ECLI:NL:PHR:2024:1073

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 oktober 2024
Publicatiedatum
15 oktober 2024
Zaaknummer
24/02325
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:1 lid 6 WvggzArt. 3:3 WvggzArt. 3:4 WvggzArt. 152 lid 2 RvArt. 5 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt zorgmachtiging ondanks betwisting wilsbekwaamheid en ernstig nadeel

In deze zaak heeft de rechtbank Amsterdam een zorgmachtiging verleend aan betrokkene op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Betrokkene werd gediagnosticeerd met een psychische stoornis en er werd vastgesteld dat sprake was van ernstig nadeel, waaronder maatschappelijke teloorgang, ernstige financiële schade en verwaarlozing. De rechtbank oordeelde dat betrokkene wilsonbekwaam is ten aanzien van de benodigde zorg en wees alle verzochte vormen van verplichte zorg toe.

Betrokkene betwistte dit oordeel en stelde onder meer dat hij wilsbekwaam is en dat verplichte zorg averechts kan werken. Er werd een contra-expertise uitgevoerd door een onafhankelijke psychiater die tot een ander oordeel kwam over de wilsbekwaamheid en het ernstig nadeel. Desondanks volgde de rechtbank het eerste deskundigenrapport en de eigen bevindingen, mede gebaseerd op verklaringen van betrokkene en behandelaars tijdens zittingen.

De Hoge Raad overweegt dat de rechtbank vrij is in de waardering van deskundigenrapporten en dat de motivering van het oordeel over wilsonbekwaamheid en ernstig nadeel voldoende inzicht geeft in de gedachtegang. Ook de toewijzing van alle verzochte vormen van zorg is voldoende gemotiveerd, mede gezien het langdurige traject en het ontbreken van minder bezwarende alternatieven. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de zorgmachtiging wordt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/02325
Zitting15 oktober 2024
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene],
verzoeker tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
tegen
de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam,
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.

1.Inleiding

1.1
In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank bij tussenbeschikking een deskundige benoemd voor het uitvoeren van een contra-expertise. In de contra-expertise komt de deskundige tot het oordeel dat sprake is van een psychische stoornis, dat betrokkene wilsbekwaam is en dat gedwongen zorg averechts kan werken bij betrokkene.
Bij eindbeschikking verleent de rechtbank ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging. Volgens de rechtbank lijdt betrokkene aan een psychische stoornis en leidt de stoornis tot ernstig nadeel gelegen in maatschappelijke teloorgang, ernstige financiële schade en ernstige verwaarlozing. Naar het oordeel van de rechtbank is betrokkene wilsonbekwaam. De rechtbank gaat tot slot voorbij aan het verweer van betrokkene ten aanzien van gedwongen medicatie en gedwongen opname en verleent een zorgmachtiging voor alle verzochte vormen van zorg.
In cassatie komt het middel op tegen de vaststelling door de rechtbank dat betrokkene wilsonbekwaam is, tegen het oordeel van de rechtbank over het ernstig nadeel en tegen de toewijzing van alle verzochte vormen van zorg.

2.Feiten en procesverloop

2.1
Bij verzoekschrift, bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) ingekomen op 9 januari 2024, heeft de officier van justitie verzocht ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van zes maanden, voor de volgende vormen van zorg:
- toedienen van medicatie voor de duur van zes maanden;
- verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening voor de duur van zes maanden;
- beperken van de bewegingsvrijheid telkens voor de duur van maximaal drie maanden;
- insluiten telkens voor de duur van maximaal drie dagen;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene telkens voor de duur van maximaal drie dagen;
- onderzoek aan kleding of lichaam telkens voor de duur van maximaal drie maanden;
- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen telkens voor de duur van maximaal drie maanden;
- controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen telkens voor de duur van maximaal drie maanden;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten voor de duur van zes maanden, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen.
- opnemen in een accommodatie telkens voor de duur van maximaal drie maanden.
2.2
Bij het verzoekschrift is een medische verklaring overgelegd die op 3 januari 2024 is ondertekend door een niet bij de behandeling betrokken psychiater. Onder 4 E in die verklaring is de (voorlopige) diagnose als volgt beschreven:
“schizofreniespectrum stoornis. DD schizofrenie. Misbruik van cannabis.”
2.3
In deze medische verklaring beantwoordt de onafhankelijk psychiater onder 6 C de vraag op grond van welke symptomen, gedragingen of feiten hij tot zijn oordeel omtrent het ernstig nadeel komt als volgt:
“Betrokkene heeft vanuit zijn psychotische toestandsbeeld een huurschuld opgebouwd, is dakloos geraakt en werkloos. Werkte voorheen als consultant, woont nu in onverzorgde toestand in een maatschappelijke opvang.”
2.4
In deze medische verklaring zijn onder 6 E de volgende categorieën van ernstig nadeel aangekruist:
- ernstige psychische schade;
- ernstig materiële schade;
- ernstige immateriële schade;
- ernstige financiële schade;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang.
2.5
In de medische verklaring onder 6 H is de vraag of betrokkene in staat is tot een redelijke waardering van zijn belang ter zake door de onafhankelijk psychiater met ‘nee’ beantwoord en als volgt toegelicht:
“betrokkene is geheel overtuigd van zijn ideeën, en hier niet van af te brengen. Hij zegt dat er geen sprake is van ernstig nadeel als gevolg van zijn psychische toestand, ondanks dat hij hiermee wordt geconfronteerd in ons gesprek.”
