lid 1 Aw daarom richtlijnconform had dienen uit te leggen en niet zelfstandig een extra eis, die niet is terug te vinden in de Auteursrechtrichtlijn, kon formuleren.
Thuiskopie-arrest had, voor zover hier relevant, betrekking op de vraag of art. 16c Aw het kopiëren uit illegale bron en het mede hiervoor opleggen van een billijke vergoeding toestaat. Het hof had geoordeeld dat de Nederlandse wetgever dit inderdaad toe had gestaan en dat gelet op die uit de totstandkomingsgeschiedenis van de implementatiewet blijkende bedoeling van de wetgever daaraan niet kon afdoen dat dit wellicht in strijd was met art. 5 lid 2 Arl Pro, omdat de rechtszekerheid anders op onaanvaardbare wijze in het gedrang zou komen [130] . Het hof achtte zich dus, wat de specifieke vraag naar het kopiëren uit illegale bron betreft, vanwege de rechtszekerheid niet gehouden tot richtlijnconforme uitleg van art. 16c Aw. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof in dit geval niet van de verplichting tot richtlijnconforme uitleg had mogen afzien:
nietdat de Nederlandse wetgever
geengebruik heeft willen maken van de implementatieruimte die de Auteursrechtrichtlijn biedt. Thuiskopie betoogt kennelijk dat het oordeel dat de wetgever de Auteursrechtrichtlijn getrouw wilde omzetten [132] , betekent dat Nederland geen extra eisen heeft gesteld aan thuiskopieën, maar dat lijkt mij daar niet uit te volgen. Indien Nederland namelijk binnen de Unierechtelijke grenzen gebruik heeft gemaakt van de implementatieruimte die de richtlijn biedt, is dat immers nog steeds het getrouw omzetten van die richtlijn [133] en kan art. 16c Aw ook richtlijnconform worden uitgelegd. ‘Getrouw omzetten’ is ambivalent in een geval als hier waarin lidstaten een aanzienlijke ruimte hebben om een richtlijnbepaling te implementeren. Dat kan hier immers variëren van een algehele uitzondering op het exclusieve reproductierecht tot allerlei minder verstrekkende modaliteiten. De omzetting (implementatie) zou alleen dan niet getrouw zijn als de Nederlandse wetgever in strijd met de verplichtingen of de implementatievrijheid van de Auteursrichtlijn een daar niet mee sporende nationale thuiskopieregeling zou hebben ingevoerd. Dat zou het geval zijn wanneer de richtlijn geen ruimte zou laten voor het niet als thuiskopie aanmerken van commerciële opdrachtkopieën. Zoals uit de voorafgaande bespreking duidelijk zal zijn, meen ik dat die ruimte er wel degelijk is en dat zelfs te verdedigen valt dat dat een
acte clairis, maar dat zekerheidshalve daar beter de hiervoor in 3.96 voorgestelde prejudiciële vragen 3) en 4) kunnen worden voorgelegd aan het HvJEU.
Wandelvierdaagse-arrest [134] volgt bovendien volgens mij niet, zoals Thuiskopie in haar s.t. 50 ingang wil doen vinden, dat de wetgever in de parlementaire geschiedenis ondubbelzinnig uitdrukking moet hebben gegeven aan de welbewuste bedoeling om gebruik te maken van de vrijheid die art. 5 lid 2 onder Pro b Arl biedt. Dat arrest had betrekking op de grens die richtlijnconforme uitleg vindt in
contra legeminterpretatie van het nationale recht; richtlijnconforme interpretatie kan in verband met het rechtszekerheidsvereiste niet leiden tot uitleg in strijd met de wet. Er is dus eerst uitleg van het nationale recht nodig om te bepalen of een nationale bepaling richtlijnconforme uitleg toelaat. In
Wandelvierdaagsewas de vraag of ook als de bewoordingen van de nationale bepaling richtlijnconforme uitleg toelaten, die verplichting tot richtlijnconforme uitleg desalniettemin kan afstuiten op een wetshistorische uitleg van de nationale bepaling. De Hoge Raad oordeelde dat in dat geval voor richtlijnconforme uitleg alleen dan geen plaats is, indien in de wetsgeschiedenis toelichtingen en uitlatingen zijn gedaan die ondubbelzinnig uitdrukking geven aan de welbewuste bedoeling om de nationale regeling te doen afwijken van hetgeen waartoe de richtlijn zou verplichten of de vrijheid zou laten [135] .
