Conclusie
Vaststellingsovereenkomst
- [verweerder] heeft het bedrijfspand op 01 december 2014 verhuurd aan [eiser] , ingaande 01 januari 2015, voor een duur van vijf (5) plus vijf (5) jaar.
al dan niet ex art. 843a Rv”, gevorderd dat [verweerder] enkele originele schriftelijke stukken overlegt (mvg inc. petitum C), waaronder het origineel van de vernietigingsbrief teneinde op authenticiteit te worden onderzocht (mvg inc. petitum C.IV).
Het betreft immers een recht van eerste koop op een bedrijfspand, niet meer en niet minder, (..) Anders dan [verweerder] meent gaat het in VSO II niet om een gift.” Op die grondslag heeft de kantonrechter het beroep van [verweerder] op de vernietiging door zijn echtgenote op grond van artikel 1:89 BW Pro afgewezen. [verweerder] heeft hiertegen gegriefd en aangevoerd dat de bepalingen van VSO II (wat er ook zij van de handtekening eronder) een bovenmatige gift inhouden en daarom nietig zijn omdat zijn echtgenote zich tijdig op laatstgenoemd artikel beroepen heeft. M&M Plaza en [eiser] hebben zich op het standpunt gesteld dat de bepalingen van VSO II geen gift inhouden en dat de echtgenote van [verweerder] zich niet tijdig op het vernietigingsrecht heeft beroepen, omdat haar vorderingsrecht verjaard was ten tijde van haar beroep op het vernietigingsrecht.
109. Voor het geval dat de desbetreffende koopovereenkomst [uit 2021, met een derde, hof] een zodanige handtekening niet bevat en [verweerder] een aparte verklaring c.q. brief van de echtgenote overlegt, vordert [eiser] dat deze brief op authenticiteit wordt onderzocht. De ouderdom van de inkt van de handtekening van de echtgenote op dat document c.q. die brief dient immers te worden vastgesteld teneinde te voorkomen dat [verweerder] een document fabriceert waarmee hij onder zijn verplichtingen uit VSO II kan uitkomen.”. Onder #115 voert [eiser] voorts nog aan dat de echtgenote (net als [verweerder] ) geen beroep op artikel 1:88 BW Pro toekomt omdat zij niet als gevolg van VSO II hoeft te vrezen voor haar toekomst c.q. pensioen. Onder #116 stelt [eiser] dat VSO II in het kader van de bedrijfsuitoefening van [verweerder] plaatsvond. In het incidenteel hoger beroep stelt [eiser] dat “
hij twijfels heeft bij de echtheid van de vernietigingsbrief van de echtgenote van [verweerder]", hetgeen vervolgens leidt tot de vordering in incidenteel hoger beroep om [verweerder] te veroordelen c.q. te gebieden tot (...) “
IV overlegging van het origineel van de brief van 4 april 2020 waarmee de echtgenote van [verweerder] VSO II vernietigt al dan niet ex artikel 843a Rv.”. Wat er ook van deze proceshouding zij, het bestaan van de brief is in elk geval niet betwist en het hof zal hierna de brief van 4 april 2020 op alle aangevoerde aspecten beoordelen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
één onderdeelmet de klacht dat het hof in rov. 3.12-3.13 niet heeft kunnen oordelen dat [eiser] het bestaan van de vernietigingsbrief niet heeft betwist. In de toelichting op het onderdeel zijn nog tien (sub-)klachten geformuleerd die vooral het karakter van veegklachten hebben.
an sichneergelegd in de brief – dus het
bestaanvan de betreffende brief – niet is betwist. Dat oordeel valt de klacht tevergeefs aan. De gezocht aandoende handtekeningenkwestie daarover, voorwerp van de reconventionele vordering van [eiser] , is dan niet relevant en kon het hof dus laten rusten, waarbij bovendien heeft te gelden dat het hof op grond van zijn oordeel in conventie oordeelt dat de reconventionele declaratore eisen van [eiser] dat [verweerder] ’ echtgenote geen rechtsgeldig beroep kon doen op vernietiging van de VSO II, althans dat geen sprake zou zijn van bovenmatige giften, niet toewijsbaar zijn. Van ‘nodeloze’ verbreking tussen het verweer in conventie en de eis in reconventie, zoals de klacht het formuleert en wat daar verder van zij, is hier geen sprake; het hof hanteert het bekende stramien dat uit afwijzing van dat verweer in conventie volgt dat de reconventionele eis ook sneuvelt.
al dan niet ex artikel 843a Rv”, onder meer gevorderd dat [verweerder] het origineel van de vernietigingsbrief moet overleggen zodat een schriftdeskundige deze kan onderzoeken op authenticiteit [8] . In tegenstelling tot de eis in reconventie in eerste aanleg hebben [eiser] en M&M in appel dus niet slechts gevorderd dat de authenticiteit van de handtekening van [verweerder] ’ echtgenote onder de vernietigingsbrief moet worden onderzocht, maar dat de hele vernietigingsbrief op authenticiteit moet worden onderzocht. [eiser] en M&M hebben deze vordering onderbouwd met de stelling dat [eiser] aanwezig zou zijn geweest bij een vervalsing van [verweerder] van een financieringsovereenkomst met ABN AMRO Bank N.V. (waarvan [eiser] en M&M eveneens afschrift van het origineel vorderen) en [eiser] (mede om die reden) eveneens twijfels heeft over de echtheid van de vernietigingsbrief van [verweerder] ’ echtgenote [9] . Deze vermeende vervalsing hebben [eiser] en M&M niet nader onderbouwd, waartegenover [verweerder] deze beweerdelijke vervalsing stellig heeft betwist [10] . Hoewel [verweerder] geen bezwaar had tegen een authenticiteitsonderzoek, heeft hij (gemotiveerd) betwist dat [eiser] en M&M daar enig belang bij zouden hebben [11] .
datde vernietigingsbrief
bestaaten evenmin gesteld dat een dergelijke brief aan hen is toegezonden en hen heeft bereikt en zij dus niet zouden weten van het bestaan ervan. Sterker nog: het daarin gedane beroep op art. 1:88 BW Pro wordt in reactie op die brief door de advocaat van [eiser] verworpen. Zodoende kon het hof oordelen dat [eiser] het
bestaan zelfvan die brief niet heeft bestreden, waarna het hof overweegt dat het die brief “
op alle aangevoerde aspecten”, oftewel de in rov. 3.12 genoemde bezwaren van [eiser] en M&M tegen de brief, zal beoordelen.
bestaanvan de brief – en dus het gedane beroep op bovenmatige giften door [verweerder] ’ echtgenote resulterend in een vernietigingshandeling ex art. 1:89 BW Pro – zie ik in het licht van het zo-even besprokene dan ook niet opgaan. En zo dit al zo begrepen zou kunnen worden in de door de klacht bedoelde zin, heeft te gelden dat het hof dat heeft verworpen met de alleszins dragende motivering dat de kennisneming van de per mail en aangetekende post verstuurde vernietigingsbrief niet is bestreden – sterker nog: daar is zijdens de advocaat van [eiser] nota bene inhoudelijk afwijzend op gereageerd.