ECLI:NL:PHR:2024:1071

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 november 2024
Publicatiedatum
14 oktober 2024
Zaaknummer
24/01232
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SvArt. 415 SvArt. 27a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens schending recht op laatste woord in hoger beroep

In deze zaak heeft het gerechtshof Den Haag verdachte bij arrest van 20 maart 2024 niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De procureur-generaal bij de Hoge Raad concludeert dat uit het proces-verbaal blijkt dat het gerechtshof het recht van verdachte om het laatst te spreken niet heeft gelaten, zoals vereist is op grond van artikel 311, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Dit verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. De conclusie van de procureur-generaal strekt daarom tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe behandeling en beslissing op het bestaande hoger beroep.

De conclusie bevat ook een weergave van het proces-verbaal van de zitting, waarin de voorzitter de identiteit van verdachte vaststelt en de raadsman van verdachte zijn pleidooi houdt. Het hof onderbreekt het onderzoek voor beraad en doet direct daarna uitspraak, waarbij het recht op het laatste woord niet aan verdachte is verleend.

De procureur-generaal vindt geen andere gronden voor vernietiging en adviseert uitsluitend op deze procedurele grond de zaak te vernietigen en terug te wijzen.

Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling waarbij het recht op het laatste woord wordt verleend.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer24/01232
Zitting5 november 2024

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte
Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 20 maart 2024 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep nietig is, omdat het hof ten onrechte niet het recht aan de verdachte heeft gelaten het laatst te spreken.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 20 maart 2024 houdt het volgende in:
“De voorzitter begint het onderzoek door het doen uitroepen van de zaak tegen na te noemen verdachte.
De voorzitter stelt de identiteit van de ter terechtzitting aanwezige verdachte vast op de wijze,
bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
De verdachte antwoordt op vragen van de voorzitter te zijn genaamd:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ,
wonende aan (…).
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. J.H.S. Vogel, advocaat te Rotterdam.
Alle verklaringen zijn zakelijk weergegeven, tenzij anders vermeld.
[…]
De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitnota. In aanvulling hierop deelt hij mede, ter zake van punten:
1. Op de akte staat de naam [verdachte] . Ik heb mijn cliënte gevraagd of zij toch niet zelf de
dagvaarding heeft aangenomen zij kon het zich niet meer herinneren. Als zij de oproep had ontvangen was zij zeker ter terechtzitting in eerste aanleg verschenen.
2. Het is een gemis dat er destijds bij het uitreiken van de dagvaarding niet om een legitimatiebewijs is gevraagd. Dit had wel moeten gebeuren.
3. Hier is ook geen legitimatie gevraagd.
4. De krul aan het eind van de handtekening van de zus vind ik overeenkomen met de krul aan het eind van de handtekening op de akte.
5. Ik vraag u subsidiair om het aan een deskundige te vragen. Naar mijn mening is het de handtekening van de zus en niet die van mijn cliënte.
Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad.
Na het beraad wordt het onderzoek weer hervat en direct daarna gesloten.
Bij monde van de voorzitter doet het hof onmiddellijk uitspraak.
De voorzitter deelt mede, dat de verdachte uiterlijk veertien dagen na heden beroep cassatie kan instellen.
Dit proces-verbaal is door de voorzitter en de griffiers vastgesteld en ondertekend.”
5. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat aan de verdachte het recht is gelaten het laatst te spreken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat het in het vierde lid van artikel 311 Sv Pro op straffe van nietigheid gegeven voorschrift niet in acht is genomen.
6. Het middel is terecht voorgesteld.
7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG