Conclusie
Nummer22/03775
Inleiding
medeplegen van poging tot doodslag, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of aan andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren" en onder 2 “
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 91 maanden onder aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr Pro. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen omtrent in beslag genomen voorwerpen, de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij en het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
De bewijsconstructie van het hof
” Hierop antwoordt [slachtoffer] op 11 mei 2020 per mail als volgt: “klopt na eigen onderzoek ben ik er achter gekomen dat het inderdaad een dwaalspoor is geweest
” (B 0026-0035). Het hof acht dit een afdoende toelichting van [slachtoffer] en merkt nog op dat ook thans uit het onderzoek van de politie van geen enkele betrokkenheid van [betrokkene 2] is gebleken.
Wie heeft het schot gelost?
,“(...) maar ik zag die man doet rare manoeuvre, snapje wat ik bedoel? Het ging gewoon vanzelf..."
en''Die mannen zeggen “Je had niet hoeven te schieten... je had niet hoeven te schieten”"
die, gelet op de context van de gesprekken en de kenmerkende omstandigheden rondom dit schietincident, naar het oordeel van het hof in redelijkheid niet anders kunnen worden uitgelegd dan vanuit de rol van de schutter.
” of “je had niet hoeven schieten
" acht het hof onvoldoende om voor hen een contra-indicatie voor voorwaardelijk opzet aan te nemen. Immers, dat bij een ripdeal met één van de daartoe meegenomen wapens, waaronder een automatisch vuurwapen, kan worden geschoten op het slachtoffer en deze daarbij dodelijk kan worden getroffen is een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te noemen. De kans op verzet en de mogelijke aanwezigheid van wapens bij iemand die kilo's verdovende middelen voorhanden heeft is immers een zeer reële mogelijkheid. Dat de verdachten rekening hielden met een mogelijke tegenactie van [slachtoffer] dan wel personen in zijn omgeving blijkt ook uit het soort wapens dat zij bij zich hadden waaronder in ieder geval één automatisch vuurwapen en de manier van handelen in de ruimte voor de lift van de parkeergarage waarbij [slachtoffer] vanuit meerdere posities onder schot werd gehouden. Nu ieder van hen een wapen bij zich had, ieder zich in ieder geval bij het tonen van de wapens ook bewust was van de aanwezigheid van de wapens bij de anderen en het de bedoeling was het slachtoffer van zijn wiet te beroven, heeft ieder van hen rekening gehouden met de mogelijkheid dat (één van) de vuurwapen(s) zou worden gebruikt en daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer daardoor mogelijk dodelijk zou worden getroffen.
Het eerste middel
De beoordeling van het eerste middel
Het tweede middel
niette gebruiken voor het bewijs. Het buiten het bewijs laten van de herkenning van de verdachte door het slachtoffer is volgens de steller van het middel “
geen inhoudelijke beslissing, maar ‘een vondst’ van het hof om te voorkomen dat het zich over de gevoerde verweren diende uit te laten.” Daarnaast stelt de steller van het middel zich op het standpunt dat de waardering van het OVC-bewijs “
arbitrair” is, omdat er ook OVC-bewijs zou zijn dat het daderschap van de verdachte uitsluit.