ECLI:NL:PHR:2024:1054

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 oktober 2024
Publicatiedatum
10 oktober 2024
Zaaknummer
22/02445
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 231 lid 2 SrArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 ROArt. 359 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het redelijkerwijs moeten vermoeden van bezit van een vals paspoort

De verdachte, een Oegandese vrouw werkzaam als nanny, werd veroordeeld wegens het voorhanden hebben van een vals Italiaans paspoort waarvan zij redelijkerwijs moest vermoeden dat het vals was. Het paspoort was door haar werkgever via een Servisch bedrijf gekocht, omdat haar Schengenvisum was verlopen. De verdachte reisde met dit paspoort door Europa en kreeg zelfs een inreisvisum voor Oeganda.

De verdediging voerde aan dat de verdachte te goeder trouw was en geen reden had om aan de echtheid van het paspoort te twijfelen, mede vanwege haar beperkte kennis van Europese procedures en haar afhankelijkheid van de werkgever. Het hof verwierp dit verweer omdat de verdachte ook beschikte over een vals rijbewijs en identiteitskaart, en een brief die twijfel opriep over de echtheid van de documenten. Het hof stelde dat de verdachte een zelfstandige onderzoeksplicht had en dat zij niet blind mocht vertrouwen op haar werkgever.

Het hof achtte bewezen dat de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat het paspoort vals was. De verdachte had alarmbellen moeten horen gezien de omstandigheden en de inconsistenties in de documenten. De verdediging stelde dat de verdachte vanwege haar achtergrond minder kon worden verwacht, maar het hof vond dit onvoldoende om het oordeel te veranderen.

Daarnaast werd een klacht over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase gegrond verklaard, maar dit leidde niet tot cassatie vanwege de korte straf en beperkte termijnoverschrijding. De conclusie van de procureur-generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot zeven weken gevangenisstraf wegens het redelijkerwijs moeten vermoeden dat zij een vals paspoort voorhanden had.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02445
Zitting15 oktober 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte
I.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 30 juni 2022 door het gerechtshof Amsterdam (enkelvoudige kamer) wegens “een reisdocument voorhanden hebben, waarvan zij redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vals is”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven weken, met aftrek van het voorarrest.
Namens de verdachte heeft M. Berndsen, advocaat in Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
II.
Het eerste cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
3. Het middel komt op tegen de bewezenverklaring en valt uiteen in de volgende twee deelklachten:
(i) het door het hof bewezenverklaarde ‘redelijkerwijs moest vermoeden’ geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is ontoereikend gemotiveerd;
(ii) het hof heeft het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging strekkende tot vrijspraak wegens het ontbreken van schuld ontoereikend gemotiveerd verworpen.
Deze deelklachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
De bewezenverklaring en bewijsoverwegingen van het hof
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij op 5 oktober 2021 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een reisdocument als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van Pro het Wetboek van Strafrecht, te weten een nationaal paspoort van Italië voorzien van het [nummer] op naam gesteld van [verdachte], waarvan zij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden dat dit vals was, voorhanden heeft gehad.”
5. Het hof heeft het volgende overwogen:
“De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte in deze zaak geen strafrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. Hij heeft verwezen naar de gang van zaken bij de verkrijging van het Italiaanse paspoort zoals die wordt weergegeven in een e-mailbericht van de werkgever van de verdachte, [werkgever], van 18 oktober 2021. Dit e-mailbericht is in eerste aanleg door de verdediging overgelegd.
Kort en zakelijk weergegeven komt die gang van zaken op het volgende neer.
De (Oegandese) verdachte is sinds 2019 werkzaam als nanny voor [werkgever] en diens gezin. Zij woonden eerst in Dubai, maar brachten jaarlijks de zomer door in Frankrijk of Spanje. [werkgever] is Fransman. Om naar Europa te kunnen reizen, regelde [werkgever] een Schengenvisum voor de verdachte via de Franse ambassade in Dubai. Daarmee vergezelde zij de familie naar Spanje. Vanwege de Covid-uitbraak verbleef het gezin langer dan anders in Spanje. Daardoor verliep het Schengenvisum van de verdachte. [werkgever] hoorde van vluchtelingen uit diverse landen dat zij een andere nationaliteit hadden gekocht en dat er bedrijven waren die dat verzorgden. De snelste en goedkoopste aanbieder was een Servisch bedrijf, waar [werkgever] voor de verdachte het Italiaanse paspoort kocht. Na aankoop bleek de Servische aanbieder verder onvindbaar. De verdachte heeft diverse keren met de familie door Europa gereisd met het paspoort en zij heeft ook een inreisvisum voor Oeganda gekregen op dat paspoort. Zij zou in Oeganda haar familie gaan bezoeken. Er was geen aanleiding te denken dat het Italiaanse paspoort vals was en zowel [werkgever] als de verdachte waren te goeder trouw. Vrijspraak moet volgen.
Het hof constateert uit hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht dat er binnen de familie discussie is geweest over hoe te reizen als het Schengenvisum zou zijn verlopen. Naar mag worden aangenomen was de voertaal in de contacten van de verdachte met de familie Engels, zodat de verdachte geacht kan worden dit alles te hebben kunnen volgen.
Daar komt nog het volgende bij. Naast het door een bemiddelingsbureau verstrekte paspoort had de verdachte ook nog de beschikking over een vals Italiaans rijbewijs en een valse Italiaanse identiteitskaart. Deze documenten zijn volgens de daarop vermelde data, net als overigens het paspoort, verstrekt vóórdat de verdachte voor de [familie] in Dubai is gaan werken.
Bovendien is bij de verdachte nog een brief aangetroffen, kennelijk geschreven ten behoeve van de verkrijging van een visum voor Oeganda, die ook te denken geeft. De brief zou afkomstig zijn van [bedrijf] Ltd, gevestigd te Kampala (Oeganda). In de – Engelstalige – brief staat dat deze firma een ‘business partnership’ heeft met de verdachte, dat zij op kosten van dat bedrijf wordt uitgenodigd om de faciliteiten van die firma te bezoeken, dat de ontmoeting verder is bedoeld om de banden te versterken en sommige voorzorgen en regels in Italië en Spanje te bespreken, alsmede de problemen die het bedrijf ondervindt bij het verzenden per luchtvracht van aan bederf onderhevige goederen.
Gelet op dit een en ander had de verdachte zich minst genomen moeten afvragen hoe de vork nu precies in de steel stak en hadden er bij haar alarmbellen af moeten gaan op het punt van de echtheid van het paspoort. Zij kon in die omstandigheden niet volstaan met een blind vertrouwen dat haar werkgever het wel goed zou hebben geregeld: op haar rustte een zelfstandige onderzoeksplicht, waaraan zij niet heeft voldaan. Dat zij vóór haar aanhouding het vals gebleken paspoort succesvol heeft kunnen gebruiken, doet aan het vorenstaande niet af. Het hof acht hiermee bewezen dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het paspoort dat zij voorhanden had, vals was.”
Het verweer van de verdediging
6. De raadsman van de verdachte heeft in hoger beroep verzocht om vrijspraak van het tenlastegelegde. In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is daarover het volgende gerelateerd:
“De raadsman deelt het volgende mee over de persoonlijke omstandigheden van zijn cliënte – kort en zakelijk weergegeven –:
Ik weet niet hoe lang het inreisverbod voor mijn cliënte geldt. Ze werkt nog voor de [familie]. Voor zover ik weet hebben ze haar niet laten vallen en vinden ze hoe het is gegaan heel erg. De familie verblijft nu elders, buiten Europa. Ik verwijs u overigens naar een e-mail van [werkgever] die zich in het dossier bevindt, en waarin hij uitlegt hoe het precies in elkaar zit. U wijst mij op de uitnodigingsbrief van een agrarisch bedrijf die mijn cliënte bij zich had. Ik weet niet precies hoe dat zit. Toen ze naar Dubai ging, kwam ze van het platteland van Oeganda. Voor haar was alles ongebruikelijk, zelfs een koffiezetapparaat. In Oeganda heeft ze een voor haar heel vertrouwde omgeving. Ik kan u niet zeggen hoe de omstandigheden daar precies zijn. U vraagt mij, onder verwijzing naar het aangetroffen rijbewijs, of mijn cliënte wel een auto kan besturen. Volgens mij wel. Het klopt dat ze een blanco strafblad heeft.
[…]
De raadsman voert het woord tot verdediging en doet dit aan de hand van zijn pleitnotities. Deze pleitnotities zijn aan het hof overgelegd, worden aan dit proces-verbaal gehecht en de inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.
In aanvulling op punt 3 van de pleitnotities voert de raadsman nog het volgende aan – kort en zakelijk weergegeven –:
Mijn cliënte was de enige met een Schengenvisum, dat was verlopen. Dus moest ze op zoek naar een verlenging. Ik weet dat veel mensen uit het Midden-Oosten het op deze manier doen om vrij te kunnen reizen. Het kost wel geld.”
7. De door de raadsman voorgedragen pleitnotities houden – voor zover hier van belang – het volgende in:

Vrijspraak
2. Het staat niet ter discussie dat het Italiaanse paspoort waarmee cliënte heeft gereisd vals was. Het staat ook niet ter discussie dat zij dat paspoort niet zelf heeft geregeld. Haar baas, [werkgever], heeft dit voor haar geregeld en hij verkeerde in de veronderstelling dat het om een echt paspoort ging.
3. [werkgever] heeft in zijn e-mail uitgebreid toegelicht hoe het een en ander is verlopen. Zijn gezin, waarvan cliënte als nanny deel uitmaakt (
bijlage I), woont in Dubai, maar kon ha een verblijf in Europa niet terugkeren vanwege het coronavirus. Omdat cliënte de termijn voor haar Schengenvisum had overschreden heeft hij geprobeerd om een citizenship by investment voor haar te regelen. Dit is in Nederland niet mogelijk, maar in Zuid-Europese landen komt het regelmatig voor (
bijlage II). Het is een dure maar legale manier om burger van een EU-land te worden en is ook mogelijk als de aanvrager geen connectie heeft met het betreffende land en/of daar niet verblijft.
4. Veel bedrijven bieden bemiddelingsdiensten aan bij het verkrijgen van zo’n citizenship (
bijlage III). De baas van cliënte heeft meerdere aanbieders vergeleken en er één gekozen omdat deze betrouwbaar overkwam en iets goedkoper was dan andere aanbieders. Evengoed heeft hij ongeveer € 30.000,- betaald aan de aanbieder (in termijnen,
bijlage IV). Deze bemiddelaar heeft aan [werkgever] ook een video gestuurd om aan te tonen dat de documenten echt waren. Dit is de eerste keer dat de baas van cliënte gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van citizenship by investment en hij is (dus) niet bekend met wat wel en wat niet gebruikelijk is in deze procedure. Dit geldt te meer voor cliënte die vanzelfsprekend niet bekend is met wat gebruikelijk is in de Europese Unie. Zoals haar baas in zijn brief ook heeft aangegeven: totdat cliënte naar Dubai kwam wist zij niet wat een koffiezetapparaat was. We kunnen niet van haar verwachten dat zij weet hoe een bijzondere procedure om door middel van een investering een nationaliteit te verkrijgen werkt.
5. [werkgever] heeft de Italiaanse identiteitsdocumenten ontvangen en aan cliënte gegeven. Hij dacht dat het echte documenten waren en hij heeft cliënte ook gezegd dat het echte documenten waren. Cliënte heeft binnen Europa ook probleemloos (per vliegtuig) met deze documenten kunnen reizen. Dit betekent vanzelfsprekend dat het document er echt uitzag.
6. [werkgever] weet nu dat het paspoort vals is, al heeft het ook mij moeite gekost om hem daarvan te overtuigen. Pas nadat hij zelf de Italiaanse autoriteiten naar de echtheid van de documenten had gevraagd geloofde hij dat hij was opgelicht. De bemiddelaar bleek niet meer bereikbaar.
7. Van cliënte kan vanwege haar afkomst en de beperkte kennis van de procedures in Europa niet worden verweten dat zij heeft vertrouwd op haar baas. Zij gaat dagelijks met hem om en heeft geen reden om hem niet te vertrouwen. [werkgever] is een zakenman en cliënte ging er van uit dat hij wist wat hij deed. Hoe had zij in redelijkheid meer onderzoek kunnen doen naar het paspoort? Zij heeft daarvoor de kennis niet en alles wat zij had kunnen doen was vragen stellen aan haar baas, maar hij was er heilig van overtuigd dat het echte documenten waren.
8. De officier van justitie [1] heeft er in eerste aanleg op gewezen dat € 30.000 te weinig is voor een citizenship by investment van Italië, het kan best zo zijn dat [werkgever] te goedgelovig is geweest, maar ik heb nog nooit gezien en kan het me ook niet voorstellen dat iemand bewust € 30.000 betaalt voor een vals paspoort, dat normaal ongeveer € 600,- kost (
bijlage V). Juist het feit dat hij niet alleen een paspoort maar ook een identiteitskaart en rijbewijs heeft betaald bevestigt dat hij dacht dat het legitiem was.
9. Als al zou komen vast te staan dat [werkgever] moest vermoeden dat het paspoort vals was, maakt dat niet dat cliënte dit ook wist of moest vermoeden. Zij kon niet meer doen dan vertrouwen op haar baas. Zij had voordat zij [werkgever] leerde kennen een eenvoudig bestaan in een dorp in Uganda. Zij had in het geheel geen ervaring met dit soort procedures in Europa en was afhankelijk van haar baas, die zij vertrouwde. Gelet op al die bijzondere omstandigheden kan niet worden bewezen dat zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het paspoort vals was. Ik verzoek u dan ook om haar vrij te spreken. [2]
De bespreking van het middel
8. De verdachte is door het hof veroordeeld voor overtreding van art. 231 lid 2 Sr Pro. Op Schiphol is zij aangehouden met een nationaal paspoort van Italië, dat vals bleek te zijn. Dat het paspoort daadwerkelijk vals is, is niet betwist en kan derhalve in cassatie als vaststaand worden aangenomen. Het cassatiemiddel richt zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte
redelijkerwijs moest vermoedendat het paspoort vals is (cursivering door mij, A-G).
9. In hoger beroep is door de raadsman betwist dat de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat het paspoort vals is. Daartoe is – samengevat – het volgende aangevoerd. De (Oegandese) verdachte is sinds 2019 werkzaam als nanny voor de [familie]. Om naar Europa te kunnen reizen, regelde [werkgever] een Schengenvisum voor de verdachte, waarmee zij de familie vergezelde naar Spanje. Vanwege de Covid-uitbraak verbleef het gezin langer dan anders in Spanje. Daardoor verliep het Schengenvisum van de verdachte. [werkgever] had van vluchtelingen begrepen dat zij een andere nationaliteit hadden gekocht en dat er bedrijven waren die dat verzorgden. [werkgever] heeft toen via een Servisch bedrijf – de snelste en goedkoopste aanbieder van een paspoort – een Italiaans paspoort voor de verdachte gekocht. De verdachte heeft diverse keren met de familie door Europa gereisd met het paspoort en zij heeft ook een inreisvisum voor Oeganda gekregen op dat paspoort. Betoogd is dat de verdachte mocht vertrouwen op haar werkgever. Van de verdachte kan niet hetzelfde worden verwacht als van de gemiddelde Nederlander, nu ze eerder een eenvoudig bestaan had in Oeganda, geen ervaring had met paspoortprocedures in Europa en afhankelijk was van haar werkgever.
10. Het hof heeft dit verweer verworpen. Naar het oordeel van het hof hadden bij de verdachte alarmbellen moeten afgaan op het punt van de echtheid van het paspoort. Aan dat oordeel heeft het hof de volgende vaststellingen ten grondslag gelegd. Binnen de [familie] is destijds discussie geweest over hoe te reizen als het Schengenvisum van de verdachte zou zijn verlopen. Het hof neemt aan dat de voertaal in de contacten van de verdachte met de familie Engels was en dat zij dit alles heeft kunnen volgen. Naast het paspoort had de verdachte ook nog de beschikking over een vals Italiaans rijbewijs en een valse Italiaanse identiteitskaart. Volgens de daarop vermelde data zijn al die drie valse identiteitsbewijzen verstrekt vóórdat de verdachte voor de [familie] in Dubai is gaan werken. Bij de verdachte is nog een brief aangetroffen van [bedrijf] Ltd te Kampala, die inhoudt dat deze firma een ‘business partnership’ heeft met de verdachte, dat zij op kosten van dat bedrijf wordt uitgenodigd om de faciliteiten van die firma te bezoeken, en dat de ontmoeting verder is bedoeld om de banden te versterken en sommige voorzorgen en regels in Italië en Spanje alsmede de problemen die het bedrijf ondervindt bij het verzenden per luchtvracht van aan bederf onderhevige goederen te bespreken. Het hof gaat ervan uit dat deze brief is geschreven ten behoeve van de verkrijging van een visum voor Oeganda. Gelet hierop had de verdachte zich volgens het hof minst genomen moeten afvragen hoe de vork precies in de steel stak. Zij kon in die omstandigheden niet volstaan met een blind vertrouwen dat haar werkgever het wel goed zou hebben geregeld: op haar rustte een zelfstandige onderzoeksplicht, waaraan zij niet heeft voldaan. Dat zij vóór haar aanhouding het vals gebleken paspoort succesvol heeft kunnen gebruiken doet hieraan niet af, aldus het hof. Het hof acht hiermee bewezen dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het paspoort dat zij voorhanden had, vals was.
11. In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats gesteld dat ‘redelijkerwijs moest vermoeden’ betekent dat de verdachte schuld moet hebben gehad, dat zij bij enig nadenken had kunnen vermoeden dat het paspoort vals was en dat zij niet zonder nader onderzoek mocht uitgaan van de echtheid. Voor zover ’s hofs oordeel anders moet worden begrepen, geeft dat oordeel volgens de steller van het middel blijk van een onjuiste rechtsopvatting van ‘redelijkerwijs moest vermoeden’ als bedoeld in art. 231 lid 2 Sr Pro. Uit de toelichting wordt mij niet duidelijk in welk opzicht het bestreden oordeel van een onjuiste rechtsopvatting zou getuigen en ik vind in het arrest ook zelf geen aanknopingspunten voor de stelling dat het hof een verkeerde maatstaf heeft aangelegd in zijn oordeel dat sprake is van schuld (in de zin van culpa) aan de zijde van de verdachte. Het middel klaagt daarover tevergeefs.
12. Het middel behelst voorts de deelklacht dat ‘s hofs oordeel ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de bewijsvoering onvoldoende duidelijk wordt waarom de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest. Volgens de steller van het middel zijn de door het hof bij zijn oordeel betrokken omstandigheden dat de verdachte de discussie binnen de familie over het verloop van haar Schengenvisum moet hebben meegekregen en dat bij haar een brief is aangetroffen die samenhangt met de aanvraag van een Oegandees inreisvisum daartoe niet redengevend. Dat zie ik anders. Naar ik meen heeft het hof tot uitdrukking willen brengen dat het hof het scenario dat de verdachte helemaal van niets wist en volledig vertrouwde op haar baas niet aannemelijk acht, gelet op het feit dat (i) zij moet hebben meegekregen dat haar baas via een Servisch bedrijf het Italiaans paspoort voor haar heeft gekocht, (ii) zij dit paspoort samen met een brief, waarvan de inhoud evident vals was, heeft gebruikt voor de aanvraag van een Oegandees inreisvisum en (iii) de uitgiftedatum op het paspoort niet strookt met het moment waarop zij het paspoort heeft ontvangen, maar is gelegen in de periode vóórdat de verdachte werkzaam was voor de [familie]. Het oordeel van het hof dat zij vraagtekens had moet stellen bij de echtheid van dat paspoort komt mij, gelet op deze feiten en omstandigheden en tevens in onderlinge samenhang bezien, niet onbegrijpelijk voor. Daarin ligt naar mijn inzicht ook voldoende duidelijk besloten dat en waarom de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest. Evengoed kan ik volgen de overweging van het hof dat de omstandigheid dat de verdachte met het valse paspoort volgens de verdediging succesvol heeft kunnen reizen binnen Europa, niet afdoet aan de onderzoeksplicht die op haar rustte. [3]
13. Anders dan het middel wil, is voormeld oordeel naar mijn inzicht ook in de zin van art. 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv voldoende gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat het hof niet is ingegaan op de door de verdediging aangevoerde omstandigheid dat van de verdachte, vanwege haar afkomst en achtergrond, minder mag worden verwacht ten aanzien van Europese paspoortprocedures dan van de gemiddelde Nederlandse rechtsgenoot. Daarbij neem ik in aanmerking dat de motiveringsplicht van art. 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv niet zo ver gaat dat bij de niet-aanvaarding van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. [4]
14. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
III.
Het tweede cassatiemiddel en de bespreking daarvan
15. Het tweede middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
16. Namens de verdachte is op 30 juni 2022 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 30 mei 2023 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met drie maanden overschreden. Het middel klaagt daarover terecht. Gelet op de duur van de opgelegde gevangenisstraf en de omvang van de termijnoverschrijding, meen ik dat in dit geval kan worden volstaan met een constatering van de overschrijding.
IV.
Slotsom
17. Het eerste middel faalt en kan mijns inziens worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Het tweede middel is terecht, maar leidt niet tot cassatie.
18. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, waarmee de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro wordt overschreden. Om de redenen als vermeld in randnummer 16 meen ik dat de Hoge Raad kan volstaan met de enkele constatering van de overschrijding.
19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Hierbij staat de handgeschreven aanvulling: “en AG”.
2.Hierbij staat de handgeschreven aanvulling: “van een gemiddeld Nederlands persoon kan dat, van haar niet”.
3.Overigens vindt bij vluchten binnen Schengengebied in de regel geen paspoortcontrole plaats.
4.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,