ECLI:NL:PHR:2024:105

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 februari 2024
Publicatiedatum
26 januari 2024
Zaaknummer
22/02530
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 49 SrArt. 311 SrArt. 312 lid 3 SrArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt medeplegen poging gekwalificeerde diefstal met strafvermindering wegens termijnoverschrijding

De verdachte werd door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld voor poging tot diefstal met braak en medeplegen daarvan, met een gevangenisstraf van zes maanden. De zaak betreft een poging tot diefstal van hennep uit een woning, waarbij sprake was van een schietincident en de dood van het slachtoffer.

De verdediging stelde in cassatie dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom sprake was van medeplegen en dat het verweer van medeplichtigheid ten onrechte was verworpen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de gedragingen van de verdachte in samenhang met die van de andere verdachten had beoordeeld en dat de bijdrage van de verdachte, namelijk het knippen en dragen van hennep, van voldoende gewicht was om medeplegen te rechtvaardigen.

Daarnaast werd het cassatieberoep ingediend binnen de wettelijke termijn, maar de stukken werden te laat door het hof ingezonden, waardoor de redelijke termijn werd overschreden. Dit leidde tot strafvermindering door de Hoge Raad. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest alleen voor de strafmaat en wees het beroep voor het overige af.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor de strafmaat en verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn, de bewezenverklaring van medeplegen wordt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/02530

Zitting6 februari 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 8 juli 2022 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch wegens “poging tot diefstal, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

3. Het middel klaagt dat de verwerping van een verweer en de bewezenverklaring van medeplegen ontoereikend zijn gemotiveerd.
4. De verdediging heeft volgens het proces-verbaal van de terechtzittingen van het hof van 17, 22 en 24 juni 2022 aangevoerd dat medeplegen niet kan worden bewezen:
“De reden van het appel was een strafmaatverweer en zo blijft het ook.
Ik kan er niet omheen dat het standpunt van de advocaat-generaal thans luidt dat cliënt slechts als medeplichtige kan worden gezien. We staan nu dichter bij elkaar wat dat betreft.
Ik heb een opmerking over de woorden van de advocaat-generaal op pagina 10 van het requisitoir. De advocaat-generaal stelt dat hij dezelfde zoektocht als de officier van justitie heeft gehad naar de vraag wat we nu moeten met cliënt en medeverdachte [betrokkene 1] , van wie het onduidelijk is of zij zijn meegegaan naar de woning en die een andere rol hebben gespeeld. Dit geldt temeer omdat zij op afstand in de auto zijn gebleven. Zij kunnen maximaal worden gezien als medeplichtigen van poging tot diefstal.
[…] De advocaat-generaal heeft gezegd dat cliënt louter tassen zou moeten gaan dragen, maar ik heb het anders begrepen, namelijk dat hij óók tassen zou moeten gaan dragen.
De standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging ten aanzien van de kwalificatie van het feit raken elkaar nu. Het gaat om medeplichtigheid, daar zijn we het over eens. Het is natuurlijk aan uw hof om het feit te kwalificeren, gelet op de betrokkenheid van cliënt en zijn bewegingen ter plaatse. Het gaat niet om wat hij vooraf en nadien heeft gedaan. Er zijn geen tapgesprekken voorhanden waaruit blijkt dat de situatie anders was als door hem geschetst.”
5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
“op 16 februari 2016 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf
om gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd uit een woning (aan de [a-straat 1] ) alwaar verdachte en/of zijn mededaders zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevonden, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een hoeveelheid hennep/hennepplanten, toebehorende aan [slachtoffer] , en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak en inklimming,
daartoe een raam van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] heeft opengebroken/geforceerd (met een of meer breekvoorwerpen en/of schroevendraaiers) en vervolgens die woning is binnen gegaan en de voordeur van die woning heeft opengemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
6. Het hof heeft ten aanzien van het bewijs overwogen:

“3.1 Inleiding

De zaak Chadderton betreft de verdenking van betrokkenheid van alle verdachten bij een voorgenomen diefstal van hennep uit de woning van [slachtoffer] . De poging om die hennep weg te nemen vond plaats op 16 februari 2016, omstreeks 01.27 uur, in de woning aan het [a-straat] te [plaats] [a-straat 1] , [plaats] . Deze diefstal ging echter gepaard met een schietincident. De melder van dit schietincident, zijnde getuige [betrokkene 2] , had drie harde schoten gehoord en had acht personen weg zien rennen. Deze personen waren in drie auto’s weggereden. De politie die naar aanleiding van de melding ter plaatse kwam constateerde dat het draairaam van de woonkamer, aan de voorzijde, was opengebroken. Dit raam stond op een kier en er zaten verse braaksporen op het houtwerk van het raam. Ook de voordeur stond deels open.
Direct achter de voordeur lag een man op de grond. Deze man lag in een plas bloed en was overleden. Het slachtoffer was [slachtoffer] . Bij het slachtoffer werd geconstateerd dat hij een schotwond in zijn hoofd had. In de trap en het plafond van de hal werden twee inschoten gezien. Het slachtoffer had in zijn rechterhand een bebloede schroevendraaier. Door het NFI is vastgesteld dat de dood wordt verklaard als gevolg van bij leven opgetreden perforerend geweld, te weten één inschot aan het hoofd.