Wandelvierdaagse-casus zag op het geval dat de wetgever welbewust wilde afwijken van waartoe de richtlijn verplichtte, dan wel wilde afwijken van de vrijheid die de richtlijn bood. Dat speelt niet in onze zaak. De klacht uit subonderdeel 2.2 is juist dat de wetgever niet de ruimte heeft gebruikt die de richtlijn de lidstaten biedt om de uitzonderingen en beperkingen van art. 5 Arl Pro te implementeren, omdat met
Wandelvierdaagsein de hand zou blijken dat dit pas kan als de wetgever dat ondubbelzinnig heeft aangegeven. De vraag of de wetgever de implementatieruimte die een richtlijn biedt heeft gebruikt, is een andere dan die of de wetgever heeft willen afwijken van een richtlijn. Alleen op die tweede vraag ziet het
Wandelvierdaagse-arrest.
acte clairkan worden gezien, of dat langs de lijn van de voorgestelde prejudiciële vragen hierover opheldering moet worden verkregen, is volgens mij hetzij binnen de grenzen van de implementatievrijheid gebleven bij de omzetting met het gewraakte vereiste van uitgesloten commerciële opdrachtkopieën, ofwel moet over deze kwestie eerst duidelijkheid worden verschaft door het HvJEU (vgl. de in 3.96 voorgestelde vragen 3) en 4)). Deze opheldering is denk ik niet nodig (en dan zou belang in cassatie ontbreken bij subonderdeel 2.2), als de offline streaming copies al door de driestappentoets van de thuiskopieregeling buiten de deur worden gehouden van de thuiskopieheffing (de materie van de in 3.96 voorgestelde vragen 1) en 2)).
Subonderdeel 2.3richt een rechtsklacht tegen rov. 4.7: dat de extra eis dat de kopie niet door een commercieel/bedrijfsmatig handelende opdrachtnemer mag worden gemaakt aansluit bij de tekst en doelstelling van art. 5 lid 2 onder Pro b Arl, zo die eis daar niet al in besloten ligt of daaruit niet al voortvloeit, zodat die voorwaarde niet incoherent is en geen ongerechtvaardigd verschil in behandeling oplevert, is volgens Thuiskopie in al haar onderdelen onjuist. Die eis sluit namelijk niet aan bij de tekst van art. 5 lid 2 onder Pro b Arl en evenmin bij de doelstelling van de richtlijn, namelijk het creëren van een hoog beschermingsniveau ten gunste van auteurs. Dit maakt dat het oordeel dat die eis niet incoherent is en geen ongerechtvaardigd verschil in behandeling oplevert, ook onjuist, maar dat oordeel is tevens om een andere reden onjuist. Met het stellen van die eis ontstaat een onderscheid tussen verschillende technologieën en verschillende categorieën marktdeelnemers die handelen in vergelijkbare goederen. Het maken van een kopie met een DVD of het opslaan van een kopie in de cloud zou dan wel als een thuiskopie kwalificeren, maar een offline streaming copy niet. Dat onderscheid is ongerechtvaardigd en in strijd met het beginsel van technologische neutraliteit waar de richtlijn vanuit gaat, aldus deze klacht.
