ECLI:NL:PHR:2024:1015

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 oktober 2024
Publicatiedatum
2 oktober 2024
Zaaknummer
24/01604
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 BWArt. 1:89 BWArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep inzake incassovordering en vernietiging vaststellingsovereenkomst

In deze zaak staat centraal of eiser gehouden is tot terugbetaling van geld dat verweerder aan hem heeft geleend, en of eiser zich kan beroepen op een vaststellingsovereenkomst die door de echtgenote van verweerder is vernietigd. Verweerder startte een incassoprocedure na mislukte sommaties. De rechtbank wees de vorderingen grotendeels toe, het hof beperkte de hoofdsom en bevestigde de vernietiging van de vaststellingsovereenkomst in een parallelle zaak.

Eiser stelde cassatieberoep in tegen het oordeel van het hof dat hij geen rechten aan de vernietigde vaststellingsovereenkomst kan ontlenen. De Procureur-Generaal concludeert dat dit cassatieberoep geen kans van slagen heeft, mede omdat het parallelle cassatieberoep over de nietigheid van de vaststellingsovereenkomst ook tevergeefs is.

De Hoge Raad wordt geadviseerd het cassatieberoep te verwerpen en het arrest van het hof te handhaven. Hiermee blijft de vernietiging van de vaststellingsovereenkomst en de gedeeltelijke toewijzing van de incassovordering in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01604
Zitting4 oktober 2024 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
G.R.B. van Peursem
In de zaak
[eiser] ,
eiser tot cassatie
tegen
[verweerder] ,
verweerder in cassatie
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [eiser] en [verweerder] .
[eiser] en [verweerder] hebben al enige tijd een zakelijk geschil. Partijen hebben verschillende procedures met elkaar gevoerd en deze zaak is daar een van, waarin het gaat om de vraag of [eiser] gehouden is tot terugbetaling van geld dat door [verweerder] aan hem is geleend. Na vergeefse sommaties tot terugbetaling buiten rechte is [verweerder] deze incassoprocedure gestart.
De rechtbank heeft de vorderingen van [verweerder] grotendeels toegewezen, net als het hof, zij het tot een lager bedrag. In het hofarrest is ter motivering onder meer verwezen naar het arrest van gelijke datum in een andere zaak tussen partijen die met deze zaak samenhangt. In die zaak ging het om de geldigheid van een vaststellingsovereenkomst die voor [eiser] gunstige afspraken bevatte maar waarvan [verweerder] de geldigheid om verschillende redenen betwistte. In die parallelle zaak heeft het hof het beroep op vernietiging van de vaststellingsovereenkomst door [verweerder] ’ echtgenote gehonoreerd en in de onderhavige zaak is door het hof naar dat oordeel in de parallelle zaak verwezen: gelet op de vernietiging kan [eiser] geen beroep doen op de vaststellingsovereenkomst, zodat [eiser] beroep daarop hem in deze incassozaak niet kan baten. Tegen dit oordeel komt [eiser] in cassatie op. Ik zie deze klacht niet slagen, gelet op het tevergeefse cassatieberoep in de parallelle zaak over de nietigheid van de vaststellingsovereenkomst, waarin ik vandaag ook conlcudeer.
Deze zaak hangt samen met voornoemde parallelle zaak 24/01601, waarin ik vandaag ook conclusie neem.
1.Feiten [1]
1.1 [verweerder] is aannemer en daarnaast eigenaar van [het bedrijfspand] waar partycentrum M&M Plaza is gevestigd (hierna: het bedrijfspand). [eiser] is bestuurder en enig aandeelhouder van M&M Plaza (hierna: M&M). M&M maakt haar bedrijf van het verhuren van zaalruimte in het bedrijfspand van [verweerder] ten behoeve van onder meer bruiloftsfeesten en partijen.
1.2 [verweerder] heeft, voordat hij eigenaar werd van het bedrijfspand, in opdracht van [eiser] het bedrijfspand gerenoveerd.
1.3 [verweerder] heeft een document overgelegd, getiteld ‘overeenkomst van geldlening’ (hierna: de geldleningsovereenkomst). In de geldleningsovereenkomst staat, voor zover van belang, het volgende:

In aanmerking nemende dat:
Schuldeiser [ [eiser] , A-G] aan schuldenaar [ [verweerder] , A-G] een bedrag van €. 500.000 (zegge vijfhonderd duizend euro) ter leen heeft verstrekt, gelijk schuldenaar van schuldeiser in leen hebben aanvaard en schuldig hebben erkend.
Voornoemd bedrag is op 21 juni 2013 in depot ter beschikking gesteld en op de navolgende data feitelijk door schuldeiser verstrekt en door schuldenaar in leen aanvaard en schuldig erkend:
- Op 21 juni 2013 €. 10.000
- Op 22 juni 2013 €. 34.500
- Op 18 augustus 2013 €. 5.000
- Op l5 oktober 2013 €. 50.000
- Op 18 november 2013 €.25.000
- Op 10 januari 2014 €. 25.000
- Op l3 februari 2014 €. 25.000
- Op 14 maart 2014 €. 5.000
- Op 28 maart 2014 €. 10.000
- Op 7 april 2014 €. 10.000
- Op 9 april 2014 €. 25.500
- Op 15 april 2014 €. 45.000
- Op 30 april 2014 €. 25.000
- Op 23 mei 2014 €. 15.000
- Op P.M. zie bank”
(…)

Verklaren dat de geldlening is aangegaan onder de volgende voorwaarden:
1. Schuldeiser heeft aan schuldenaar ter leen verstrekt, gelijk schuldenaar van schuldeiser in leen hebben aanvaard en schuldig te hebben erkend, een bedrag van €. 500.000 (zegge vijfhonderd duizend euro) De lening heeft een looptijd van vijf jaar, derhalve van 21 juni 2013 tot 21 juni 2018.
2. Over het opgenomen en niet-afgeloste deel van het door schuldeiser aan schuldenaar ter beschikking gestelde depot is met ingang van 21 juni 2013 een rente verschuldigd van 10 % (tien procent) per jaar. De rente dient per maand achteraf te worden voldaan.
3. Aflossing van de lening zal jaarlijks in vijf gelijke termijnen van €. 100.000 (zegge honderd duizend euro) plaatsvinden. (…)”
(…)
“Aldus mondeling overeengekomen op 21 juni 2013 en in tweevoud ondertekend te Amsterdam op 26 mei 2012.”
1.4 [eiser] heeft een document overgelegd, getiteld ‘vaststellingsovereenkomst’ en gedateerd op 17 december 2014 (hierna: de vaststellingsovereenkomst). In de vaststellingsovereenkomst staat, voor zover van belang, het volgende:
“In aanmerking nemende het volgende:
(…)
- Alle schriftelijke overeenkomsten en schuldbekentenissen tussen partijen zijn
tevens uitgevoerd en voldaan, zodat partijen daaraan geen rechten meer
kunnen ontlenen.
(…)”
1.5 In de periode 21 juni 2013 tot en met 23 januari 2017 heeft [verweerder] per bank een totaalbedrag van € 612.000,00 overgemaakt aan M&M en op 21 juni 2013 ook een bedrag van € 34.500,00 aan […] onder vermelding van “
[eiser]”. In de periode 15 oktober 2013 tot en met 4 augustus 2014 heeft M&M per bank een vijftal betalingen gedaan aan [verweerder] voor een totaalbedrag van € 143.990,00.
1.6 [verweerder] heeft [eiser] op 24 april 2020 per exploot gesommeerd tot terugbetaling van € 646.000,00 te vermeerderen met 10% contractuele rente.
1.7 Tussen [verweerder] enerzijds en [eiser] en M&M anderzijds is onder zaaknummer 8950281 CV EXPL 20-23326 in eerste aanleg geprocedeerd over (onder meer) het bestaan en/of de verbindendheid van de hiervoor onder 1.4 genoemde vaststellingsovereenkomst. De rechtbank Amsterdam heeft bij (eind)vonnis van 8 augustus 2022 [2] onder meer geoordeeld dat de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig is en dat [verweerder] deze dient na te komen. Tegen dit vonnis is [verweerder] in hoger beroep gekomen, en daarin heeft het hof, direct voorafgaand aan het bestreden arrest van deze zaak, uitspraak gedaan [3] .
2.Procesverloop [4]
2.1 In deze zaak vorderde [verweerder] in eerste aanleg veroordeling van [eiser] en M&M tot betaling van € 521.000,00 aan hoofdsom en € 314.966,30 aan contractuele rente tot 27 mei 2020, te vermeerderen met de contractuele rente die is opgelopen vanaf 27 mei 2020 tot de dag van volledige betaling.
2.2 Daaraan heeft [verweerder] ten grondslag gelegd dat hij een overeenkomst van geldlening met [eiser] heeft gesloten. [eiser] is op grond van deze overeenkomst € 646.000,00 aan [verweerder] schuldig, maar [verweerder] heeft zijn vordering beperkt tot het bedrag dat niet eerder door [eiser] zou zijn betwist.
2.3 [eiser] en M&M Plaza hebben gemotiveerd verweer gevoerd.
