ECLI:NL:PHR:2024:106

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 januari 2024
Publicatiedatum
29 januari 2024
Zaaknummer
22/03775
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 27 SrArt. 288 SrArt. 2 onder C OpiumwetArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling medeplegen poging gekwalificeerde doodslag en drugshandel

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het hof Amsterdam van 6 oktober 2022, waarin de verdachte is veroordeeld tot 91 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van poging tot gekwalificeerde doodslag en het bezit van cocaïne.

Het hof stelde vast dat de verdachte samen met medeverdachten op 15 juni 2019 betrokken was bij een ripdeal in een parkeergarage te Amsterdam waarbij het slachtoffer werd beschoten met een automatisch vuurwapen. Het hof achtte bewezen dat de verdachte het schot loste met voorwaardelijk opzet op de dood en dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking met het oogmerk om het strafbare feit voor te bereiden en te vergemakkelijken.

De verdediging voerde onder meer aan dat het schot per ongeluk was gelost en dat het bewijs onvoldoende was voor het vereiste oogmerk en voorwaardelijk opzet. Ook werd een schending van artikel 6 EVRM Pro en het beginsel van zuiverheid van oogmerk aangevoerd. De Hoge Raad verwierp deze middelen en bevestigde het oordeel van het hof. De bewijsvoering was gebaseerd op verklaringen van het slachtoffer, telefoniegegevens, observaties en opgenomen gesprekken.

De Hoge Raad vond geen schending van het recht op een eerlijk proces en benadrukte de rechterlijke vrijheid in de waardering van het bewijs. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot 91 maanden gevangenisstraf blijft gehandhaafd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/03775

Zitting30 januari 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 6 oktober 2022 wegens onder 1 (primair) "
medeplegen van poging tot doodslag, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of aan andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren" en onder 2 “
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 91 maanden onder aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr Pro. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen omtrent in beslag genomen voorwerpen, de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij en het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 22/03845. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.Y. Taekema, advocaat te 's‑Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel komt op tegen de bewezenverklaring van het voorwaardelijk opzet en het bijkomend oogmerk waarmee de verdachte de berispelijke handeling heeft uitgevoerd. Het tweede middel behelst de klacht dat artikel 6 EVRM Pro en het beginsel van zuiverheid van oogmerk zijn geschonden.