VG Wortvrij zijn staat om de beperkingen op het reproductierecht uit art. 5 leden Pro 2 en 3 Arl gedeeltelijk in te voeren. Daarop aansluitend is het hof in de hier bestreden passages uit rov. 4.7 (vanaf “
waarbij van belang is(…)”) nader ingegaan op de extra eis dat de kopie niet door een commercieel/bedrijfsmatige opdrachtnemer mag worden gemaakt ten behoeve van een particulier. Het hof heeft in die passages kennelijk geoordeeld dat Nederland niet alleen ruimte heeft om extra eisen te stellen, maar dat ook deze extra eis verenigbaar is met de richtlijn. Daaraan ligt het oordeel ten grondslag dat het gaat om een eis die aansluit bij de tekst en doelstelling van art. 5 lid 2 onder Pro b Arl, waaruit het hof afleidt dat de eis niet incoherent is en niet een ongerechtvaardigd verschil in behandeling oplevert. Het hof overweegt ook nog dat de eis mogelijk al besloten ligt in, of voortvloeit uit art. 5 lid 2 onder Pro b Arl zelf, maar laat in het midden of dat daadwerkelijk het geval is.
acte clairredenering wordt gevonden dat de hier bestreden ruimte er gewoon is en de klacht daarop afketst. Steun voor de visie dat die ruimte er lijkt te zijn, vind ik in de betrekkelijk recente conclusie van A-G Hogan conclusie voor
Austro-Mechana/Strato [136] . De ruimte voor lidstaten is sinds
Copydanallereerst begrensd door het vereiste dat lidstaten geen uitvoeringsregeling voor de billijke compensatie kunnen vaststellen waarbij zonder enige rechtvaardiging onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende categorieën marktdeelnemers die handelen in vergelijkbare goederen waarop de uitzondering voor het privékopiëren ziet, of tussen verschillende categorieën gebruikers van beschermd materiaal [137] . Volgens A-G Hogan dient dezelfde benadering te gelden voor diensten [138] . De nationale wetgeving mag volgens A-G Hogan tot slot niet in strijd zijn met, of anderszins afbreuk doen aan het doel dat wordt nagestreefd met de Auteursrechtrichtlijn [139] . Hij benadrukt bij wijze van voorbeeld dat het van belang is dat lidstaten die ervoor kiezen om gebruik te maken van de uitzondering in art. 5 lid 2 onder Pro b Arl dit doen op een wijze die technologisch neutraal is.
subonderdeel 2.4richt Thuiskopie vervolgens een motiveringsklacht tegen het oordeel in rov. 4.7 dat de het vereiste van non-commerciële opdrachtkopie aansluit bij de tekst en doelstelling van art. 5 lid 2 onder Pro b Arl, zo die eis daar niet al in besloten ligt of daaruit niet al voortvloeit, zodat die voorwaarde niet incoherent is en niet een ongerechtvaardigd verschil in behandeling oplevert. Dat is ontoereikend gemotiveerd, nu niet wordt aangegeven waarom deze eis aansluit bij de tekst en doelstelling van art. 5 lid 2 onder Pro b Arl en waarom die voorwaarde niet incoherent is en geen ongerechtvaardigd verschil in behandeling oplevert.
onderdeel 3is oordeel in rov. 4.8 ontoereikend gemotiveerd. Het hof heeft daar geoordeeld dat de gebruiker bij offline streaming copies het kopieerproces in gang zet en dat de aanbieder dat kopieerproces vervolgens feitelijk uitvoert en voltooit. Dat handelen van de aanbieder vindt plaats naar aanleiding van een signaal van de gebruiker (het drukken op de knop ‘download’) en dat betekent dat de aanbieder in opdracht van de gebruiker handelt. De klacht hiertegen is dat de aanbieder het kopieerproces niet uitvoert. Het feit dat de gebruiker de downloadoptie (de faciliteit) moet gebruiken die de aanbieder ter beschikking stelt, betekent niet dat daarom de aanbieder het kopieerproces uitvoert. Het blijft immers de gebruiker zelf die opdracht geeft om het verder automatisch lopende procedé in gang te zetten en te voltooien op het eigen apparaat; daar komt geen eigen activiteit of initiatief van de aanbieder bij kijken (waarbij wordt verwezen naar de conclusie van A-G Szpunar voor
VCASTonder 25) [145] . Daarbij moet worden bedacht dat ook bij andere technieken waarmee thuiskopieën worden gemaakt derden een rol kunnen spelen, terwijl dat laatste niet in de weg staat aan de kwalificatie als thuiskopie, zoals bij het maken van een kopie in de cloud. Dat kan de consument namelijk ook niet zelfstandig doen, daarbij zijn beheerders van servers (computers van derden) betrokken (onder verwijzing naar rov. 5.8). Bij het opslaan van een kopie van een werk in de cloud is echter wel sprake van een thuiskopie, zo oordeelt ook het hof in rov. 5.3 en het HvJEU [146] .