2.6
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 29 januari 2024. Daarbij zijn betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, en de zorgverantwoordelijke gehoord.
2.7
Voor zover van belang heeft betrokkene de diagnose betwist en heeft betrokkene bij monde van zijn advocaat verzocht om een contra-expertise waarbij psychiater A.E. Grochowska als deskundige wordt voorgesteld. De advocaat heeft erop gewezen dat bij de contra-expertise ook de wilsbekwaamheid van betrokkene betrokken moet worden.
2.8
Bij tussenbeschikking van 30 januari 2024 [1] heeft de rechtbank psychiater Grochowska [2] benoemd om onderzoek te doen en de behandeling van het verzoek aangehouden tot een nader te bepalen datum.
2.9
Op 26 februari 2024 heeft de rechtbank het rapport van psychiater Grochowska van 25 februari 2024 (hierna ook: de contra-expertise) ontvangen. In het rapport heeft de psychiater de vragen zoals geformuleerd in de tussenbeschikking van 30 januari 2024 als volgt beantwoord:
“1. Lijdt betrokkene aan een psychische stoornis in de zin van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en zo ja welke?
Er is sprake van een psychische stoornis in de zin van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. Op basis van het huidige onderzoek is het psychiatrisch toestandsbeeld dat betrokkene laat zien niet eenduidig in diagnostische termen te omschrijven. Er is sprake van een psychotische kwetsbaarheid maar de etiologie daarvan is niet duidelijk. Een schizofreniespectrum stoornis, waaronder schizofrenie, wordt overwogen, maar ook andere factoren zoals psychosociale stress en cannabisgebruik kunnen hierbij een rol spelen. Daarnaast zijn er aanwijzingen voor langer bestaande problemen op het gebied van informatieverwerking, centrale coherentie (fragmentatie) en executieve functies (plannen en organiseren), wat kenmerkend is voor een autismespectrumstoornis. Mogelijk bestaat er een overlap tussen zijn psychotische en autistiforme symptomatologie.
2. Zo ja, veroorzaakt deze stoornis bij betrokkene ernstig nadeel in de zin van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg?
Zijn idee om decentrale netwerken op te zetten in ontwikkelingslanden is op zich niet pathologisch. Het is vooral de wijze waarop betrokkene daar uitvoering aan geeft dat erop wijst dat betrokkene in zijn gedrag beïnvloed wordt door zijn pathologie. Betrokkene verliest zich in zijn ideaalbeeld, waar zijn project [naam project] voor staat, en gaat daar te ver in, wat ten koste gaat van zijn gezondheid en sociale leven. Betrokkene kiest er echter ook voor om geld te besparen om te kunnen investeren in [naam project]. Betrokkene ervaart wel belemmeringen in het functioneren; zijn activiteitenniveau is verlaagd waardoor hij niet toekomt aan voor hem belangrijke dingen. Voor zover er vanuit de stoornis gevaar bestaat voor maatschappelijke teloorgang wordt dit op dit moment voldoende ondervangen binnen de huidige woonvoorziening. Er is geen sprake van andere vormen van ernstig nadeel, zoals gevaar voor betrokkene zelf of voor anderen. In algemene zin kan gezegd worden dat onbehandelde psychose het risico geeft op psychische schade. Ten tijde van het onderzoeksgesprek was betrokkene niet floride psychotisch en er waren geen aanwijzingen voor drugsgebruik. De mate van mogelijke psychische schade kan daarmee niet goed worden beoordeeld.
3. Zo ja, zijn er alternatieven buiten verplichte zorg voorhanden om dit gevaar af te wenden?
Betrokkene verzet zich niet tegen de huidige zorg maar weigert antipsychotische medicatie. Ten aanzien van de verdere behandeling is het van belang om eerst nadere diagnostiek te verrichten en daarbij een behandelrelatie met betrokkene op te bouwen. Welke rol medicatie daarbij kan spelen is afhankelijk van verdere diagnostiek. De onderzoeker acht een klinische opname om betrokkene in te stellen op een antipsychoticum op dit moment niet geïndiceerd. Betrokkene wordt voldoende in staat geacht om beslissingen te nemen ten aanzien van de benodigde zorg.
4. Is betrokkene in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake van een of meerdere vormen van (verplichte) zorg?
Zie 3.
5. Geeft het onderzoek anderszins nog aanleiding tot het maken van opmerkingen?
De onderzoeker ziet een risico dat het te snel of te veel toepassen van dwang ertoe kan leiden dat betrokkene zich juist gaat afsluiten voor de benodigde zorg. Verplichte zorg kan juist averechts werken bij betrokkene. De onderzoeker adviseert mede daarom om vooral in te zetten op het versterken van de behandelrelatie.”
2.1
Op 13 maart 2024 heeft de rechtbank nadere stukken ontvangen van GGZ inGeest, bestaande uit een verklaring van de persoonlijk begeleider van HVO, een verklaring van de wachtlijstbegeleider van perMens en een verklaring van een vriendengroep van betrokkene. [3]
2.11
De voortgezette mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 15 maart 2024. De rechtbank heeft betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, en twee behandelaren van betrokkene gehoord.