Op de eerste verdieping van de woning werd een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. [betrokkene 3] , de echtgenote van [slachtoffer] , heeft verklaard dat de hennepkwekerij aan [slachtoffer] toebehoorde en dat Bulgaarse vrouwen daar kwamen knippen. Mogelijk zouden zij anderen op de hoogte hebben gebracht over het bestaan van de kwekerij om deze vervolgens te kunnen rippen.
Op basis van de uitkomsten van het vervolgens verrichte onderzoek door de politie is een aantal verdachten in deze zaak – [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , [betrokkene 7] en [betrokkene 1] – in beeld gekomen. [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en [betrokkene 1] hebben uiteindelijk bekend aanwezig te zijn geweest in [plaats] . Naast de verdachten in hoger beroep zijn ook de broers [betrokkene 8] en [betrokkene 9] als betrokkenen bij deze gebeurtenis in beeld gekomen. Zij zijn echter niet vervolgd kunnen worden in deze zaak, omdat deze broers enkele maanden na februari 2016 zelf bij een schietpartij in Nijmegen om het leven zijn gekomen.
[betrokkene 10] komt als verdachte in beeld door de verklaring van [betrokkene 6] . Door [betrokkene 1] wordt verklaard over de aanwezigheid van [verdachte] , hetgeen door [verdachte] zelf in meerdere verklaringen wordt bekend.
3.2
Feiten
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat [betrokkene 6] , [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 8] , [betrokkene 9] , [betrokkene 7] , [betrokkene 1] , [verdachte] en [betrokkene 10] op 15 februari 2016 omstreeks 23.00 uur en later op 16 februari 2022 omstreeks 1.15 uur in [plaats] zijn geweest. Het plan was om in de woning aan het [a-straat] te [plaats] [a-straat 1] in te breken en hennep(toppen) te stelen. [betrokkene 6] heeft verklaard dat hij werd getipt door een Bulgaarse man, met de naam ‘ [betrokkene 11] ’, dat de hennep in de woning oogstrijp was. [betrokkene 11] was de man van één van de vrouwen die in voornoemde woning hennep had geknipt. Het plan werd, voorafgaand aan de uitvoer daarvan, besproken in een café in Rotterdam, aldus [betrokkene 6] . Daarbij waren [betrokkene 6] , [betrokkene 4] , [betrokkene 5] en [betrokkene 8 en 9] aanwezig. Er zou zijn afgesproken dat er geen personen of honden in de betreffende woning aanwezig zouden zijn en dat er geen geweld zou worden gebruikt of wapens worden meegebracht.
Rond 23.30 uur werd de eerste ‘poging’ bij de woning aan het [a-straat] [plaats] [a-straat 1] gedaan. Bij die gelegenheid zijn in ieder geval [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 8] en [betrokkene 6] vanaf de parkeerplaats aan het [b-straat] naar het [a-straat] gelopen. Bij de woning hebben zij gecheckt of er iemand thuis was. Dit deden zij door bijvoorbeeld aan te bellen/te kloppen, tegen de deur te schoppen, om het huis te lopen en lawaai te maken. Een aantal minuten later liepen de mannen terug naar de parkeerplaats om daar in de auto te stappen. [betrokkene 8] zou, aldus één van de betrokkenen, hebben gezegd dat het te vroeg was om de woning binnen te gaan.
Later die avond, omstreeks 1.15 uur, zijn de verdachten teruggekeerd naar [plaats] en zijn [betrokkene 6] , [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 8] , [betrokkene 9] , [betrokkene 7] , [verdachte] en [betrokkene 10] (opnieuw) naar de woning aan het [a-straat 1] gegaan. Zij namen twee schroevendraaiers en tie-wraps mee. Uit de auto werd ook een breekijzer gehaald. [betrokkene 5] heeft eerst met het breekijzer het raam van de woning proberen te openen. [betrokkene 4] heeft hem daarbij geholpen. Uiteindelijk is het raam geforceerd met een schroevendraaier. Vervolgens is [betrokkene 8] door het raam de woning binnengegaan en heeft de voordeur open gedaan voor de andere verdachten. [betrokkene 8] werd vervolgens binnen in de woning overlopen door de bewoner, [slachtoffer] .
Op basis van het bewijsmateriaal in het dossier kan naar ’s hofs oordeel genoegzaam worden vastgesteld dat het [betrokkene 8] is geweest die, nadat hij door [slachtoffer] werd overlopen, het slachtoffer door middel van het schieten met een vuurwapen in het hoofd van het leven heeft beroofd. Zijn DNA is immers aangetroffen onder de nagels van het slachtoffer, hetgeen past bij de vaststelling dat op het lichaam van [slachtoffer] ook sporen van een worsteling zaten, en hij is degene die volgens een aantal verdachten uiteindelijk binnen in de woning is geweest en na afloop van de gebeurtenissen zou hebben gezegd dat hij had geschoten.
[…]
3.4
Medeplegen poging diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend
Aan alle verdachten is subsidiair – kort gezegd – het medeplegen van een poging tot gekwalificeerde diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend tenlastegelegd. Ter zake het subsidiair tenlastegelegde overweegt het hof als volgt.
De rechtbank heeft alle verdachten vrijgesproken van het in het subsidiair tenlastegelegde opgenomen strafverzwarende gevolg ‘de dood ten gevolge hebbende’ in de zin van artikel 312, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Alle verdachten zijn vervolgens door de rechtbank veroordeeld wegens het medeplegen van een poging tot een gekwalificeerde diefstal. […]
[…]
Overweging
Het hof stelt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen het volgende vast.
Het hof is van oordeel dat de verdachten in nauwe en bewuste samenwerking de poging tot diefstal hebben gepleegd. De verdachten waren daarbij allen op de hoogte van het plan: het inbreken en stelen van hennep(toppen) uit de woning aan het [a-straat] te [plaats] [a-straat 1] . Iedere verdachte had daar een intellectuele en/of materiële bijdrage aan.
In het bijzonder benoemt het hof hier de rol van de hennepknippers en/of de dragers van de tassen met hennep. De enkele omstandigheid dat de geplande diefstal van hennep uiteindelijk geen doorgang vond en dat het is gebleven bij een poging daartoe, doet niet af aan de rol die deze verdachten zouden innemen. Ook ten aanzien van hun gedragingen kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van verrichte gedragingen die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf, nu deze naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf. Daarbij heeft het hof de omstandigheid betrokken dat de gedragingen van deze beoogde knippers c.q. dragers voldoende dicht bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen zowel in tijd en plaats, maar ook concreet daarop waren gericht. Verder heeft het hof de gedragingen van deze knippers c.q. dragers betrokken binnen het samenstel van alle gedragingen van de verdachten, dus met inbegrip van die van de andere deelnemers (vgl. HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:388). Het plan was om hennep te stelen en daarbij is het knippen van hennep en/of het dragen van tassen met hennep van dusdanig voldoende gewicht dat ook ten aanzien van die verdachten sprake is van medeplegen. Immers, deze rol is essentieel bij het uitvoeren van het plan en ook die verdachten zijn meegegaan naar [plaats] ter vervulling van hun rol. In het kort komt het erop neer dat alle verdachten deel uitmaakten van een en dezelfde doelgerichte dadergroep. De gemeenschappelijke intentie die uit de gezamenlijke gedragingen blijkt, is hier belangrijker dan het gewicht van de bijdrage die de individuele verdachte aan het voorgenomen misdrijf levert.
Gelet daarop acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat alle verdachten tezamen en in vereniging met elkaar zich schuldig hebben gemaakt aan de poging tot diefstal met braak gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd.
[…]
Voor zover de verdediging heeft bepleit dat sprake is van medeplichtigheid aan de poging tot diefstal met braak, wordt dit weerlegd door hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen.”
7. Het hof heeft de bewezenverklaring mede gebaseerd op de volgende bewijsmiddelen:
“8. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 26 juni 2018 door de rechter-commissaris in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [betrokkene 6] :
De persoon getoond op de foto op pagina 117 in het einddossier ken ik, ik had hem opgeslagen als de ‘Marokkaanse man’ in mijn telefoon. Ik weet zijn naam nu wel: [betrokkene 4] , wij spraken elkaar aan met broer. Voor zover ik weet is het een neef van de persoon getoond op pagina 160 in het einddossier
(het hof begrijpt: medeverdachte [betrokkene 5] ).
Ik ben naar hem toe gegaan in Nijmegen. Op straat kwamen er twee Marokkaanse mannen, twee broers naar ons. We maakten kennis met elkaar. Ze vroegen aan mij waar ik mij mee bezig hield, ik antwoordde dat ik wel eens een ritje rijd als het gaat om cannabis. Ze vertelden me dat er binnenkort een klus zou zijn, ze wilden mij om te rijden. Het ging om twee broers. Ik ging terug naar Rotterdam. Na ongeveer een week werd ik gebeld door hen. Ze wilden mij zien en spreken. Ze zijn naar Rotterdam gekomen en we ontmoetten elkaar nabij de Bulgaarse winkel. [betrokkene 7] was toen samen met mij. [betrokkene 10] was er ook bij, en ook [betrokkene 1] . De twee broers vertelden ons dat er transport nodig was voor hennep. Ik vroeg toen wat zij betaalden, vijfhonderd euro antwoorden zij. Ik vroeg duizend euro. Uiteindelijk zijn we op achthonderd euro uitgekomen voor het transport van Bergen op Zoom naar Nijmegen. Ik weet niet welke prijs [betrokkene 7] is overeengekomen. Ik weet niet welke prijs is overeengekomen tussen [betrokkene 7] , [betrokkene 1] en [betrokkene 10] . Per persoon werden prijzen afgesproken. [betrokkene 1] is familie van mijn vrouw, dus uiteraard ken ik hem. Het is de persoon op pagina 132 van het dossier, hij is het. De Marokkaanse mannen gaven mij het adres waar ik mij de dag erna om 11 uur a half 12 in de avond moest melden. Met het adres kregen de anderen hetzelfde adres van de Marokkaanse mannen. Er zou daar een vrouw zijn, zij zou zelf de deur opendoen. Er werd verteld dat [betrokkene 1] , [betrokkene 10] en [betrokkene 7] naar binnen zouden gaan, de hennep zouden knippen en in mijn auto zouden laden. Ik ging naar dit adres toe, ik reed erheen en de navigatie gaf aan dat er nog zeshonderd meter afstand was tot aan de plek. Ik heb mijn auto daar neergezet. Ik heb niet direct voor het adres geparkeerd. Ik reed alleen. De andere drie, dat zijn [betrokkene 7] , [betrokkene 10] en [betrokkene 1] , zijn gekomen met de auto van [betrokkene 7] . Ik reed in een busje, een Volkswagen Transporter. Ik ken de auto van [betrokkene 7] , dat is een Audi. [betrokkene 4] reed in een Golf. De twee andere broers, dan bedoel ik de twee Marokkanen die ik in Nijmegen ontmoet had, reden in een kleine auto, ik weet niet meer welk type. [betrokkene 5] kwam alleen, ik weet niet in welke auto. De Audi is een A8, kleur donkerblauw met een Bulgaars kenteken uit Targovishte. De Golf was grijs metallic. De auto van de broers uit Nijmegen was zwart. [betrokkene 5] reed ook in een donkere auto.
Ik had de auto neergezet op een afstand van 600 meter van het adres. Ik ging naar deze mannen toe op een parkeerplaats naast de kerk. Daar stonden de auto’s, de auto van [betrokkene 7] , de Golf en de auto van [betrokkene 5] stond verderop. Iedereen stapte uit zijn auto en we gingen met elkaar in gesprek.
De twee broers uit Nijmegen vertelden dat er om half twaalf geladen moest worden, en dat we moesten wachten tot de vrouw de deur open deed. Toen ging het over tassen. Toen vertelde ik dat ik andere tassen bij mij had, die ik gekocht had bij de Growup-shop. De tassen die zij bij zich hadden, hadden als nadeel dat als je er hennep in zou doen dat het zou gaan stinken. De twee Marokkanen zeiden mij om naar mijn busje te gaan om de tassen te halen. [betrokkene 5] ging met mij mee, zag mijn busje en zei dat het busje goed geschikt was om te werken. Ik deed dan de achterklep open, haalde de tassen uit de bus, speciale tassen die je eigenlijk moet strijken, maar daar hadden we geen tijd voor. We gingen om de hennep te stelen. Ik heb de tassen meegenomen, diepe tassen, misschien één meter hoog. Ik had ook van die tie-wraps bij mij, ik had aan [betrokkene 5] de tassen en tie-wraps gegeven.
De tie-wraps waren bedoeld om de zakken te sluiten, deze tassen kon je niet zomaar dichtknopen zoals bij vuilniszakken. Ik had ze al een keer eerder gebruikt. De politie kon de hennep toen niet ruiken. We liepen terug. De vrouw zou de deur open doen, ze zouden naar binnen gaan, knippen, de hennep in de tassen doen, en ik moest langs het adres rijden met het busje zodat de tassen in het busje konden worden geladen. Toen [betrokkene 5] en ik van het busje terug waren bij de kerk waar de anderen nog stonden, zei ik kom op, zijn jullie al klaar, zoveel tijd hebben we niet. Op een gegeven moment zeiden de twee broers dat het toch niet zo ging gebeuren omdat de vrouw de deur niet opendeed. Het was ook nodig dat wij gingen inbreken.
Ik ben met dat busje in [plaats] geweest. Ik laat twee foto’s zien, het zijn twee foto’s van hetzelfde busje. Later is er op de motorkap een zwart leren hoes getrokken. Ik heb het busje die nacht bij een park neergezet in de buurt van Beijerland, want daar mag je vrij parkeren. Ik weet niet precies hoe laat dat was, half twee of twee uur ‘s-nachts, ik weet het niet. Op zowel de heen als terugweg heb ik alleen in de auto gezeten. Ik maakte in die periode gebruik van meerdere auto’s, een Ford Transit, ook een blauwe, een Ford Focus, een grijze, ik reed ook in de auto van mijn vrouw, een Mercedes Jeep SUV, de kleur groen, ik reed dus in verschillende auto’s. U vraagt mij of ik die nacht rondom het incident in een andere auto heb gereden. Ik heb die avond de telefoon met nummer [telefoonnummer] ofzo iets gebruikt. U vraagt mij of het kan eindigen of [telefoonnummer] . Dat klopt.
U houdt mij voor dat ik in de nacht van het incident een adres van de twee Marokkaanse broers heb gekregen waar ik heen moest. Zij hebben mij de dag ervoor het adres gegeven toen zij naar Rotterdam kwamen. Dat hebben zij opgeschreven. Zij hadden ook een foto bij zich, met de postcode. Een van de twee broers had in zijn telefoon een foto van de adresgegevens.
De broers zijn een dag ervoor naar Rotterdam gekomen. De dag erop moest ik naar [plaats] . U vraagt mij hoe de rit is gegaan. Iedereen ging afzonderlijk daar naartoe. Ik heb ze pas daar ontmoet. Om elf uur waren we in [plaats] .
10. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 9 augustus 2018, pagina’s 236 tot en met 251, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [betrokkene 6] :
De eerste keer toen wij naar het huis liepen, ik had de informatie, dat de vrouw de deur zou openen. De vrouw zou de deur tussen 23 en 24 uur open doen voor mij. Ik liep naar het huis toe, ik heb geklopt op de deur en de ramen, niemand deed open. Al deze mensen (wijst naar fotonummers 3, 4, 5 en 6) kwamen naar mij toe, ze dachten dat de deur al open was. Ik zei dat er iets aan de hand zou zijn want er werd niet open gedaan. Deze twee broers ( [betrokkene 8 en 9] ) begonnen tegen de deur te schoppen, [betrokkene 7] kwam er bij, de lamp die ging aan. [betrokkene 7] heeft de lamp kapot geslagen samen met deze ( [betrokkene 4] ). Deze, [betrokkene 5] , ging dan het raam open maken. We bleven daar 2 a 3 minuten dan. Maar door de deur en alles was er best veel lawaai. We liepen terug naar de parkeerplaats. Deze Marokkanen ( [betrokkene 8 en 9] ) die raakten geirriteerd en zeiden; de vrouw zou toch voor jou de deur open doen, waarom doet ze dat niet. We zagen dat overal in het huis donker was, er was geen een teken van leven. De Marokkanen zeiden dat we weg moesten, we hadden teveel lawaai gemaakt, later komen we dan terug. Ze zeiden het is 100 procent zeker dat er niemand in het huis is, na al dat lawaai wat er gemaakt was, dan had er in huis licht aan moeten gaan. Ik kan me niet herinneren of [betrokkene 1] toen bij me was, we gingen toen weg een uurtje, ja hij was wel bij me, dus de tijd was verstreken en we kwamen weer terug naar de parkeerplaats naast de kerk. Daarvoor heeft deze man ( [betrokkene 5] ) 2 kleine schroevendraaiers uit mijn auto gehaald en ook de tie-wraps. Toen wij terug kwamen op de parkeerplaats zijn deze 4 mannen terug naar de woning gegaan. Ze liepen daar naartoe en 1 minuut later of zo,. Het is echt een recht stuk, je kon het huis zien want het was een hoekhuis. De afstand tussen ons en de woning was ergens tussen 100 en 200 meter, ik kan me dat niet meer herinneren, we gingen dan stelen. Deze ging ook nu naar het raam toe ( [betrokkene 5] ), dat kon je zien. Ik weet niet hoeveel minuten verstreken waren, het ging heel snel, op een gegeven moment hoorden we boewm. Ik vroeg aan [betrokkene 7] wat er aan de hand is en hij zei dat het lijkt op schieten. Je hoorde dan niet echt een knal, een hard geluid, maar je hoorde het geluid. Een a twee minuten later, na het schot, gingen zij rennen, ik bedoel de Marokkanen.
14. Het proces-verhoor van verhoor d.d. 5 oktober 2018, p. 6-20 van het aanvullend proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
(O: Opmerking verbalisanten
V: Vraag verbalisanten
A: Antwoord verdachte [verdachte]
T: Opmerking tolk)
O: Eerst willen we je mededelen dat je verdachte bent van moord, doodslag op [slachtoffer] , gepleegd in de nacht van 15 op 16 februari 2016.
V: Wat wil je uit je zelftegen ons over dit feit vertellen?
A: [betrokkene 6] en [betrokkene 1] kwamen mij ophalen en vertelden dat ze werk hadden en dat zij hennep gaan knippen. Ze hebben mij opgehaald. We zijn vertrokken. En we zijn op de plek gekomen. Na ons kwamen [betrokkene 10] en [betrokkene 7] . We zijn uitgestapt op 2 a 3 honderd meter. Het was ietsje verder als het huis.
Toen kwamen er een paar Marokkanen naar ons toe. Ik bleef in de auto. Ze gingen met elkaar praten. Ik weet niet hoe lang ze met elkaar gepraat hebben. Ze hebben misschien 2-3 minuten met elkaar gesproken. De auto in gestapt en naar de plek gegaan. We hebben die auto gelaten op misschien 150 meter bij het huis vandaan. Ze hebben ons daar gelaten met [betrokkene 1] , volgens mij was dit [betrokkene 1] . [betrokkene 6] stapte uit de auto en zei tegen ons wacht dan hier op mij. We waren iets van 150 meter van het huis vandaan. Hij zei blijf maar in de auto zitten en ik zou jullie roepen om te gaan knippen. Hij ging weg en misschien 10-15 minuten later hoorden wij schietgeluid. Hij kwam naar de auto en stapte in. Hij zei: 'ik hoorde schoten van binnen laten we maar weggaan.' Wij zijn daar vertrokken en ik ben uitgestapt en ik heb ze daar allemaal achtergelaten bij het huis van [betrokkene 6] . Ik ben naar huis gegaan. Ik was gewoon in de auto, hij kwam ging de auto in en we zijn vertrokken. Ik ben de auto helemaal niet uit geweest.
O: Tijdens dit verhoor zullen er namen worden genoemd. Om er zeker van te zijn dat we het over dezelfde personen hebben laten we jou de foto's zien van de hoofdrolspelers. Deze foto's heeft de politie jou al eerder in het verhoor van 13 september 2018 laten zien.
V: Wie is de persoon op foto 1?
A: [betrokkene 6] .
V: Ik hoorde je ook [betrokkene 6] noemen, is dit dezelfde persoon of is [betrokkene 6] een ander.
A: Ja, ik bedoel dezelfde persoon.
V: Wie is de persoon op foto 2?
A: Ik ken hem als [betrokkene 7] . Zijn Bulgaarse naam is [betrokkene 7] .
V: Wie is de persoon op foto 3 (
het hof begrijpt: medeverdachte [betrokkene 5])?
A: Ik weet het niet helemaal zeker of hij er ook was. Er zijn ook 3-4 Marokkanen gekomen. Het was donker en ik kende ze niet. Ik weet het niet zeker. Ik ken ze niet. De Marokkanen ken ik niet.
V: Wie is de persoon op foto 6 (
het hof begrijpt: medeverdachte [betrokkene 4])?
