Conclusie
verzoekster tot cassatie,
hierna: de vrouw,
advocaat: mr. H.J.W. Alt
verweerder in cassatie,
hierna: de man,
advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
3.Procesverloop
ad a) de echtelijke woning gelegen te [adres] en de bijbehorende hypothecaire geldlening
4.Bespreking van het cassatiemiddel
bezwaring, zoals rechtbank en hof in deze zaak wel lijken te menen. [19] Bij bezwaring moet men denken aan het vestigen van een hypotheek of een beperkt recht, zoals een erfdienstbaarheid of een recht van opstal. [20]
onderdeel Ilenen zich voor een gezamenlijke bespreking. In dit onderdeel is, naar ik begrijp, het centrale betoog van de vrouw dat de man al dan niet stilzwijgend heeft ingestemd met het voorkeursrecht tot koop en dat zij in ieder geval op die instemming mocht vertrouwen. Zij voert daartoe aan dat de man vanaf het begin ervan op de hoogte was dat de grond door de ouders van de vrouw uitsluitend aan de vrouw en de man [26] verkocht zou worden tegen een lage prijs onder de voorwaarde dat op de grond een voorkeursrecht tot koop ten behoeve van de ouders gevestigd zou worden. Het hof zou dit hebben miskend, dan wel is het oordeel van het hof onbegrijpelijk of niet toereikend gemotiveerd.
expliciettoestemming heeft kunnen geven.
stilzwijgendheeft ingestemd, althans dat de vrouw daarop mocht vertrouwen. [28] Maar ook voor stilzwijgende instemming met een te verlenen of verleend voorkeursrecht tot koop is vereist dat iemand daar wel kennis van heeft. Het hof had nu juist geoordeeld dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat de man van het voorkeursrecht op de hoogte was. Aan de beoordeling van de vraag of de man met het voorkeursrecht heeft ingestemd, komt het hof derhalve niet toe. Van miskennen door het hof dat de man tenminste stilzwijgend heeft ingestemd met het voorkeursrecht, zoals de klacht luidt, kan dan ook geen sprake zijn. Het oordeel van het hof dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat de man van het voorkeursrecht op de hoogte was, sluit immers uit dat de man daarvoor toestemming heeft kunnen geven, expliciet of impliciet. De klachten slagen dus niet.
onderdeel IIwordt geklaagd dat het hof in r.o. 5.15 ten onrechte het bewijsaanbod van de vrouw heeft gepasseerd. De subonderdelen van ook dit onderdeel lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
niet aannemelijkheeft gemaakt dat het voorkeursrecht met de man is besproken en dat hij van dat voorkeursrecht op de hoogte was. Nader bewijs door het horen van de door de vrouw aangeboden getuigen over juist dit door haar gespecificeerde punt van het op de hoogte zijn door de man zou tot meer duidelijkheid daarover kunnen leiden. Als wel vast zou komen te staan dat de man op de hoogte was van het voorkeursrecht als voorwaarde voor de koop, zou alsnog de vervolgvraag relevant kunnen worden of deze kennis van de man ook zijn stilzwijgende instemming impliceert.
onderdeel IIIeen voortbouwklacht, gericht tegen r.o. 5.14 tot en met 5.17 en het dictum. Deze klacht faalt in het voetspoor van de voorgaande.