2.12
Blijkens het proces-verbaal van deze mondelinge behandeling heeft de advocaat van betrokkene ter zitting het volgende aangevoerd:
“Advocaat: betrokkene vertelt een coherent verhaal. De vraag is of er sprake is van een psychische stoornis en ernstig nadeel. Stel dat betrokkene niet vrijwillig uit zijn tent was gekomen, zouden wij hier dan hebben gezeten? Door het feit dat hij naar de maatschappelijke opvang is gegaan, zitten we hier. Ik refereer mij ten aanzien van de diagnose. Er wordt in beide medische verklaringen aangegeven dat er sprake is van een psychische stoornis. Van ernstig nadeel is echter geen sprake. Betrokkene is bewust in een tent gaan slapen en heeft altijd goed kunnen blijven functioneren. Er is geen sprake van lijdensdruk. Daarnaast blijkt uit de overlegde verklaringen niet ondubbelzinnig dat hij op straat zal worden gezet. Betrokkene heeft een afspraak gemaakt bij de gemeente om zijn schulden aan te pakken. Ten aanzien van wilsbekwaamheid wordt in de oorspronkelijke medische verklaring onder punt 6 H summier aangegeven dat betrokkene niet wilsbekwaam is. Betrokkene zou overtuigd zijn van zijn ideeën, maar onduidelijk is gebleven over welke ideeën het gaat. Er is een uitgebreidere beoordeling over de wilsbekwaamheid nodig. Dat heeft psychiater Grochowska gedaan. Volgens haar is betrokkene wel wilsbekwaam. Het gaat er niet om dat hij tot dezelfde beslissingen komt als die de zorg wil, maar dat hij in staat is om beslissingen ten aanzien van de eventuele benodigde zorg zelf te nemen. Verder is een klinische opname niet geïndiceerd en heeft psychiater Grochowska aangegeven dat verplichte zorg averechts gaat werken. Dat is niet wat we willen. Ik verzoek u daarom primair het verzoek af te wijzen. Subsidiair verzoek ik u om alleen de vorm van zorg toe te wijzen die ziet op het nakomen van ambulante afspraken omdat betrokkene zich verzet tegen de medicatie.”
2.13
Bij beschikking van 18 maart 2024 [4] (hierna: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met uiterlijk 18 september 2024 voor alle verzochte vormen van zorg. De rechtbank heeft, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen:
“2.1. Uit de overgelegde stukken, de rapportage van psychiater Grochowska en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van een psychotische kwetsbaarheid waarbij een schizofreniespectrumstoornis, waaronder schizofrenie, wordt overwogen en factoren zoals psychosociale stress en cannabisgebruik een rol spelen. Daarnaast worden er kenmerken van een autismespectrumstoornis bij betrokkene gezien. Er is nadere diagnostiek nodig om te achterhalen wat er precies speelt.
2.2.
Anders dan de advocaat is de rechtbank van oordeel dat de stoornis leidt tot ernstig nadeel en dat dit voldoende is onderbouwd. Volgens psychiater Grochowska wordt het ernstige nadeel “maatschappelijke teloorgang” momenteel voldoende ondervangen binnen de huidige woonvoorziening, maar uit de nadere stukken van GGZ inGeest blijkt dat betrokkene zijn woonplek kan verliezen als zijn situatie niet onmiddellijk verandert. Zo laat betrokkene zich nu niet begeleiden, komt hij de afspraken met het ACT-team en zijn wachtlijstbegeleider niet na en geeft hij geen inzage in zijn financiële situatie waardoor hij niet geholpen kan worden. Volgens de behandelaren heeft betrokkene veel schulden en krijgt hij steeds meer brieven van deurwaarders. Door deze gang van zaken kan betrokkene niet doorstromen naar een begeleide woonvorm van perMens. Hij verblijft inmiddels al een halfjaar in de maatschappelijke opvang, wat een tijdelijke plek is. Volgens de behandelaren lukt het betrokkene niet om stappen te zetten, omdat hij de hele dag bezig is met dingen die in zijn gedachtewereld spelen, waaronder zijn bedrijf [naam bedrijf]. Zij willen door middel van medicatie kijken of betrokkene van deze gedachten kan afkomen en hem maatschappelijke ondersteuning bieden.
Het ernstig nadeel is naar het oordeel van de rechtbank met name gelegen in:
- maatschappelijke teloorgang;
- ernstige financiële schade;
- ernstige verwaarlozing.
Ten aanzien van de vraag of betrokkene al dan niet wilsbekwaam is ten aanzien van de benodigde zorg overweegt de rechtbank als volgt. In de oorspronkelijke medische verklaring wordt aangegeven dat betrokkene niet wilsbekwaam is omdat hij geheel overtuigd is van zijn ideeën en hier niet van af te brengen is. Psychiater Grochowska is echter van mening dat betrokkene wel wilsbekwaam is. Op basis van de oorspronkelijke medische verklaring en hetgeen op de zitting van [15; AG] maart 2024 is besproken, zal de rechtbank het oordeel overnemen dat betrokkene niet wilsbekwaam is. Hierbij speelt dat betrokkene ter zitting heeft aangegeven weer in een tent te kunnen gaan wonen om met zijn bedrijf [naam bedrijf] aan de slag te gaan. Voorts blijkt dat betrokkene al jaren in een situatie verkeert waarbij hij zijn hele leven door dit bedrijf laat leiden en zijn financiële en maatschappelijke situatie mede daardoor steeds slechter wordt.
Gelet op het hiervoor beschreven ernstig nadeel en de wilsonbekwaamheid van betrokkene zal de rechtbank het verzoek toewijzen met alle verzochte vormen van verplichte zorg. De behandelaren proberen al driekwart jaar om via een goede behandelrelatie de behandeling vorm te geven, wat tot nu toe niet is gelukt. Het op deze manier langer proberen de steeds schrijnendere situatie van betrokkene te doorbreken acht de rechtbank niet langer adequaat. De rechtbank acht het van belang dat nadere diagnostiek plaatsvindt en dat betrokkene daarna medicatie gaat gebruiken, zodat hij stabiel wordt en zijn leven op een goede manier weer kan oppakken. In dit verband acht de rechtbank mede van belang dat de behandelaren hebben aangegeven dat, indien de medicatie niet het beoogde effect heeft, zij de keuze van betrokkene – om zonder medicatie te blijven – zullen respecteren.
2.3.
Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen of de door de stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen, heeft betrokkene zorg nodig.
2.4.
Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Om die reden is verplichte zorg nodig. Van de in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg, acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk:
- toedienen van medicatie voor de duur van zes maanden;
- verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening voor de duur van zes maanden;
- beperken van de bewegingsvrijheid telkens voor de duur van maximaal drie maanden;
- insluiten telkens voor de duur van maximaal drie dagen;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene telkens voor de duur van maximaal drie dagen;
- onderzoek aan kleding of lichaam telkens voor de duur van maximaal drie maanden;
- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen telkens voor de duur van maximaal drie maanden;
- controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen telkens voor de duur van maximaal drie maanden;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten voor de duur van zes maanden, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen. Deze vorm van verplichte zorg ziet op het nakomen van de afspraken tussen de ambulante behandelaren en betrokkene, zoals omschreven in het zorgplan;
- opnemen in een accommodatie telkens voor de duur van maximaal drie maanden.
2.5.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
2.6.
De verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
2.7.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de verzochte duur van zes maanden.”
2.14
Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van 18 maart 2024. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel bevat drie onderdelen. Het eerste middelonderdeel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat betrokkene wilsonbekwaam is. Het tweede middelonderdeel heeft betrekking op het oordeel van de rechtbank over het ernstig nadeel. Het derde middelonderdeel ziet op de vormen van zorg die door de rechtbank zijn toegewezen.
3.2
Onderdeel Ivan het middel richt zich tegen de verwerping van het beroep op wilsbekwaam verzet van betrokkene ten aanzien van de benodigde zorg. De overwegingen dienaangaande in r.o. 2.2 van de bestreden beschikking zijn onjuist althans onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd, aldus het onderdeel. Daarbij wordt, naar ik begrijp, geklaagd dat niet duidelijk is waarom de rechtbank op dit punt van het wilsbekwaam verzet de meest actuele, en volgens het onderdeel zeer genuanceerde en uitgebreide, rapportage van psychiater Grochowska van 25 februari 2024 negeert en aansluit bij de medische verklaring van 3 januari 2024. In dat kader wordt geklaagd dat de rechtbank eraan voorbijgaat dat betrokkene ook zelf dingen rond zijn financiële situatie kan organiseren, nu hieruit zou blijken dat hij wel tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is. Verder wordt in dat kader betoogd dat ter zitting van 15 maart 2024 – behalve door de advocaat van betrokkene – niet over wilsbekwaamheid is gesproken. Ook wordt er in het onderdeel op gewezen dat psychiater Grochowska heeft aangegeven dat verplichte zorg juist averechts kan werken bij betrokkene en dat van een ultimum remedium-situatie waarin verplichte zorg aangewezen is, geen sprake is. Het oordeel van de rechtbank is dan ook in strijd met artikel 5 en Pro artikel 6 EVRM Pro, aldus het onderdeel.
3.3
Bij de bespreking van dit onderdeel stel ik het volgende voorop.
3.4
Artikel 2:1 lid 6 Wvggz Pro bepaalt dat de wensen en voorkeuren van betrokkene ten aanzien van de verplichte zorg worden gehonoreerd, tenzij:
- a. betrokkene niet tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is, of
- b. acuut levensgevaar voor betrokkene dreigt dan wel er een aanzienlijk risico voor een ander is op levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische, materiële, immateriële of financiële schade, ernstige verwaarlozing of maatschappelijke teloorgang, of om ernstig in zijn ontwikkeling te worden geschaad, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
3.5
Uit de toelichting op deze bepaling in de wetsgeschiedenis blijkt dat met deze bepaling is beoogd – conform internationale verplichtingen – tot uitdrukking te brengen dat evenveel waarde gehecht wordt aan de eigen mening en instemming van een wilsbekwaam persoon met een psychische stoornis als aan die van een wilsbekwaam persoon zonder psychische stoornis. [5]
3.6
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient de rechter te beoordelen of betrokkene wilsbekwaam is, indien betrokkene tijdens de procedure tot het verlenen van een zorgmachtiging een voldoende toegelicht bezwaar maakt tegen de voorgestelde verplichte zorg en de situaties als bedoeld in artikel 2:1 lid Pro 6, aanhef en onder b, Wvggz zich niet voordoen. Indien over de wilsbekwaamheid in de medische verklaring niet is gerapporteerd, dient een verklaring te worden gevraagd van een onafhankelijk arts of klinisch psycholoog waaruit blijkt of betrokkene tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is. Zo nodig dient de procedure daartoe te worden aangehouden. In het geval dat uit de medische verklaring of uit de hiervoor bedoelde verklaring van een onafhankelijk arts of klinisch psycholoog blijkt dat betrokkene tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is, dient zijn bezwaar tegen de verplichte zorg te worden gehonoreerd. [6]
3.7
De rechter is vrij in de waardering van een deskundigenbericht (art. 152 lid 2 Rv Pro). [7] Voor de rechter geldt een beperkte motiveringsplicht ten aanzien van zijn beslissing om de bevindingen van deskundigen al dan niet te volgen. Wel dient hij bij de beantwoording van de vraag of hij de conclusies waartoe een deskundige in zijn rapport is gekomen in zijn beslissing zal volgen, alle ter zake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen en op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang te toetsen of aanleiding bestaat van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken. Volgt de rechter de zienswijze van de door hem benoemde deskundige niet, dan gelden in beginsel dus de gewone, beperkte, motiveringseisen. De rechter dient zijn oordeel van een motivering te voorzien die voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om deze controleerbaar en aanvaardbaar te maken. [8]
3.8
Ik keer terug naar de bespreking van het middelonderdeel.