A: Volgens mij was deze er ook. Ik heb ze niet allemaal kunnen bekijken. Volgens mij waren deze twee daar. Ik weet het niet helemaal zeker. Ik heb ze niet kunnen bekijken. Er waren 3 of 4 Marokkanen daar.
V: Wie is de persoon op foto 7?
A: Ja. Hij heet [betrokkene 1] .
V: Zijn [betrokkene 1] en [betrokkene 1] dezelfde persoon?
A: Ja.
V: Wie is de persoon op foto 8?
A: [betrokkene 10] .
V: Achternaam?
A: Weet ik niet.
V: Wie is de persoon op foto 4 (
het hof begrijpt: medeverdachte [betrokkene 8])?
A: Hetzelfde, misschien was hij daar. Ik weet het niet helemaal zeker, er waren 3 of 4 Marokkanen.
V: Wie is de persoon op foto 5 (
het hof begrijpt: medeverdachte [betrokkene 9])! A: Die ken ik niet.
O: [betrokkene 8 en 9] zijn, zoals eerder verteld, inmiddels overleden dus van hen hebben we geen recente foto's. [betrokkene 8] is afgebeeld op foto 4 en [betrokkene 9] is afgebeeld op foto 5.
O: We leggen de 8 foto's op tafel. Zodra het voor je verhaal belangrijk is kunnen we de foto's gebruiken.
V: We hebben het over 15 en 16 februari.
A: Tegen de middag hebben ze me gebeld dat we gingen werken.
V: Wat bedoelde ze met werken?
A: Normaal om hennep te gaan knippen.
V: Hoe gaat dit dan in zijn werk? Leg eens uit?
A: Je gaat daar om te knippen.
A: Ze zeiden ga mee werken dan kan je centen verdienen.
V: En die avond was de eerste keer?
A: Ja.
V: Wie heeft hem opgebeld
A: [betrokkene 1] . Hij zei we kunnen wat geld verdienen.
V: Waar was je toen je opgehaald werd?
A: Van huis.
V: Wat is op dat moment thuis?
A: [c-straat] .
V: Huisnummer?
A: Ik dacht [c-straat 1] .
V: Toen je opgehaald werd, met welke auto was dit en wie zaten er in?
A: [betrokkene 1] en [betrokkene 6] . Ze waren de enige in de auto. Het was de auto van [betrokkene 6] , een jeepachtig model. Een Mercedes.
V: Waar zat je in de auto?
A: Op de achterbank.
V: Wie reed de auto?
A: [betrokkene 6] .
V: Waar zat [betrokkene 1] ?
A: Voorin.
V: Jullie waren met zijn drieën gereden naar de plaats waar jullie zouden werken?
A: Ja. Na ons kwamen ook [betrokkene 7] en [betrokkene 10] met de auto. Met hun auto kwamen ze.
V: Met welke auto kwam [betrokkene 7] en [betrokkene 10] ?
A: Audi A8.
V: Van wie was die auto?
A: Van [betrokkene 7] .
V: In welke auto zat [betrokkene 10] ?
A: In de Audi bij [betrokkene 7] .
V: Wie reed er?
A: [betrokkene 7] . De auto stopte voor ons toen we daar kwamen. En ik zag hem uit de auto stappen.
A: Ik bleef in de auto en zij stapten uit. [betrokkene 6] zei tegen mij blijf in de auto. Ik zal bellen of ik kom jullie even ophalen. Hij is weggegaan. Na een minuut of 15-20 stapte hij in en zijn we weg gegaan.
V: Jij was de enige die in de auto achterbleef?
A: En [betrokkene 1] .
V: Op het moment dat jullie bij de kerk komen wat gebeurt er dan? Is de auto met de Marokkanen eerder of later? Hoe is dit gegaan?
A: Ze kwamen 5 of 10 minuten later.
V: Met wat voor vervoermiddel kwamen de Marokkanen?
A: Met een Golf.
V: Hoeveel mensen stapten er uit de Golf?
A: 3 of 4.
A: Hun auto stopte niet bij ons. Die stond vrij ver weg. Misschien bij het huis maar niet bij ons.
V: Kon je de woning zien?
A: Ik heb het huis niet gezien. Ik heb niet gezien welk huis het was.
V: Hoe wist je dan dat het 150 meter was?
A: Dat vertelde [betrokkene 6] tegen mij. Hij zei: Ik ga hier bellen en we zitten hier 150 a 200 meter bij het huis vandaan.
A: [betrokkene 6] doet zaken met dit soort mensen.
V: Wat bedoel je met zaken doen?
A: Met Marokkanen Turken maakt hij vrienden.
V: Je zei net dat hij zaken doet met dit soort mensen?
A: Hij kent heel veel mensen en heeft heel veel vrienden.
A: Volgens mij is [betrokkene 1] een keer heel eventjes uitgestapt. Hij stond voor de auto. Maar hij heeft niemand iets gegeven.
A: Toen wij daar waren de eerste keer heeft [betrokkene 6] de kofferbak open gedaan en meteen dicht.
V: Je zegt de eerste keer...
A: Nee, dat was meteen toen we daar aankwamen op de plek. Toen heeft hij de kofferbak open gedaan en meteen weer dicht.
A: De eerste keer dat we op de plek kwamen toen werd de kofferbak open gedaan en meteen dicht.
V: Hoe lang heb je met [betrokkene 1] daar gestaan?
A: Ja, misschien 20-25 minuten.