subonderdeel 4.1richt Thuiskopie een rechtsklacht tegen het oordeel in rov. 4.11 dat een offline streaming copy een ander karakter heeft dan een thuiskopie omdat de rechthebbende [147] de controle over de werken behoudt, aangezien hij bepaalt welke werken aan abonnees ter beschikking worden gesteld en kan bewerkstelligen dat de toegang tot offline streaming copies wordt geblokkeerd of dat een download wordt verwijderd. Dit oordeel geeft volgens Thuiskopie blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat art. 16c Aw en art. 5 lid 2 onder Pro b Arl geen voorwaarden stellen ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden van de thuiskopie. Zowel art. 16c Aw als art. 5 lid 2 onder Pro b Arl stellen volgens het subonderdeel geen andere eisen dan dat het moet gaan om gebruik van een kopie zonder commercieel oogmerk en uitsluitend tot eigen oefening, studie of gebruik. Dat de rechthebbende de controle over de werken verliest en/of dat de kopie eeuwig blijft bestaan vormt geen vereiste.
acte clairzal daartoe de beantwoording van de te stellen prejudiciële vragen (vgl. hiervoor in 3.96) moeten worden afgewacht.
voorwaardengesteld aan het gebruik van een thuiskopie door een natuurlijke persoon. Het heeft geoordeeld dat de
rechthebbende controle houdtover een offline streaming copy. Dat oordeel ziet dus niet op het gebruik dat van een kopie wordt gemaakt door de natuurlijke persoon voor wie de kopie bestemd is (de abonnee van een streamingsdienstabonnement in het geval van een offline streaming copy), laat staan dat het ongeoorloofde voorwaarden zou stellen aan dat gebruik.
omdathet een (potentieel) tijdelijke kopie is. In zoverre mist het subonderdeel feitelijke grondslag. Zie over het tijdelijkheidsaspect nader de bespreking van de motiveringsklacht van subonderdeel 4.2.
(doen) bewerkstelligen” dat de toegang tot de tethered downloads wordt geblokkeerd of dat een kopie wordt verwijderd. Dit alles betekent dat het oordeel dat offline streaming copies een ander karakter hebben dan thuiskopieën omdat de rechthebbende de controle over de werken behoudt, ziet op het feit dat het bij offline streaming copies gaat om een normale exploitatievorm. Dat is relevant omdat thuiskopieën nu juist
nietonder de normale exploitatie van een rechthebbende vallen, maar aan die normale exploitatie schade kunnen toebrengen. Vandaar dat is bepaald dat voor kopieën die onder de thuiskopieregeling vallen een billijke compensatie aan rechthebbenden moet worden betaald. In het geval van offline streaming copies is geen ruimte voor die compensatiegedachte, omdat de rechthebbende juist wordt betaald voor het afspelen van offline streaming copies van zijn werken. Van een verkeerde rechtsopvatting in rov. 4.11 is geen sprake.
acte clairwordt aangenomen – eerst de beantwoording van de voorgestelde prejudiciële vragen af te wachten.
subonderdeel 4.2ook een motiveringsklacht. Het hof legt volgens de klacht niet uit waarom de door het hof genoemde omstandigheden zouden meebrengen dat geen sprake is van een thuiskopie. De potentiële tijdelijkheid van de kopie is daartoe niet redengevend, aangezien (i) dat vanaf de start van het bestaan van de regeling ook geldt voor andere thuiskopieën zoals kopieën gemaakt op laptops, PC’s en smartphones (het geheugen van die voorwerpen kan immers gewist worden), waarvoor wel een billijke compensatie is verschuldigd, en (ii) een offline streaming copy in de praktijk vrijwel even duurzaam is als een klassieke thuiskopie, omdat een streamingsdienst een gemaakte kopie vrijwel nooit verwijdert. Voor wat betreft de door het hof genoemde mogelijkheid de toegang tot de downloads te blokkeren of de downloads te verwijderen geldt dat dit eveneens niet afdoet aan de mogelijkheid de download (lees: de kopie) in eerste instantie te maken, terwijl dáár een billijke compensatie voor moet worden betaald.