De bewijsconstructie van het hof

5. Voorafgaand aan de bespreking van de middelen, zal ik eerst – voor zover relevant – de bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen weergeven.
6. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
1.
primair
hij op 15 juni 2019 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, van dichtbij één kogel met een automatisch vuurwapen (Skorpion) heeft afgevuurd op het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal in vereniging van een doos met een hoeveelheid wiet en autosleutels en een Louis Vuitton tas (met inhoud) en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;
2.
hij op 5 februari 2020 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 170,51 gram van een materiaal bevattende cocaïne.”
7. Het hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering – voor zover relevant – het volgende overwogen, met weglating van een voetnoot:
“4.3.1.De verklaringen van de aangever
Verweer bewijsuitsluiting herkenning door [slachtoffer]
Het hof zal de herkenning van [verdachte] door [slachtoffer] niet voor het bewijs bezigen, zodat dit verweer geen nadere bespreking behoeft.
De verklaringen van [slachtoffer]
Het hof overweegt als volgt.
[slachtoffer] heeft op hoofdlijnen consistent verklaard: hij had een afspraak met [betrokkene 1] voor de garage aan het [a-straat] in verband met wiet. Hij had met [betrokkene 1] contact gehad via ‘Wickr’, waarbij [betrokkene 1] gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Hij had eerder afspraken met [betrokkene 1] gehad. In de parkeergarage kwamen er twee gewapende mannen bij, ook [betrokkene 1] pakte een wapen, hij is eenmaal van dichtbij beschoten terwijl hij zich met zijn arm afweerde en de mannen hebben een doos met wiet en zijn autosleutel meegenomen. Dat er ook op onderdelen verschillen zitten tussen de verklaringen, waaronder met betrekking tot het punt wie van de mannen welk wapen had, maakt niet zonder meer dat de verklaringen van [slachtoffer] onbetrouwbaar moeten worden geacht. Het hof merkt op dat [slachtoffer] direct na de schietpartij tegen het ambulancepersoneel heeft verteld dat hij is beschoten met een soort Uzi en dat bij het forensisch onderzoek op het [a-straat 1] inderdaad een kogelhuls van een automatisch vuurwapen (een Skorpion) is aangetroffen. Ook als getuige ten overstaan van het hof heeft [slachtoffer] verklaard dat hij is beschoten met een model Uzi. Voorts acht het hof het aannemelijk dat [slachtoffer] gedurende het incident mogelijk minder aandacht had voor het soort wapens van de anderen dan die van de uiteindelijke schutter, welke schutter ook de regie had. [slachtoffer] zat met een knie op de grond en de loop van het vuurwapen van de schutter was schuin naar beneden op hem gericht. In die positie was de aandacht van [slachtoffer] volledig gericht op het al dan niet afgaan van dat vuurwapen, hetgeen luttele momenten later gebeurde. Uit de medische informatie blijkt dat [slachtoffer] in het ziekenhuis is behandeld voor een schotwond aan zijn rechterarm.
Het feit dat [slachtoffer] op 14 oktober 2019 tegenover de politie heeft verklaard dat [betrokkene 2] de schutter zou zijn en daar later op terug is gekomen, doet geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van zijn door het hof voor het bewijs gebezigde verklaringen. Het hof acht daartoe de hierna geschetste gang van zaken van belang. [slachtoffer] had van een vriend gehoord dat [betrokkene 2] , van wie [slachtoffer] verder niets wist, de schutter zou zijn en had van die vriend een foto van [betrokkene 2] gekregen, welke hij aan de politie heeft overhandigd. Op 7 mei 2020 heeft de politie aan [slachtoffer] per mail laten weten dat uit onderzoek van geen enkele betrokkenheid van [betrokkene 2] is gebleken, maar wel van betrokkenheid van drie verdachten die voor de zaak vast zitten (hof: [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ). De politie vraagt aan [slachtoffer] : “kun jij mij precies vertellen wanneer, waar en door wie die naam [betrokkene 2] en die foto aan jou verstrekt zijn? (...) Kan het zo zijn dat jij door een andere partij op een verkeerd spoor bent gezet en hierdoor een verkeerd iemand herkent als schutter?
” Hierop antwoordt [slachtoffer] op 11 mei 2020 per mail als volgt: “klopt na eigen onderzoek ben ik er achter gekomen dat het inderdaad een dwaalspoor is geweest
” (B 0026-0035). Het hof acht dit een afdoende toelichting van [slachtoffer] en merkt nog op dat ook thans uit het onderzoek van de politie van geen enkele betrokkenheid van [betrokkene 2] is gebleken.
Zoals het hof hierna zal overwegen kan vastgesteld worden dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] voor het schietincident in gebruik was bij [medeverdachte 2] , dat [medeverdachte 2] vlak voor en tijdens het schietincident gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] en dat dit laatste telefoonnummer ten tijde van de schietpartij een zendmast gebruikte die zich in de directe nabijheid van de plaats delict bevond.
Het hof acht gelet op het voorgaande de verklaringen van [slachtoffer] zoals deze zijn weergegeven in de bewijsmiddelenbijlage betrouwbaar. Deze verklaringen vinden steun in de hiergenoemde andere bewijsmiddelen alsmede in overige bewijsmiddelen in het dossier en zijn dan ook bruikbaar voor het bewijs.
4.3.2.Belastende feiten en omstandigheden
Het hof ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de verdachte (hierna ook: [verdachte] ) en de medeverdachten [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) de drie door de aangever [slachtoffer] bedoelde mannen zijn. In dat verband slaat het hof acht op de volgende feiten en omstandigheden.
Historische verkeersgegevens
Zoals aangehaald heeft [slachtoffer] verklaard dat het contact met [betrokkene 1] hoofdzakelijk via de applicatie Wickr verliep en dat [betrokkene 1] daarbij gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna: * [telefoonnummer 1] ). Het telefoonnummer * [telefoonnummer 1] was gekoppeld aan een Instagram-account met de gebruikersnaam “ [betrokkene 3] ”. [medeverdachte 2] is de vader van de enige [betrokkene 3] in Nederland. Ook had de gebruiker van het telefoonnummer * [telefoonnummer 1] veelvuldig contact met een telefoonnummer dat op naam gesteld is van de moeder van genoemde [betrokkene 3] , genaamd [betrokkene 4] . Voorts is gebleken dat het telefoonnummer * [telefoonnummer 1] in de telefoon van [betrokkene 5] was opgeslagen onder de naam ‘ [betrokkene 6] ', terwijl [medeverdachte 2] samen met [betrokkene 7] een zoon heeft die is genaamd [betrokkene 6] .
Uit historische gegevens is gebleken dat het telefoonnummer * [telefoonnummer 1] na het schietincident niet meer gebruikt werd, maar wel gekoppeld is geweest aan het IMEI-nummer [nummer 1] (hierna: * [nummer 1] ). Voorafgaand aan de schietpartij had het telefoonnummer * [telefoonnummer 1] frequent contact met het tegennummer [telefoonnummer 3] (hierna: * [telefoonnummer 3] ) ten name van [betrokkene 8] . Uit de historische gegevens van het telefoonnummer van [betrokkene 8] blijkt dat na het schietincident met een ander nummer frequent contact wordt opgenomen, namelijk het telefoonnummer [telefoonnummer 4] (hierna: * [telefoonnummer 4] ). Het telefoonnummer * [telefoonnummer 4] is enkele uren na het schietincident, op 15 juni 2019 om 18.43 uur, in gebruik genomen. Ook de hieraan gekoppelde applicatie WhatsApp is op de dag van de schietpartij in gebruik genomen. De nummers * [telefoonnummer 1] en * [telefoonnummer 4] betreffen beide prepaid nummers die zijn uitgegeven door de provider Lebara en hebben 56 overeenkomstige contacten. Het telefoonnummer * [telefoonnummer 4] blijkt onder andere contact te hebben gehad met [betrokkene 8] , [betrokkene 7] en een telefoonnummer ten name van de moeder van [medeverdachte 2] . Uit diverse telefoontaps is gebleken dat de gebruiker van het telefoonnummer * [telefoonnummer 4] hoofdzakelijk in België verbleef en dat hij onder andere met de naam " [naam 1] ” werd aangesproken, zijnde de voornaam van [medeverdachte 2] . Bekend is dat [medeverdachte 2] voorafgaand aan zijn huidige detentie sinds eind 2019 in een woning in [plaats] in België verblijft. Voorts is gedurende een observatie op 11 december 2019 geconstateerd dat [medeverdachte 2] toen de gebruiker van het telefoonnummer * [telefoonnummer 4] was, omdat hij zich samen met [verdachte] in een auto verplaatste terwijl uit de telefoontaps bleek dat de gebruikte zendmasten met deze verdachten ‘meebewogen’.
Verder is gebleken dat het nummer * [telefoonnummer 4] op de dag van het schietincident om 22:19 uur, 22:20 uur en 22:23 uur contact heeft gehad met het telefoonnummer [telefoonnummer 5] (hierna: * [telefoonnummer 5] ). Uit historisch onderzoek van het IMEI-nummer * [nummer 1] blijkt dat er op 15 juni 2019 voor het delict om 08:58 uur ook al contact was met het nummer * [telefoonnummer 5] . Op dat moment was het telefoonnummer [telefoonnummer 6] (hierna: * [telefoonnummer 6] ) gekoppeld aan het IMEI-nummer * [nummer 1] . Op 15 juni 2019 om 14.55 uur - ten tijde van het misdrijf - was er tussen de telefoonnummers * [telefoonnummer 6] en [telefoonnummer 7] (hierna: * [telefoonnummer 7] ) telefonisch contact voor de duur van 477 seconden. Dit gesprek - een open verbinding - is voor het schietincident aangevangen en is na het schietincident pas beëindigd. Beide nummers bevonden zich ten tijde van deze registratie onder het bereik van de cell-id van de zendmast met de locatie Wibautstraat 129 te Amsterdam. Deze zendmast ligt in de nabije omgeving van de plaats delict. Op de dag van het misdrijf hebben deze telefoonnummers meerdere keren contact met elkaar voorafgaand aan het incident. In de gevorderde periode werd deze zendmast buiten deze dag niet gebruikt door het telefoonnummer * [telefoonnummer 7] . Na het genoemde telefoongesprek gedurende het misdrijf is het telefoonnummer * [telefoonnummer 7] niet meer gebruikt.