V: Wat deden jullie ondertussen?
A: We zaten gewoon.
V: Er is geschoten op het slachtoffer.
A: Ik heb geen wapens gezien. We hoorden wel dat er geschoten werd. [betrokkene 6] kwam haastig naar ons toe en hij zegt er wordt binnen geschoten.
V: Wie had je nog meer zien lopen, rennen of op een andere manier?
A: Iedereen stapte in een auto en vertrok.
A: Volgens mij zette eerst de Marokkanen op het lopen.
A: Ik zag de auto voorbij rijden.
V: Wie zaten er in de auto toen hij voorbij reed?
A: Alleen de Marokkanen. Die anderen zijn in zijn eigen auto gestapt.
V: Vertel eens wie je zag lopen en begin bij [betrokkene 6] .
A: [betrokkene 7] en [betrokkene 10] zijn vertrokken. En de Marokkanen ook.
V: Heb je ze zien lopen, rijden of anders?
A: Ik heb de auto's zien vertrekken. Iedereen heeft de auto gestart en ze zijn gaan rijden.
V: Welke auto's reden er weg en hoe hard ging dit?
A: Het Golfje vertrok heel snel weg. Met hoge snelheid.
A: Iedereen eigenlijk. [betrokkene 6] stapte ook stevig op het gas.
A: En [betrokkene 7] . We waren bang dat de Turken achter ons aankomen.
A: [betrokkene 6] zei laten we weggaan voordat ze achter ons aankomen.
V: Jullie rijden allemaal sneller weg als anders. Hoe zijn jullie gereden?
A: Richting Rotterdam. Wij reden een beetje met die twee auto's, met [betrokkene 7] . Die anderen waren heel snel weg.”
8. De Hoge Raad heeft over de kwalificatie en bewijsvoering van medeplegen overwogen:
“3.2.1. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Dat geldt in vergelijkbare zin indien het medeplegen - bijvoorbeeld in de vorm van "in vereniging" - een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving.
Dat de kwalificatie medeplegen gerechtvaardigd moet zijn, is mede van belang omdat het in dit verband vaak gaat om de vraag: medeplegen dan wel medeplichtigheid aan een strafbaar feit. Medeplichtigheid is alleen strafbaar in geval van misdrijf. Verder kent medeplichtigheid een beduidend lager strafmaximum (art. 49, eerste lid, Sr). Medeplegen daarentegen levert regelmatig een wettelijke strafverzwaringsgrond op (zie bijvoorbeeld art. 311, eerste lid onder 4, Sr). Waar het verwijt bij medeplegen zich concentreert op het gewicht van de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte, is het kernverwijt bij medeplichtigheid "het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf" (vgl. HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2629, NJ 2011/341). Voor het gewicht van de rol van de medepleger in de zin van art. 47 Sr Pro kan ook worden gewezen op art. 141, eerste lid, Sr. Het daar strafbaar gestelde "in vereniging plegen" van geweld eist dat de verdachte "een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld" heeft geleverd, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn geweest. (Vgl. bijvoorbeeld HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR: 2013:132, NJ 2013/407).
3.2.2.
Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient overigens opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict. In dit verband valt te wijzen op bijvoorbeeld HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3356, NJ 2010/193 waarin ten aanzien van het medeplegen van een vernieling werd overwogen "dat het louter aanwezig zijn bij en zich niet distantiëren van een door een ander gepleegde vernieling, alsmede het louter instemmen met die vernieling, ieder voor zich en in onderlinge samenhang bezien daarvoor onvoldoende zijn", alsmede HR 3 juni 2014, ECLI:NL: HR:2014:1307 inzake diefstal door twee of meer verenigde personen waarin onvoldoende werd bevonden de enkele vaststelling "dat de verdachte een vluchtmogelijkheid heeft gefaciliteerd en dat het niet anders kan zijn dan dat over het verschaffen van deze vluchtmogelijkheid van te voren door de verdachte en zijn mededaders afspraken zijn gemaakt".
3.2.3.
De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. (Vgl. bijvoorbeeld HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9972, NJ 2012/452). Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Dat geldt in nog sterkere mate indien het hoofdzakelijk gaat om gedragingen die na het strafbare feit zijn verricht. (Vgl. HR 9 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ6505, NJ 2013/229). Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.
3.3.1.
Er bestaat geen precieze afgrenzing tussen medeplegen en de andere deelnemingsvormen. Dat neemt niet weg dat wanneer medeplegen wordt tenlastegelegd, dit medeplegen moet worden beoordeeld aan de hand van de voor medeplegen geldende maatstaven. Het gebruikmaken van aan andere deelnemingsvormen ontleende begrippen of constructies kan de bewijsvoering voor medeplegen compliceren en verdient daarom in zulke gevallen geen aanbeveling. (Vgl. HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012: BX5140 en HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1593, in welke zaken het medeplegen door het hof was bewezenverklaard aan de hand van criteria voor het zogenoemde functionele daderschap). Het valt overigens op dat het openbaar ministerie bij het tenlasteleggen van commune en andere niet-economische strafbare feiten - in vergelijking met economische delicten - vaker gebruik lijkt te maken van (soms ingewikkelde) deelnemingsconstructies dan van het meer geëigend lijkende functionele daderschap. (Vgl. HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6581, NJ 2011/481 met betrekking tot de verkoop van hennepplanten door de eigenaar van een growshop).” [1]
9. In de schriftuur wordt aangevoerd dat het hof ten aanzien van de gedragingen, handelingen en wetenschap van de verdachte slechts heeft vastgesteld dat hij in de middag van 16 februari is benaderd is met het verzoek hennep te gaan knippen, dat hij met een aantal anderen is meegereden, dat hij in of nabij de auto is gebleven, dat hij daar heeft gewacht tot anderen terugkwamen en dat hij vervolgens met hen is vertrokken. Volgens de steller van het middel blijkt uit de bewijsmiddelen dat de medeverdachten eerder overleg hebben gevoerd waarbij afspraken zijn gemaakt en een plan is bedacht, maar blijkt niet dat de verdachte daarbij aanwezig is geweest of enige rol van betekenis heeft gespeeld en evenmin dat de verdachte van het plan om in te breken en hennep te gaan stelen op de hoogte is geweest. Daarom zijn de bewezenverklaring en de verwerping van het verweer volgens de steller van het middel ontoereikend gemotiveerd.