2.4 De rechtbank heeft de vorderingen toegewezen tot een bedrag van € 502.010,- aan hoofdsom te vermeerderen met contractuele rente van 10 % per jaar vanaf 27 mei 2020.
2.5 Daartegen is [eiser] met negen grieven in appel gekomen. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis.
2.6 [verweerder] heeft incidenteel appel ingesteld en is met twee grieven in appel gekomen tegen het vonnis van de rechtbank. Ook heeft hij zijn eis vermeerderd door betaling te vorderen van € 646.000,00 aan hoofdsom en € 721.794,22 aan contractuele rente tot 19 juli 2022, te vermeerderen met de contractuele rente die is opgelopen vanaf 19 juli 2022 tot de dag van volledige betaling.
2.7 Het hof heeft het vonnis van de rechtbank gedeeltelijk bekrachtigd en daartoe, voor zover in cassatie relevant, het volgende overwogen:
“3.8 De vierde grief ziet op de betekenis die de rechtbank (niet) heeft gegeven aan de door [eiser] op de VSO II gebaseerde gevolgen daarvan voor de bestaande overeenkomsten van geldlening (waaronder de eerste, tweede en derde). Deze grief faalt reeds omdat in het heden tussen partijen gewezen arrest in de zaak bij dit hof met het nummer 200.316.740/1 is vastgesteld dat VSO II door de echtgenote van [verweerder] rechtsgeldig is vernietigd, zodat daaruit geen rechtsgevolgen kunnen voortvloeien (althans niet voor de onderhavige vorderingen en/of verweren). Grief 4 faalt.
(…)
Hel hof:
Rechtdoende in principaal en incidenteel appel:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, behoudens:
- voor zover aan hoofdsom een bedrag hoger dan €310.500,00 is toegewezen, in die zin dat dat bedrag als hoofdsom wordt toegewezen:
- percentage en ingangsdatum van de contractueel overeengekomen rente, welke worden gesteld op 3,5% per jaar, met als ingangsdata 21 juni 2013 voor een bedrag van € 45.000.-, alsmede 14 oktober 2013 voor een bedrag van € 55.000.- en 20 november 2013 voor 25.000.-, alsmede 27 mei 2020 voor een bedrag van € 185.000.00 en vernietigt het vonnis waarvan beroep in zoverre dat van vorenstaande afwijkt.”
2.8 [eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. [verweerder] is niet verschenen en aan hem is verstek verleend.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het middel bevat
een onderdeelgericht tegen rov. 3.8.
3.2
Het hof heeft in rov. 3.8 de vierde grief verworpen, omdat de vaststellingsovereenkomst waar [eiser] rechten aan wil ontlenen door [verweerder] ’ echtgenote rechtsgeldig is vernietigd, zoals het hof in de parallelle zaak tussen partijen daarover heeft geoordeeld. Gelet op die vernietiging, kunnen uit die VSO II geen rechtsgevolgen voortvloeien, althans niet voor de vorderingen en/of verweren in deze incassozaak. Dit oordeel kan volgens de klacht niet in stand blijven, gelet op [eiser] gelijktijdige cassatieberoep in de parallelle zaak die het oordeel over de nietigheid van de VSO II bestrijdt. Nu het hofoordeel in de parallelle zaak niet definitief is, kan dat niet als grondslag voor de verwerping van de vierde grief in deze incassozaak dienen.
3.3
Nu de klacht in de parallelle zaak tegen het oordeel dat [verweerder] ’ echtgenote de VSO II rechtsgeldig heeft vernietigd blijkens mijn bespreking in de ook vandaag genomen conclusie van de betreffende cassatieklacht in de parallelle procedure (24/01601) niet tot cassatie kan leiden in mijn optiek, treft de klacht in de onderhavige zaak (24/01604) evenmin doel: het oordeel over de vernietiging van VSO II blijft in stand, zodat de daarop rustende afwijzing van de vierde grief door het hof in deze incassoprocedure tevergeefs wordt bestreden met deze klacht.

4.Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep en geef de Hoge Raad in overweging dat te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De feiten zijn ontleend aan het bestreden arrest: Hof Amsterdam 23 januari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:162, rov. 2.1 t/m 2.7.
2.Rb. Amsterdam 8 augustus 2022, zaaknr. 8950281 CV EXPL 20-23326 (niet gepubliceerd).
3.Hof Amsterdam 23 januari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:759.
4.Het procesverloop is gedeeltelijk ontleend aan het bestreden arrest, al aangehaald, rov. 3.1 t/m 3.4.