Op de dag van het schietincident werd het telefoonnummer * [telefoonnummer 7] gebruikt in een telefoontoestel voorzien van IMEI-nummer [nummer 2] (hierna: * [nummer 2] ). In dit IMEI-nummer waren diverse telefoonnummers gebruikt, waaronder - meest recentelijk - het telefoonnummer [telefoonnummer 8] (hierna: * [telefoonnummer 8] ). De telefoonnummers * [telefoonnummer 7] en * [telefoonnummer 8] hebben overeenkomstige contacten. Het telefoonnummer * [telefoonnummer 7] heeft het meeste contact gehad met de telefoonnummers van twee zussen van [medeverdachte 3] ( [betrokkene 9] en [betrokkene 10] ) en heeft voorts contact gehad met het telefoonnummer [telefoonnummer 9] van [verdachte] . [medeverdachte 3] heeft 21 januari 2020 bij de politie opgegeven dat hij bereikbaar was op het telefoonnummer * [telefoonnummer 8] . In de slaapkamer van [medeverdachte 3] is ook daadwerkelijk een iPhone 7plus aangetroffen met daaraan gekoppeld het telefoonnummer * [telefoonnummer 8] . In de contactenlijst van die telefoon was het telefoonnummer * [telefoonnummer 4] opgeslagen onder de naam ‘ [naam 2] '. Gebleken is dat [medeverdachte 2] door [betrokkene 8] en [betrokkene 7] , twee vrouwen waar hij een relatie mee heeft of heeft gehad, ook ‘ [naam 2] ’ wordt genoemd. Voorts is in de slaapkamer van [medeverdachte 3] een portemonnee van het merk Louis Vuitton aangetroffen met daarin een simkaarthouder van het telefoonnummer * [telefoonnummer 7] .
Ten aanzien van het telefoonnummer * [telefoonnummer 5] is gebleken dat dit op 15 juni 2019 vanaf 10.38 uur tot en met 15.09 uur onder het bereik van cell-id's in Amsterdam was. Meer specifiek is het telefoonnummer * [telefoonnummer 5] die dag van 10.38 uur tot en met 13.29 uur onder het bereik van cell-id's geplaatst van zendmasten met de locaties Wibautstraat 129 en Amsteldijk 35 te Amsterdam. Deze cell-id's liggen in de nabije omgeving van de plaats delict [a-straat 1] [plaats] . Vanaf 15.09 uur is het telefoonnummer * [telefoonnummer 5] onder het bereik van cell-id's geplaatst van masten met de locaties Veluwelaan 21, Barbara Strozzilaan 251 en de Klenck 111 te Amsterdam. Uit het Rotterdamse politieonderzoek genaamd [naam 3] is gebleken dat het telefoonnummer * [telefoonnummer 5] het vaakst gebruik maakt van een zendmast die hemelsbreed circa 418 meter verwijderd is van het woonadres van [verdachte] , dat dit telefoonnummer het vaakst contact heeft met het telefoonnummer ten name van de partner van [verdachte] ( [betrokkene 11] ) en tevens contact heeft met de telefoonnummers ten name van de oom ( [betrokkene 13] ) en de moeder van [verdachte] ( [betrokkene 12] ).
Op grond van het voorgaande, in onderlinge samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat [medeverdachte 2] de gebruiker is geweest van de telefoonnummers * [telefoonnummer 1] (voorafgaand aan het delict), * [telefoonnummer 6] (vlak voor/tijdens het delict) en * [telefoonnummer 4] (na het delict), [medeverdachte 3] de gebruiker is geweest van de telefoonnummers * [telefoonnummer 7] en * [telefoonnummer 8] , en dat [verdachte] de gebruiker was van het telefoonnummer * [telefoonnummer 5] . Voorts concludeert het hof dat de telefoonnummers * [telefoonnummer 6] , * [telefoonnummer 7] en * [telefoonnummer 5] op de dag van het schietincident alle drie zendmasten in de nabije omgeving van de plaats delict hebben aangestraald, terwijl geen van de drie verdachten destijds in (de omgeving van) Amsterdam woonachtig was. Tenslotte stelt het hof vast dat de telefoonnummers * [telefoonnummer 6] ( [medeverdachte 2] ) en * [telefoonnummer 7] ( [medeverdachte 3] ) ten tijde van het misdrijf een ‘open verbinding’ met elkaar hadden, terwijl [slachtoffer] heeft verklaard dat [betrokkene 1] bij de lift met zijn telefoon bezig was en dat enkele seconden daarna de andere twee gewapende mannen erbij kwamen.
Uitzending Opsporing Verzocht
Op 28 januari 2020 werd ten behoeve van het opsporingsonderzoek Ernul vanaf 21:15 uur een item uitgezonden in het televisieprogramma Opsporing Verzocht. In het item werd aandacht gevraagd voor het schietincident in deze zaak, waarbij beelden van de vermoedelijke daders werden getoond en de namen ‘Stiffa' en ‘Isa' zijn genoemd. Kort voor deze televisie-uitzending werden diezelfde dag (28 januari 2020) om 17:55:24 uur en 20:26:02 uur twee sms-berichten verzonden. Deze sms-berichten werden verzonden naar telefoonnummers die, op basis van een netwerkmeting en de historische verkeersgegevens van diverse zendmasten, rond de plaats delict ten tijde van het incident in gebruik waren geweest (dossierpagina O 20029). Onder meer zijn sms-berichten gestuurd naar telefoonnummers van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Uit onderzoek naar de in de slaapkamer van [medeverdachte 3] aangetroffen iPhone 7 plus, die was gekoppeld aan het telefoonnummer * [telefoonnummer 8] , is gebleken dat die telefoon via het WhatsApp-account op 28 januari 2020 drie keer een "audio call” pleegt naar het contact genaamd ‘ [naam 2] ' met het telefoonnummer * [telefoonnummer 4] , waarvan één keer om 18:58:45 uur en één keer om 20:26:03 uur. Opvallend is dat dit laatste gesprek wordt gestart één seconde na het krijgen van de tweede SMS.