onderdeel 5, waarvan als enige geen pendant voorkomt in de parallelle SONT-zaak, richt Thuiskopie een rechts- en motiveringsklacht tegen het oordeel in rov. 4.1 dat offline streaming copies als kenmerk hebben dat de rechthebbende wordt betaald. Volgens Thuiskopie is deze overweging verder niet (kenbaar) in de beoordeling betrokken. Voor zover dat zo moet worden gelezen, dat het hof daarmee heeft geoordeeld dat eventuele betaling niet relevant is, is dat onjuist. Of en in hoeverre de auteursrechthebbende een betaling ontvangt voor het gebruik van zijn auteursrechtelijk beschermde werk, is namelijk wel degelijk relevant, omdat uit art. 16c Aw en art. 5 lid 2 onder Pro b Arl volgt dat het maken van een thuiskopie pas kan worden toegestaan als de rechthebbenden een billijke compensatie ontvangen. De motiveringsklacht is dat als het hof dit kenmerk wel relevant heeft geacht en heeft geoordeeld dat de rechthebbende voor de offline streaming copies wordt betaald, dit ontoereikend is gemotiveerd in het licht van de essentiële stellingen dat (i) de betaling van het abonnementsgeld aan de streamingdienst niet kan worden gezien als tegenprestatie voor het maken van de offline streaming copy en (ii) Spotify en YouTube de rechthebbende per stream betalen, en niet per download (of en hoe vaak er wordt gedownload heeft geen effect op de aan rechthebbenden uitbetaalde vergoeding). Volgens de klacht heeft het hof deze stellingen niet verworpen en moet bij wege van hypothetisch feitelijke grondslag van de juistheid daarvan worden uitgegaan.
besides the point.De motiveringsklacht faalt ook, omdat die alleen is aangevoerd voor de lezing dat het hof het betalingsaspect wel relevant heeft geacht, maar daarvan is geen sprake. Hier ketsen de klachten van onderdeel 5 al op af.
per downloadworden betaald. Het downloaden zelf van een werk en het aantal downloads heeft volgens Thuiskopie geen effect op de aan de rechthebbende uitbetaalde vergoeding. Dat heeft het hof evenwel ook niet geoordeeld, wel dat de rechthebbende voor offline streaming copies wordt betaald, waarbij de betaalmodaliteit in het midden is gelaten. Het is bovendien niet duidelijk waarom die omstandigheid zou maken dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is [156] . Het lijkt mij verder een nogal academische mogelijkheid dat een offline streaming copy alleen wordt gemaakt en nooit door de gebruiker wordt afgespeeld. Het doel daarvan is namelijk dat het werk offline kan worden afgespeeld, in aanvulling op het online gebruik van de streams. HP c.s. wijzen er verder op dat het enkele downloaden van een offline streaming copy zonder die kopie af te spelen ook niet ten koste gaat van de exploitatie door de rechthebbende. Het licentiemodel is dat de rechthebbende
per stream, en dus voor het
aantal streams, vermenigvuldigd met de licentievergoeding per stream wordt betaald [157] . Dit is een contractueel overeengekomen betaalmodel waarmee de rechthebbenden hun exclusieve recht uitoefenen door het streamingdienstaanbieders mogelijk te maken offline streaming aan te bieden aan consumenten [158] . Het oordeel van het hof dat de rechthebbende wordt betaald, is ook in het licht van de tweede stelling van het subonderdeel dus alleszins begrijpelijk.
onderdeel 6behoeft geen afzonderlijke bespreking.