3.9
In deze zaak is sprake van twee tegenstrijdige beoordelingen door onafhankelijk psychiaters van de wilsbekwaamheid van betrokkene. In de medische verklaring van 3 januari 2024 komt de onafhankelijk psychiater tot de bevinding dat betrokkene niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen (hiervoor geciteerd onder 2.5). In de contra-expertise van 25 februari 2024 komt de andere onafhankelijk psychiater tot het oordeel dat betrokkene daartoe wel in staat is (hiervoor geciteerd onder 2.9).
3.1
De rechtbank komt op basis van de eerste medische verklaring van 3 januari 2024 en hetgeen op de voortgezette mondelinge behandeling van 15 maart 2024 is besproken tot het oordeel dat betrokkene niet wilsbekwaam is. De rechtbank licht dit oordeel nader toe door te overwegen dat hierbij meespeelt dat betrokkene ter zitting heeft aangegeven weer in een tent te kunnen gaan wonen om met zijn bedrijf aan de slag te gaan. Verder blijkt dat betrokkene al jaren in een situatie verkeert waarbij hij zijn hele leven door dit bedrijf laat leiden en zijn financiële en maatschappelijke situatie mede daardoor steeds slechter wordt, aldus de rechtbank (zie hiervoor onder 2.13).
3.11
Voor zover de klacht inhoudt dat de rechtbank niet aan de contra-expertise voorbij had mogen gaan, omdat deze actueler, genuanceerder en uitgebreider is dan de eerste medische verklaring, slaagt deze klacht niet. Naar mijn mening stond het de rechtbank vrij de zienswijze van de onafhankelijk psychiater in de eerste medische verklaring van 3 januari 2024 te volgen. De rechtbank is immers vrij in de waardering van een deskundigenbericht (art. 152 lid 2 Rv Pro).
3.12
Wel dient de rechter zijn oordeel van een motivering te voorzien die voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om deze controleerbaar en aanvaardbaar te maken. Dat brengt mij op de volgende motiveringsklacht.
3.13
In het middelonderdeel wordt geklaagd dat de rechtbank eraan voorbijgaat dat betrokkene ook zelf dingen rond zijn financiële situatie kan organiseren, nu hieruit zou blijken dat hij wel tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is. Deze klacht treft geen doel. Het gaat er bij de wilsbekwaamheid immers specifiek om of een betrokkene in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake de zorg of vormen daarvan en niet van zijn belangen in het algemeen. De rechtbank had het verweer betreffende de aanpak van de financiële problemen van betrokkene mijns inziens dan ook niet hoeven opvatten als een voldoende gemotiveerde betwisting van de juistheid van de zienswijze in de eerste medische verklaring dat betrokkene wilsonbekwaam is. Dat de rechtbank in de motivering van haar oordeel niet ingaat op dit verweer, maakt het oordeel dan ook niet onbegrijpelijk of niet voldoende gemotiveerd.
3.14
Voor zover de klacht inhoudt dat de rechtbank niet aan de contra-expertise voorbij had mogen gaan, omdat tijdens de mondelinge behandeling van 15 maart 2024 behalve door de advocaat van betrokkene niet over wilsbekwaamheid is gesproken, slaagt de klacht evenmin. Dat in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 15 maart 2024 de term ‘wilsbekwaamheid’ alleen door de advocaat gebezigd wordt, wil niet zeggen dat het onderwerp overigens niet expliciet dan wel impliciet aan de orde is gekomen tijdens die mondelinge behandeling. In ieder geval blijkt uit de motivering van de rechtbank van haar oordeel dat betrokkene wilsonbekwaam is, dat zij daarbij meer heeft betrokken dan alleen hetgeen de advocaat over wilsbekwaamheid naar voren heeft gebracht. De rechtbank overweegt immers dat zij in haar oordeel ook hetgeen op de mondelinge behandeling van 15 maart 2024 is besproken, heeft betrokken. De rechtbank maakt daarbij in de eerste plaats melding van de verklaring van betrokkene zelf dat hij weer in een tent kan gaan wonen om met zijn bedrijf aan de slag te gaan. Ook betrekt de rechtbank in haar motivering dat betrokkene al jaren in een situatie verkeert waarbij hij zijn hele leven door dit bedrijf laat leiden en zijn financiële en maatschappelijke situatie mede daardoor steeds slechter wordt. Daarbij baseert de rechtbank zich kennelijk mede op de verklaringen van de behandelaars ter zitting van 15 maart 2024. Zo heeft de psychiater als volgt verklaard: [9]
“ (…) Ik vind het beloop van het leven van betrokkene erg vreemd. Hij had een goede baan en een eigen woning, maar dat is hij allemaal kwijtgeraakt. (…).”