10. De steller van het middel miskent evenwel dat het hof gelet op de gebezigde bewijsmiddelen en zijn bewijsoverwegingen de gedragingen van de verdachte in een breder perspectief heeft geplaatst en deze in onderlinge samenhang met de gedragingen van de andere verdachten heeft beoordeeld.
11. Uit de bewijsmiddelen 8, 10 en 14 volgt dat:
- de verdachte in de avond van 15 februari 2016 door [betrokkene 6] en [betrokkene 1] in Rotterdam is opgehaald;
- de taak van de verdachte het knippen van hennep zou zijn;
- zij in de auto van [betrokkene 6] naar [plaats] zijn gereden;
- hun auto omstreeks 23:00 uur samen met andere auto’s een plein in [plaats] is opgereden;
- iedereen aldaar is uitgestapt en met elkaar in gesprek ging;
- de woning met de hennep op een paar honderd meter van de parkeerplaats vandaan lag;
- het plan was om de hennep te stelen;
- [betrokkene 8 en 9] op enig moment zeiden dat het niet ging gebeuren zoals was gepland, omdat een vrouw de deur niet voor hen opendeed en dat het nodig was dat er werd ingebroken;
- omdat er inmiddels teveel lawaai was gemaakt, iedereen eerst is weggegaan en na ongeveer een uur is teruggekomen;
- [betrokkene 6] zijn auto ergens tussen de 100 en 200 meter van de woning parkeerde;
- de verdachte daar bleef wachten op een seintje om naar de woning te komen;
- nadat schoten waren gevallen, iedereen onverrichter zake is vertrokken.
12. Het hof is op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen van oordeel dat de verdachten in nauwe en bewuste samenwerking de poging tot diefstal hebben gepleegd. Het hof heeft in dat kader vastgesteld dat alle verdachten – en dus ook de verdachte in de zaak die nu aan de orde is – op de hoogte waren van het plan in te breken en de hennep(toppen) te stelen. Dat de verdachte niet een van de bedenkers van het plan is geweest, doet daaraan niet af. Daarnaast heeft het hof geoordeeld dat iedere verdachte een voor medeplegen vereiste intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd. Ten aanzien van de verdachte heeft het hof daartoe overwogen dat het knippen van hennep en/of het dragen van tassen met hennep van dusdanig voldoende gewicht is dat ook ten aanzien van de hennepknippers en/of dragers sprake is van medeplegen, nu deze rol essentieel is voor de uitvoering van het plan om hennep te stelen, terwijl de verdachten zijn meegegaan naar [plaats] ter vervulling van deze rol. Het hof heeft voorts geoordeeld dat de gemeenschappelijke intentie die uit de gezamenlijke gedragingen blijkt, belangrijker is dan het gewicht van de bijdrage van de individuele verdachte.
13. Mede gelet op hetgeen onder 8 is vooropgesteld, is het oordeel van het hof dat sprake is van medeplegen toereikend gemotiveerd. Het hof heeft in de kern vastgesteld dat de verdachte op de hoogte was van een gezamenlijk plan om de hennep te stelen, dat hij in het kader daarvan met de andere verdachten naar de woning is gegaan en dat hij een rol zou hebben bij de uitvoering van het delict door de hennep te knippen of deze hennep te dragen. Dat zijn gedragingen die het hof heeft kunnen aanmerken als een voor medeplegen vereiste wezenlijke bijdrage aan het delict. Daarmee faalt de klacht over de motivering van de bewezenverklaring van het medeplegen.
14. Mede gelet op het voorgaande, faalt ook de klacht dat het hof een verweer ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. Het hof heeft immers niet onbegrijpelijk overwogen dat voor zover de verdediging heeft bepleit dat sprake is van medeplichtigheid aan de poging tot diefstal met braak, dit wordt weerlegd door hetgeen het hof omtrent het medeplegen van de poging tot gekwalificeerde diefstal heeft overwogen.
15. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Het tweede middel

16. Het middel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
17. Op 11 juli 2022 is namens de verdachte cassatieberoep ingesteld. De stukken van het geding zijn op 31 mei 2023 door de Hoge Raad ontvangen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met meer dan twee maanden overschreden. Omdat een voortvarende afdoening door de Hoge Raad niet meer mogelijk is, moet strafvermindering volgen.
18. Het middel slaagt.

Slotsom

19. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.
20. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
21. Deze conclusie strekt tot:
- vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf;
- verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474,