Conclusie
Nummer22/03845
Inleiding
medeplegen van poging tot doodslag, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren" en onder 2 “
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 91 maanden onder aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr Pro. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen omtrent in beslag genomen voorwerpen en de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
De bewijsconstructie van het hof
Betrokkenheid van de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2]
Wie heeft het schot gelost?
" en "Die mannen zeggen “je had niet hoeven te schieten... je had niet hoeven te schieten”
" die, gelet op de context van de gesprekken en de kenmerkende omstandigheden rondom dit schietincident, naar het oordeel van het hof in redelijkheid niet anders kunnen worden uitgelegd dan vanuit de rol van de schutter.
Medeplegen en oogmerk
Voorwaardelijk opzet op de dood?
" of “je had niet hoeven schieten
" acht het hof onvoldoende om voor hen een contra-indicatie voor voorwaardelijk opzet aan te nemen. Immers, dat bij een ripdeal met één van de daartoe meegenomen wapens, waaronder een automatisch vuurwapen, kan worden geschoten op het slachtoffer en deze daarbij dodelijk kan worden getroffen is een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te noemen. De kans op verzet en de mogelijke aanwezigheid van wapens bij iemand die kilo's verdovende middelen voorhanden heeft is immers een zeer reële mogelijkheid. Dat de verdachten rekening hielden met een mogelijke tegenactie van [slachtoffer] dan wel personen in zijn omgeving blijkt ook uit het soort wapens dat zij bij zich hadden waaronder in ieder geval één automatisch vuurwapen en de manier van handelen in de ruimte voor de lift van de parkeergarage waarbij [slachtoffer] vanuit meerdere posities onder schot werd gehouden. Nu ieder van hen een wapen bij zich had, ieder zich in ieder geval bij het tonen van de wapens ook bewust was van de aanwezigheid van de wapens bij de anderen en het de bedoeling was het slachtoffer van zijn wiet te beroven, heeft ieder van hen rekening gehouden met de mogelijkheid dat (één van) de vuurwapen(s) zou worden gebruikt en daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer daardoor mogelijk dodelijk zou worden getroffen.
Het middel
Het beoordelingskader
NJ2012/677, met weglating van voetnoten:
NJ2020/174 m.nt. Vellinga, met weglating van voetnoten:
2.4 Het oordeel van het Hof dat de verdachte het voor het medeplegen vereiste opzet op de door [betrokkene 1] gepleegde poging tot doodslag heeft gehad, is niet toereikend gemotiveerd. Het Hof heeft weliswaar vastgesteld dat de verdachte en [betrokkene 1] het plan hadden opgevat een partij hennep weg te nemen zonder te betalen en dit plan gezamenlijk hebben uitgevoerd, maar uit de door het Hof gebruikte bewijsmiddelen – die, kort gezegd, op dit punt inhouden dat [betrokkene 1] met de verdachte de afspraak heeft gemaakt om vals geld te geven en de partij hennep mee te nemen, dat de verdachte wist dat het door [betrokkene 1] geprepareerde bundeltje grotendeels nepgeld betrof en dat zij zich verder “helemaal niet” hebben voorbereid op de afspraak – blijkt niet dat in enigerlei vorm een afspraak is gemaakt over het gebruik van een wapen, dan wel dat de verdachte wist dat [betrokkene 1] voor de uitvoering van het plan een wapen had geleend of zich bewust was van de mogelijkheid van het gebruik van een wapen door [betrokkene 1] bij die uitvoering dan wel dat de verdachte, nadat [betrokkene 1] begon met schieten, op enigerlei wijze heeft bijgedragen aan de poging tot doodslag. Anders dan kennelijk door het Hof is geoordeeld, kan het voor medeplegen vereiste opzet van de verdachte op de poging tot doodslag niet uitsluitend worden aangenomen op de gronden dat bij het dwingen van personen om waardevolle spullen af te staan dan wel het daartoe oplichten van personen binnen een crimineel milieu het in de lijn der verwachting ligt dat over en weer wapens worden meegebracht en zo nodig worden ingezet en dat het niet voor de hand ligt dat het meebrengen van een wapen niet bekend is bij of bekend wordt gemaakt aan een mededader.”
De beoordeling van het middel
De kans op verzet en de mogelijke aanwezigheid van wapens bij iemand die kilo's verdovende middelen voorhanden heeft is immers een zeer reële mogelijkheid. Dat de verdachten rekening hielden met een mogelijke tegenactie van [slachtoffer] dan wel personen in zijn omgeving blijkt ook uit het soort wapens dat zij bij zich hadden waaronder in ieder geval één automatisch vuurwapen en de manier van handelen in de ruimte voor de lift van de parkeergarage waarbij [slachtoffer] vanuit meerdere posities onder schot werd gehouden. Nu ieder van hen een wapen bij zich had, ieder zich in ieder geval bij het tonen van de wapens ook bewust was van de aanwezigheid van de wapens bij de anderen en het de bedoeling was het slachtoffer van zijn wiet te beroven, heeft ieder van hen rekening gehouden met de mogelijkheid dat (één van) de vuurwapen(s) zou worden gebruikt en daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer daardoor mogelijk dodelijk zou worden getroffen.”
andereen m.i. meer
concretegronden vastgesteld dat de verdachte op de hoogte was van het vuurwapenbezit en van het mogelijke gebruik ervan bij de medeverdachte. Volgens het hof ging het namelijk om een voorgenomen ripdeal (en niet om een oplichting), waarbij
alleverdachten zich hadden voorzien van wapens. In dit kader is ook door het hof aandacht besteed aan (de aanmerkelijkheid van) de kans op een tegenreactie door het slachtoffer of anderen in die ruimte. Het ligt in het onderhavige geval (ten opzichte van de situatie die ten grondslag lag aan het arrest van 18 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:281) veel méér ‘in de lijn der verwachting’ dat de verdachten over en weer op de hoogte waren van ieders bezit van een vuurwapen en van de voorzienbaarheid van het gebruik ervan. Die voorzienbaarheid wordt nader ingekleurd door een beschrijving van de situatie, gedestilleerd uit de bewijsmiddelen: de manier van handelen in de ruimte voor de lift van een parkeergarage, waarbij het slachtoffer vanuit meerdere posities onder schot werd gehouden. Daarmee heeft het hof het voor medeplegen vereiste opzet van de verdachte op de poging tot (gekwalificeerde) doodslag
“niet uitsluitend”aangenomen op een algemene ervaringsregel dat bij het dwingen van personen om waardevolle spullen af te staan (dan wel het daartoe oplichten van personen binnen een crimineel milieu) het ‘in de lijn der verwachting’ ligt dat over en weer wapens worden meegebracht en zo nodig worden ingezet en dat het niet voor de hand ligt dat het meebrengen van een wapen niet bekend is bij of bekend wordt gemaakt aan een medeverdachte. Het kennelijke oordeel van het hof dat het schieten op het slachtoffer door de medeverdachte niet, althans niet vér buiten het gezamenlijk daadplan lag en dat de verdachte aldus voorwaardelijk opzet had op het grondfeit is daarmee niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. De door de stellers van het middel naar voren gebrachte aanwijzingen voor het tegendeel, zoals een (uit de bewijsvoering volgend) aanwezige ‘(schrik)reactie’ van de verdachte en uitingen in dat kader kort nadat door de medeverdachte is geschoten, doen daar niet aan af.