3.15
Bij de beoordeling van voormelde klacht speelt voor mij zijdelings ook mee dat het proces-verbaal is opgemaakt in een vorm waarbij per procesdeelnemer is vermeld wat diegene heeft verklaard. De vragen van de rechter zijn niet vermeld. Het opmaken van een proces-verbaal in deze vorm is niet ongebruikelijk, maar geeft wel een minder goed beeld van de dynamiek tussen vraag en antwoord tijdens een mondelinge behandeling dan een proces-verbaal dat meer letterlijk het verloop van het debat ter zitting volgt.
3.16
Voor zover het onderdeel beoogt te klagen dat het oordeel van de rechtbank dat betrokkene wilsonbekwaam is ook overigens onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is, slaagt deze klacht evenmin. De motivering van de rechtbank voldoet mijns inziens aan de daaraan te stellen eis dat deze voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om deze controleerbaar en aanvaardbaar te maken. De rechtbank verwijst immers naar de bevinding van de onafhankelijk psychiater in de eerste medische verklaring dat betrokkene wilsonbekwaam is, welk oordeel volgens de rechtbank wordt ondersteund door de hiervoor nader genoemde omstandigheden die haar ter zitting zijn gebleken.
3.17
Uit het voorgaande volgt dat ook de klacht, dat de rechtbank een inbreuk maakt op de rechten van artikel 5 en Pro 6 EVRM door voorbij te gaan aan het oordeel van de tweede onafhankelijk psychiater dat verplichte zorg juist averechts kan werken bij betrokkene, niet slaagt.
3.18
Gelet op het voorgaande meen ik dat de klachten van onderdeel I niet slagen.
3.19
Onderdeel IIis gericht tegen r.o. 2.1 en 2.2 van de bestreden beschikking en klaagt dat deze overwegingen onjuist zijn, althans onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd zijn. Ik begrijp het onderdeel zo dat de klachten zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het ernstig nadeel met name is gelegen in maatschappelijke teloorgang, ernstige financiële schade en ernstige verwaarlozing. Daartoe wordt in de eerste plaats aangevoerd dat de rechtbank in haar beoordeling voorbij gaat aan de in de contra-expertise genoemde kenmerken van een autismespectrumstoornis bij betrokkene, die mogelijk een ander licht op de zaak kunnen werpen. In dit kader wordt ook opgemerkt dat zich in het dossier geen reactie bevindt van de psychiater die de eerste medische verklaring van 3 januari 2024 heeft opgesteld op deze in de contra-expertise genoemde kenmerken van een autismespectrumstoornis. In de eerste medische verklaring kwam autisme niet voor, aldus het onderdeel. Ook voert het onderdeel aan dat betrokkene een afspraak heeft gemaakt bij de gemeente om over zijn schulden te praten, zodat er volgens het onderdeel geen reden is om ernstige financiële schade als ernstig nadeel aan te merken.
3.2
Voor zover het onderdeel beoogt te klagen over het oordeel van de rechtbank over het ernstig nadeel, omdat de rechtbank voorbij gaat aan de in de contra-expertise genoemde kenmerken van een autismespectrumstoornis, die mogelijk een ander licht op de zaak kunnen werpen en waarover een reactie ontbreekt van de onafhankelijk psychiater die de eerste medische verklaring heeft opgesteld, voldoet de klacht niet aan de daaraan in cassatie te stellen eisen. Wat dat andere licht zou kunnen zijn en wat dat betekent voor het door de rechtbank vastgestelde ernstig nadeel blijft immers in het midden in dit onderdeel. Ook blijft in het midden wat het ontbreken in het dossier van een reactie van de onafhankelijk psychiater die de eerste medische verklaring heeft opgesteld, betekent voor het door de rechtbank vastgestelde ernstig nadeel.
3.21
Verder wordt geklaagd dat de rechtbank in haar motivering voorbij is gegaan aan de afspraak die betrokkene heeft gemaakt met de gemeente in verband met zijn financiële problematiek. Ook deze klacht slaagt niet. Hoewel de rechtbank in haar motivering inderdaad geen melding maakt van deze ter zitting van 15 maart 2024 door betrokkene zelf en door zijn advocaat genoemde afspraak, maakt dit het oordeel van de rechtbank dat het ernstig nadeel (mede) is gelegen in ernstige financiële schade niet onjuist of onbegrijpelijk of niet voldoende gemotiveerd. Tegenover deze enkele door betrokkene gestelde afspraak met de gemeente staan de in dit kader wel door de rechtbank in de bestreden beschikking genoemde omstandigheden dat betrokkene volgens zijn behandelaars veel schulden heeft, steeds meer brieven krijgt van deurwaarders en geen inzage wil geven in zijn financiële situatie waardoor hij niet geholpen kan worden (zie r.o. 2.2 van de bestreden beschikking). Deze omstandigheden vormen naar mijn mening een voldoende motivering van het oordeel van de rechtbank dat het ernstig nadeel (mede) is gelegen in ernstige financiële schade.