OVC-gesprek in Peugeot
Voorts is in het politieonderzoek Ernul het opsporingsmiddel van het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC) ingezet in de personenauto die toen in gebruik was bij [verdachte] . Op de OVC-opnames is op 28 januari 2020, kort na het eerste sms-bericht van de politie en voorafgaand aan de televisie-uitzending van Opsporing Verzocht, te horen dat [verdachte] (telefoon)gesprekken voert, onder andere met een man die hij ‘ [naam 2] ' noemt. Tijdens deze gesprekken legt [verdachte] uit dat er een ‘klein probleempje' is, omdat hij net een bericht van de politie heeft ontvangen waarin kenbaar is gemaakt dat zijn telefoon mogelijk in verband wordt gebracht met een schietincident. Daarna wordt het volgende besproken:
Sessie 171 en 172:
" [naam 2] , je weet toch nog dat ene ding dat ik laatst heb gedaan? In Amsterdam toch
[naam 2] : Vorig jaar
D: Nou, ze hebben me net een bericht verstuurd, vriend. De politie zei dat deze telefoon was in de buurt en het wordt vandaag op Opsporing, zoiets getoond. Maar ik heb kanker drie vier nieuwe telefoons ah matti! 10 zelfs bijna! Nee broer ik heb gezegd, ik heb drie nieuwe telefoons gehad broer. Hoe kunnen ze dat sturen?”
(...)
D: Ik ga niet thuis slapen vandaag, broer. Kijk, kijk voor mij, kijk voor mij, alsjeblieft.. half negen. Ik ga niet naar huis, broer. Ik ga je nu al zeggen. Ja, kijk ff voor mij alsjeblieft. Als het begint film, film... bel ik je video, ja?”.
Direct aansluitend op deze telefoongesprekken voert [verdachte] ( [verdachte] ) in de auto een gesprek met een onbekend gebleven vrouw (NNV):
Sessie 172:
" [verdachte] : Ik was zo parra daar in de buurt. Gelijk weg uit huis, alles weggedaan.
NNV: Nee maar, dat hoeft niet te betekenen dat ze denken dat jij het bent.
[verdachte] : Nee, maar wacht, is toch, is gewoon eng.. ..is gewoon eng. Snap je wat ik bedoel dus, het is gewoon eng.. ik ben het. Ze zoeken mij. Nee, weet je wat het is. We gingen...maakt die man die rare manoeuvre bij mijn matti...ntv...tjap! We pakken die dingen en we zijn weggegaan, snap je? Het ging echt, het ging gewoon van. je weet toch, met mijn matti. . . . ntv maar ik zag die man doet rare manoeuvre, snap je wat ik bedoel? Het ging gewoon vanzelf...
(…)
[verdachte] : Ja toch, daar in de buurt.. ja toch
NNV: In de buurt. Dus dat hoeft niet gelijk te betekenen dat jij het bent. Je telefoon was daar.
[verdachte] : Is kanker eng toch?... dus ik ging die straatnaam googlen. Hé, weet je hoe.... ik begon gewoon te trillen. Ik dacht oh jonge, jonge, jonge, jonge.
NNV: ntv
[verdachte] : Nee, natuurlijk ga ik niet op die bericht reageren. Ben je gek! Ik ga nieuwe telefoons morgen kopen. Gelijk, gelijk!
[verdachte] : Weetje hoeveel dagen ik parra was? Ik was helemaal... Ik rookte geen assie, kan je nagaan.
NNV: ntv... toen het was gebeurd?
[verdachte] : Ja, toen het was gebeurd. Ik rookte helemaal geen assie meer ntv. Maar het was een beetje ptjing monie (kleingeld)... ntv je snapt wat ik bedoel, toch? We waren met z’n drieen... ntv... een tonnetje pakken...
NNV: ntv.
[verdachte] : Een Surinamer. Het was een Surinamer met een Makamba (blanke). Die mannen zeggen "je had niet hoeven te schieten... je had niet hoeven te schieten”... er waren ook mensen daarbij... het was in de in de garage...”.
Op 28 januari 2020 is, nadat de televisie-uitzending van Opsporing Verzocht is begonnen, in de auto het volgende (telefoon)gesprek met [verdachte] te horen:
Sessie 175:
“NNM: Je staat niet eens... ze praten over drie, drie daders.
(...)
NNM: (...) jij bent niet in de picture, die andere twee wel man... hè.. (...) Ze hebben wel een naam, een straatnaam, Stiffa... versta je me?... Stiffa en Isja... en verder is er niet echt iets euh... ze zien niks man... en het was ook een klein stukje of zo... niet een hele onderzoek of zo...”
Het hof concludeert dat in deze gesprekken onder andere door [verdachte] onmiskenbaar wordt gesproken over onderhavig schietincident op 15 juni 2019. Daarbij is in aanmerking genomen dat in de gesprekken specifieke bijzonderheden zijn genoemd die overeenkomen met de omstandigheden rondom deze schietpartij en die niet in het item van Opsporing Verzocht naar buiten zijn gebracht (dossierpagina’s M 0039 -0040). Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de aangevers een Surinamer ( [slachtoffer] ) en een blanke ( [betrokkene 14] ) zijn, dat er iets is weggenomen en er is geschoten in een garage. In dit verband springt tevens in het oog dat [verdachte] zegt dat die mannen zeiden "Je had niet hoeven te schieten., je had niet hoeven te schieten”, terwijl [slachtoffer] heeft verklaard dat, toen het schot was gelost, de anderen iets zeiden in de trant van: "Nee waarom moest je schieten nee” (dossierpagina B 0028). Tenslotte wordt in de gesprekken met zo veel woorden gerefereerd aan het item dat op 28 januari 2020 aan deze schietpartij is gewijd in het programma Opsporing Verzocht en sluiten de gesprekken qua datum, tijdstip en verloop hier ook naadloos op aan.
