ECLI:NL:PHR:2024:1071
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing wegens schending recht op laatste woord in hoger beroep
In deze zaak heeft het gerechtshof Den Haag verdachte bij arrest van 20 maart 2024 niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De procureur-generaal bij de Hoge Raad concludeert dat uit het proces-verbaal blijkt dat het gerechtshof het recht van verdachte om het laatst te spreken niet heeft gelaten, zoals vereist is op grond van artikel 311, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Dit verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. De conclusie van de procureur-generaal strekt daarom tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe behandeling en beslissing op het bestaande hoger beroep.
De conclusie bevat ook een weergave van het proces-verbaal van de zitting, waarin de voorzitter de identiteit van verdachte vaststelt en de raadsman van verdachte zijn pleidooi houdt. Het hof onderbreekt het onderzoek voor beraad en doet direct daarna uitspraak, waarbij het recht op het laatste woord niet aan verdachte is verleend.
De procureur-generaal vindt geen andere gronden voor vernietiging en adviseert uitsluitend op deze procedurele grond de zaak te vernietigen en terug te wijzen.
Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling waarbij het recht op het laatste woord wordt verleend.