3.22
Hiermee slagen naar mijn mening ook de klachten van onderdeel II niet.
3.23
Onderdeel IIIis gericht tegen r.o. 2.2 tot en met 2.7 van de bestreden beschikking en klaagt dat deze overwegingen onjuist zijn, althans onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd zijn. Naar ik begrijp, houdt het samenstel van klachten van dit onderdeel in de kern in dat de rechtbank alle verzochte vormen van zorg heeft toegewezen, terwijl niet is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg. In dat kader wordt in de eerste plaats geklaagd dat de vormen van zorg niet ter zitting zijn behandeld, noch tijdens de eerste mondelinge behandeling op 29 januari 2024 noch tijdens de voortgezette mondelinge behandeling op 15 maart 2024. Ook wordt, naar ik begrijp, geklaagd, dat niet duidelijk is waarom het hele scala van verplichte zorg wordt opgelegd als van de vormen van ernstig nadeel weinig meer is overgebleven. Daarbij wordt er weer in het bijzonder op gewezen dat betrokkene zelf al actie heeft ondernomen in het kader van zijn financiële situatie. Toewijzing van het in eerste aanleg gedane subsidiaire verzoek om alleen de vorm van zorg toe te wijzen die ziet op het nakomen van ambulante afspraken was voldoende geweest, aldus begrijp ik het onderdeel. Verder wordt geklaagd dat de rechtbank niet heeft gemotiveerd waarom alle verzochte vormen van zorg worden opgelegd. In dat kader wordt geklaagd dat onbegrijpelijk zijn de oordelen van de rechtbank dat er geen minder bezwarende alternatieven met hetzelfde beoogde effect zijn en dat de verplichte zorg evenredig en naar verwachting effectief is, nu eerst nadere diagnostiek moet plaatsvinden en niet duidelijk is wat de rechtbank ten aanzien van de veiligheid van betrokkene bedoelt. Ook wordt in het onderdeel, mede in verband met de artikelen 3, 5 en 6 EVRM, weer gewezen op de bevindingen in de contra-expertise van psychiater Grochowska, die meent dat verplichte zorg averechts kan werken.
3.24
Over de klacht dat het hele scala van verplichte zorg wordt opgelegd terwijl van de vormen van ernstig nadeel weinig meer is overgebleven, kan ik kort zijn. Deze klacht faalt, omdat hiervoor onder 3.19-3.22 bleek dat het oordeel van de rechtbank dat sprake is van ernstig nadeel, bestaande uit maatschappelijke teloorgang, ernstige financiële schade en ernstige verwaarlozing niet onjuist is en evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is.
3.25
Bij de bespreking van de volgende klachten stel ik voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad de rechter die een zorgmachtiging verleent, dient te motiveren dat voor de vormen van verplichte zorg waarvoor de machtiging wordt verleend, is voldaan aan de criteria voor en het doel van verplichte zorg van de artikelen 3:3 en 3:4 Wvggz. Daarbij geldt dat de rechter mag volstaan met een verwijzing naar de medische verklaring en de overige aan het verzoek ten grondslag liggende stukken indien daaruit voldoende duidelijk blijkt dat is voldaan aan de criteria voor en het doel van de verplichte zorg. Indien echter betrokkene bezwaar maakt tegen een bepaalde vorm van zorg, of de duur daarvan, zal de rechter zijn beslissing op dat punt moeten motiveren. De rechter behoeft alleen in te gaan op een dergelijk bezwaar indien het voldoende is toegelicht. [10]
3.26
De klacht dat de vormen van zorg niet ter zitting zijn behandeld, slaagt niet. Blijkens het proces-verbaal van de eerste mondelinge behandeling van 29 januari 2024 blijkt niet dat betrokkene of zijn advocaat een dergelijk bezwaar hebben gemaakt. Blijkens het proces-verbaal van de voorgezette mondelinge behandeling van 15 maart 2024 [11] heeft betrokkene het volgende verklaard:
“(…) Ik vind gesprekken met de hulpverlening prima, maar wil absoluut geen medicatie gebruiken. (…)”
Zijn advocaat heeft tijdens die voortgezette mondelinge behandeling het volgende verklaard:
“(…) Verder is een klinische opname niet geïndiceerd en heeft psychiater Grochowska aangegeven dat verplichte zorg averechts gaat werken. Dat is niet wat we willen. Ik verzoek u daarom primair het verzoek af te wijzen. Subsidiair verzoek ik u om alleen de vorm van zorg toe te wijzen die ziet op het nakomen van ambulante afspraken omdat betrokkene zich verzet tegen de medicatie.”
De psychiater heeft tijdens de voortgezette mondelinge behandeling als volgt verklaard:
“(…) We proberen al driekwart jaar om via een goede behandelrelatie de behandeling vorm te geven, maar dat is tot nu toe niet gelukt. Met alleen gesprekken kom je er dus niet vinden wij. We willen betrokkene instellen op een lage dosering medicatie en in de tussentijd nader onderzoek doen om te achterhalen wat er precies speelt. Aan de hand hiervan zal de behandeling verder vormgegeven worden. Als medicatie niet werkt, dan zullen wij de keuze van betrokkene om geen medicatie te gebruiken respecteren.”
En de arts heeft tijdens die mondelinge behandeling als volgt verklaard:
“We hopen dat betrokkene door middel van medicatie niet alleen psychiatrisch stabiliseert, maar ook in staat zal zijn zijn schulden aan te pakken.”
3.27
Uit deze verklaringen van betrokkene, zijn advocaat en zijn behandelaars kan mijns inziens niet anders afgeleid worden dan dat vormen van zorg wel degelijk ter zitting aan de orde zijn gekomen. Dat uit het proces-verbaal niet blijkt dat de rechter hierin het voortouw heeft genomen en dat daaruit evenmin blijkt dat alle verzochte vormen van zorg expliciet zijn besproken, maakt niet dat de klacht slaagt. Betrokkene en zijn advocaat hebben immers bezwaar kunnen maken tegen de vormen van zorgen. Uit de hiervoor weergegeven vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan ook afgeleid worden dat het initiatief daartoe bij betrokkene dan wel zijn advocaat ligt.
3.28
Uit de hiervoor geciteerde verklaringen van betrokkene en van zijn advocaat kan een bezwaar afgeleid worden tegen gedwongen medicatie en een bezwaar tegen gedwongen opname, en daarmee impliciet tegen alle met de opname samenhangende verzochte vormen van zorg. In het licht van in het bijzonder het beroep op wilsbekwaam verzet en de verwijzing in dat kader naar de contra-expertise namens betrokkene zijn deze bezwaren tegen de verzochte vormen van gedwongen zorg naar mijn mening bovendien voldoende toegelicht. De rechtbank moet haar beslissing op dit punt dus motiveren.
3.29
Dat brengt mij op de klacht dat de rechtbank niet heeft gemotiveerd waarom alle verzochte vormen van zorg worden opgelegd. Ook deze klacht faalt.
3.3
De rechtbank heeft haar beslissing dienaangaande in r.o. 2.2 als volgt gemotiveerd:
“Gelet op het hiervoor beschreven ernstig nadeel en de wilsonbekwaamheid van betrokkene zal de rechtbank het verzoek toewijzen met alle verzochte vormen van verplichte zorg. De behandelaren proberen al driekwart jaar om via een goede behandelrelatie de behandeling vorm te geven, wat tot nu toe niet is gelukt. Het op deze manier langer proberen de steeds schrijnendere situatie van betrokkene te doorbreken acht de rechtbank niet langer adequaat. De rechtbank acht het van belang dat nadere diagnostiek plaatsvindt en dat betrokkene daarna medicatie gaat gebruiken, zodat hij stabiel wordt en zijn leven op een goede manier weer kan oppakken. In dit verband acht de rechtbank mede van belang dat de behandelaren hebben aangegeven dat, indien de medicatie niet het beoogde effect heeft, zij de keuze van betrokkene – om zonder medicatie te blijven − zullen respecteren.”
3.31
Heeft de rechtbank hiermee voldoende toegelicht waarom
alleverplichte vormen van zorg worden toegewezen? Gelet op de wijze waarop betrokkene bezwaar heeft gemaakt tegen de verzochte vormen van zorg kon de rechtbank mijns inziens volstaan met deze motivering van haar oordeel dat alle verzochte vormen van zorg worden toegewezen, zonder dat daarbij stuk voor stuk alle toegewezen vormen van zorg zijn langsgelopen. Dat laatste heeft betrokkene immers ook niet gedaan in zijn bezwaar.
3.32
Al met al meen ik dat het oordeel van de rechtbank over de toegewezen vormen van zorg − mede tegen de achtergrond van de eerste medische verklaring en de overige bij het verzoekschrift in eerste aanleg gevoegde stukken, in het bijzonder het zorgplan − voldoende gemotiveerd is en dus begrijpelijk is.
3.33
Daarmee faalt ook de klacht dat onbegrijpelijk zijn de oordelen van de rechtbank dat er geen minder bezwarende alternatieven met hetzelfde beoogde effect zijn en dat de verplichte zorg evenredig en naar verwachting effectief is.
3.34
Overigens kan ik me, gelet op de sterke wens van betrokkene om geen medicatie of opname te willen en de bevindingen in de contra-expertise die zijn wens ondersteunen, wel indenken dat het slikken is voor betrokkene dat de rechtbank alle verzochte vormen van zorg heeft toegewezen.
3.35
Voor zover tot slot beoogd werd te klagen over schending van de artikelen 3, 5 en 6 EVRM, gelet op de bevinding in de contra-expertise dat verplichte zorg averechts kan werken bij betrokkene, deelt deze klacht het lot van de hiervoor besproken klachten.
3.36
Gelet op het voorgaande slagen naar mijn mening ook de klachten van onderdeel III niet.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De tussenbeschikking is nog niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
2.In het dictum per abuis Crochowska genoemd.
3.Zoals ook vermeld in r.o. 1 van de bestreden beschikking van rechtbank Amsterdam van 18 maart 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3633.
6.Zie o.m. HR 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:123,
7.HR 14 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0966,
8.HR 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8478,
9.Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 15 maart 2024, in cassatie overgelegd als productie 18 bij de procesinleiding.
10.HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:625, r.o. 3.2; HR 8 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1475,
11.In cassatie overgelegd als productie 18 bij de procesinleiding.