[verdachte] heeft ter terechtzitting op vragen van het hof om uitleg over dit OVC-gesprek het volgende verklaard. Hij was op de dag van het schietincident met de auto van zijn vriendin naar Amsterdam gereden, had de auto in de buurt van de plaats delict geparkeerd en bleef gedurende enige tijd in de auto zitten. Toen stapte er iemand bij hem in de auto en vertelde hem wat er in de garage was gebeurd, met welke gebeurtenis [verdachte] niets te maken had. Naar het hof begrijpt wil [verdachte] hiermee een verklaring geven voor de door hem genoemde specifieke bijzonderheden in het betreffende OVC-gesprek. Voorts heeft [verdachte] verklaard dat op een aantal momenten in dit OVC-gesprek sprake zou zijn van stoerdoenerij tegen een meisje in de auto.
Het hof overweegt als volgt. [verdachte] heeft eerst ter terechtzitting van het hof, dus in een zeer laat stadium, verklaard dat er iemand bij hem in de auto is gestapt die hem over het schietincident heeft verteld, maar maakt dit scenario niet concreet. Hij heeft geen vragen willen beantwoorden over bijvoorbeeld het doel van zijn reis naar Amsterdam, wie bij hem in de auto is gestapt en waarom deze persoon hem vertelde wat er was gebeurd in de garage. Een en ander doet ernstig afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring en deze is op geen enkele wijze te verifiëren. Het hof schuift deze verklaring dan ook als ongeloofwaardig terzijde.
Het hof ziet voor de gedachte dat in één of meer van de voorliggende gesprekken sprake was van grootspraak en/of stoerdoenerij (om indruk te maken op de onbekend gebleven vrouw), geen solide aanknopingspunt. De concrete inhoud van die gesprekken laat zich daarmee slecht verhouden, mede in aanmerking genomen dat [verdachte] in deze gesprekken op diverse momenten een (zeer) nerveuze indruk wekt.
OVC-gesprek op de luchtplaats van het Cellencomplex Zuid-Oost
Het hof is voorts van oordeel dat in het OVC-gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] op de luchtplaats van het Cellencomplex Zuid-Oost op 5 februari 2020 eveneens over het schietincident van 15 juni 2019 is gesproken. Daarbij betrekt het hof dat ook hier wordt gerefereerd aan een item op Opsporing Verzocht van "dinsdag (...) de week daarvoor”, waarover [medeverdachte 3] opmerkt dat ‘ze’ niets hebben gezien. Dit laatste past goed bij de terugkoppeling die in het hiervoor weergegeven OVC-gesprek met sessienummer 175 door een onbekend gebleven man aan [verdachte] is gegeven met betrekking tot die televisie-uitzending. Voorts wordt in dit gesprek op de luchtplaats door [verdachte] en [medeverdachte 3] besproken of [naam 2] uit België al is gepakt en dat ze beter kunnen zwijgen omdat het anders niet goed gaat komen, maar dat men aan de hand van hun telefoons zal kunnen zien dat zij bij elkaar waren. Zoals hiervoor reeds is overwogen verbleef [medeverdachte 2] destijds in België en wordt hij ook wel ’ [naam 2] ' genoemd. Voorts is [medeverdachte 2] door de aangever [slachtoffer] herkend als zijnde [betrokkene 1] , en heeft het hof hiervoor vastgesteld dat de telefoonnummers die ten tijde van het misdrijf bij [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] in gebruik waren zendmasten aanstraalden in de directe nabijheid van de plaats delict. [verdachte] heeft aan dit OVC-gesprek geen uitleg willen geven, ook niet ter terechtzitting in hoger beroep.
4.3.3.Betrokkenheid van de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]
Het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, brengt het hof tot de slotsom dat [verdachte] samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] op 15 juni 2019 in de garage aan het [a-straat 1] in [plaats] aanwezig is geweest bij de ripdeal waarbij [slachtoffer] is beschoten.
4.3.4.
Wie heeft het schot gelost?
Tevens acht het hof gelet op het vooroverwogene, buiten redelijke twijfel bewezen dat het [verdachte] is geweest die het schot heeft gelost met een Skorpion. Daartoe acht het hof redengevend dat [verdachte] in de genoemde OVC-gesprekken zichzelf plaatst in de rol van de schutter. Meer in het bijzonder doelt het hof daarbij op de uitlatingen“Ik ben het. Ze zoeken mij”
,“(...) maar ik zag die man doet rare manoeuvre, snapje wat ik bedoel? Het ging gewoon vanzelf..."
en''Die mannen zeggen “Je had niet hoeven te schieten... je had niet hoeven te schieten”"
die, gelet op de context van de gesprekken en de kenmerkende omstandigheden rondom dit schietincident, naar het oordeel van het hof in redelijkheid niet anders kunnen worden uitgelegd dan vanuit de rol van de schutter.
De suggestie van de raadsman dat ‘ [betrokkene 2] ’ de schutter zou zijn, vindt weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen.
4.3.5.Medeplegen en oogmerk
Hiervoor heeft het hof vastgesteld dat [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] bewapend naar de parkeergarage aan het [a-straat 1] te [plaats] zijn gekomen. [medeverdachte 2] had daar een afspraak met [slachtoffer] over een partij wiet. [medeverdachte 2] had tijdens de ontmoeting met [slachtoffer] een open telefoonverbinding met [medeverdachte 3] en op het moment dat [verdachte] en [medeverdachte 3] zich gewapend bij [medeverdachte 2] en [slachtoffer] vervoegden trok ook [medeverdachte 2] het door hem meegenomen wapen. Uit het handelen van de verdachten kan worden afgeleid dat zij al vooraf het plan hadden om de door [slachtoffer] meegebrachte wiet mee te nemen zonder te betalen. Alle drie stonden met een wapen in de hand en [medeverdachte 2] pakte de doos met wiet van [slachtoffer] af. [slachtoffer] werd gefouilleerd en gecommandeerd op de grond te gaan liggen. Op enig moment schoot [verdachte] in de richting van [slachtoffer] . Nadat [verdachte] het schot had gelost, zijn de verdachten weggegaan maar kwamen zij direct terug voor de autosleutels van [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft zijn autosleutels afgegeven en twee van de drie verdachten zijn naar de auto van [slachtoffer] gegaan, hebben deze doorzocht en daaruit een tas weggenomen. Vervolgens zijn ze met z’n drieën met de buit weggegaan. Ze zijn aldus verder gegaan met de gezamenlijke uitvoering van hun plan om [slachtoffer] te rippen. Het hof stelt op grond hiervan vast dat er sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering van het rippen van [slachtoffer] .
4.3.6.Voorwaardelijk opzet op de dood?
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of [verdachte] op het moment van schieten het (voorwaardelijk) opzet had om [slachtoffer] dodelijk te treffen.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier (gekwalificeerde) doodslag - is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
[verdachte] had [slachtoffer] in een kleine ruimte in voornoemde parkeergarage bevolen te gaan liggen. Hij stond gewapend tegenover [slachtoffer] , die op een knie zat en zich dus in een lage positie ten opzichte van [verdachte] bevond. De loop van het automatisch werkende vuurwapen van [verdachte] was schuin naar beneden op [slachtoffer] gericht. In die positie heeft [verdachte] vanaf een korte afstand (maximaal anderhalve meter) met zijn vuurwapen op [slachtoffer] geschoten. [slachtoffer] heeft een afwerende beweging met zijn arm voor zijn bovenlichaam gemaakt. De kogel is door die arm gegaan en heeft vervolgens zijn schaamstreek geschampt. Gelet op voornoemde omschreven positie was er een aanmerkelijke kans dat de kogel het bovenlichaam van [slachtoffer] zou raken waarin zich vitale organen bevinden. Door met een automatisch vuurwapen op een korte afstand op deze manier in de richting van [slachtoffer] te schieten, heeft [verdachte] bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] dodelijk zou worden geraakt. [verdachte] had dan ook opzet, in voorwaardelijke zin, op de dood van voornoemde [slachtoffer] .
Die aanmerkelijke kans is naar het oordeel van het hof eveneens aanvaard door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Dat het schieten door [verdachte] leidde tot (schrik)reacties aan de kant van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] en laatstgenoemde riep “niet schieten niet schieten
” of “je had niet hoeven schieten
" acht het hof onvoldoende om voor hen een contra-indicatie voor voorwaardelijk opzet aan te nemen. Immers, dat bij een ripdeal met één van de daartoe meegenomen wapens, waaronder een automatisch vuurwapen, kan worden geschoten op het slachtoffer en deze daarbij dodelijk kan worden getroffen is een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te noemen. De kans op verzet en de mogelijke aanwezigheid van wapens bij iemand die kilo's verdovende middelen voorhanden heeft is immers een zeer reële mogelijkheid. Dat de verdachten rekening hielden met een mogelijke tegenactie van [slachtoffer] dan wel personen in zijn omgeving blijkt ook uit het soort wapens dat zij bij zich hadden waaronder in ieder geval één automatisch vuurwapen en de manier van handelen in de ruimte voor de lift van de parkeergarage waarbij [slachtoffer] vanuit meerdere posities onder schot werd gehouden. Nu ieder van hen een wapen bij zich had, ieder zich in ieder geval bij het tonen van de wapens ook bewust was van de aanwezigheid van de wapens bij de anderen en het de bedoeling was het slachtoffer van zijn wiet te beroven, heeft ieder van hen rekening gehouden met de mogelijkheid dat (één van) de vuurwapen(s) zou worden gebruikt en daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer daardoor mogelijk dodelijk zou worden getroffen.
Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan een poging gekwalificeerde doodslag.”

Het eerste middel

8. Het eerste middel beoogt kennelijk te klagen over de bewijsvoering en de verwerping van bewijsverweren omtrent het voorwaardelijk opzet – het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans – op de dood van het slachtoffer en het bijkomend oogmerk waarmee de verdachte de berispelijke handeling (het schieten op het slachtoffer) heeft uitgevoerd.
9. Volgens de toelichting erop strekt het middel ten betoge dat het arrest geen blijk geeft van enige omstandigheid waaruit volgt dat het bewezen verklaarde zou zijn gepleegd met het vereiste oogmerk. De steller van het middel stelt zich daarnaast op het standpunt dat op basis van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet (zonder meer) volgt dat de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard.

De beoordeling van het eerste middel

10. Het hof heeft in de bewijsmotivering onder 4.3.5 nadrukkelijk aandacht besteed aan de feiten en omstandigheden die hij redengevend acht voor het bewijs van de nauwe en bewuste samenwerking c.q. het medeplegen, alsmede het bijkomend oogmerk, bedoeld in artikel 288 Sr Pro. Het hof heeft daarbij onder meer overwogen dat na het schot in de richting van het slachtoffer de verdachte en de medeverdachten zijn weggegaan, maar direct zijn teruggekomen voor de sleutels van de auto van het slachtoffer en dat de verdachte en de medeverdachten vervolgens die auto hebben doorzocht, een tas hebben weggenomen en met de buit zijn weggegaan.
Het hof heeft in de bewijsmotivering onder 4.3.6 geëxpliciteerd waarom moet worden aangenomen dat de verdachte heeft gehandeld met voorwaardelijk opzet.
11. De steller van het middel maakt (in de toelichting) niet duidelijk op welke gronden de gewraakte bewijsmotiveringen in dit verband tekortschieten. De stellingen dat ‘aannemelijk is dat het schot per ongeluk werd gelost’ of dat ‘het schot kennelijk een reactie was op een plotselinge beweging van [slachtoffer] ’ miskennen de rechterlijke vrijheid van selectie en waardering van het bewijsmateriaal, terwijl de toelichting op het middel ongewis laat waarom de vaststellingen van het hof onverenigbaar zouden zijn met het oordeel dat de verdachte door te schieten daadwerkelijk beoogde om (bijvoorbeeld) de diefstal gemakkelijk te maken c.q. handelde met voorwaardelijk opzet.
12. Het middel faalt.

Het tweede middel

13. Het tweede middel behelst de klacht dat artikel 6 EVRM Pro en het beginsel van zuiverheid van oogmerk zijn geschonden.
14. Volgens de steller van het middel heeft het hof in ernstige mate afbreuk gedaan aan het recht op een eerlijk proces, door de herkenning van de verdachte door het slachtoffer ter zitting
niette gebruiken voor het bewijs. Het buiten het bewijs laten van de herkenning van de verdachte door het slachtoffer is volgens de steller van het middel “
geen inhoudelijke beslissing, maar ‘een vondst’ van het hof om te voorkomen dat het zich over de gevoerde verweren diende uit te laten.” Daarnaast stelt de steller van het middel zich op het standpunt dat de waardering van het OVC-bewijs “
arbitrair” is, omdat er ook OVC-bewijs zou zijn dat het daderschap van de verdachte uitsluit.

De beoordeling van het tweede middel

15. Ook het tweede middel miskent de rechterlijke selectie- en waarderingsvrijheid. Het hof heeft het bewijs van het daderschap van de verdachte – nota bene in lijn met het betoog van de verdediging – niet afgeleid uit de (vermeende) ‘herkenning’ van de verdachte door de aangever ter terechtzitting, maar uit andere feiten en omstandigheden. Dat stond het hof vrij. Het middel noch de toelichting maakt duidelijk waarom dit bewijsoordeel en de gewraakte motivering ervan op enigerlei wijze de aanspraken van de verdachte op een eerlijk proces aantasten.
16. Het middel faalt.

Slotsom

17. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende overweging.
18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. Wel zij opgemerkt dat indien de Hoge Raad uitspraak doet na 7 februari 2024 de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden. Afhankelijk van de mate van overschrijding kan dit leiden tot vermindering van de opgelegde straf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf.
19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG