ECLI:NL:PHR:2024:1088

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 oktober 2024
Publicatiedatum
18 oktober 2024
Zaaknummer
22/02102
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38v SrArt. 27 SrArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRMArt. 359 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling cassatieberoep bedreiging, vernieling, mishandeling en vrijheidsbeperkende maatregel

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, vernieling, beschadiging en mishandeling van zijn vader. Het hof legde een taakstraf van 120 uren en een gevangenisstraf van 32 dagen (waarvan 28 voorwaardelijk) op, met aftrek van voorarrest. Tevens werd een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd bestaande uit een locatie- en contactverbod voor twee jaar.

In cassatie stelde de verdediging twee middelen voor: het eerste betrof de bewezenverklaring van de bedreiging, waarbij werd aangevoerd dat het slachtoffer de Nederlandse taal niet machtig was en zich daarom niet bedreigd kon voelen; het tweede middel richtte zich op de motivering van de vrijheidsbeperkende maatregel. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de verklaringen van het slachtoffer en getuigen geloofwaardig achtte en dat het feit dat het slachtoffer de Nederlandse taal niet volledig beheerst niet uitsluit dat zij de bedreiging begreep.

De motivering van het hof over de vrijheidsbeperkende maatregel was toereikend, waarbij het hof rekening hield met eerdere soortgelijke veroordelingen en de ernst van de feiten. De Hoge Raad constateerde een schending van de redelijke termijn, wat tot strafvermindering kan leiden, maar zag geen reden tot vernietiging van het arrest. Het cassatieberoep werd afgewezen met een ambtshalve opmerking over de termijnoverschrijding.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de opgelegde straffen en vrijheidsbeperkende maatregel worden bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/02102

Zitting22 oktober 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 7 juni 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens (1) “
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, (2) “
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen”, (3) “
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen” en (4) “
mishandeling, begaan tegen zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren en een gevangenisstraf voor de duur van 32 dagen waarvan 28 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest conform artikel 27 Sr Pro.
2. Daarnaast heeft het hof aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opgelegd – bestaande uit een locatieverbod en een contactverbod voor de duur van twee jaar – en bijzondere voorwaarden opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest bepaald. Tot slot is de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] (zijnde de zus van de verdachte) toegewezen, een en ander zoals eveneens nader in het arrest bepaald.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. S.W.M. Stevens, advocaat te Rotterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel valt uiteen in twee deelklachten en richt zich tegen de bewezenverklaring van feit 1 en de verwerping van een door de verdediging (ten aanzien van dat delict) gevoerd bewijsverweer. Het tweede middel richt zich tegen de motivering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel.

Het eerste middel – deelklacht 1

De kern van de deelklacht en de processuele feiten
5. De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de bewezen verklaarde uiting van dien aard is dat bij [aangeefster] (zijnde de moeder van de verdachte) de redelijke vrees kon ontstaan het leven te verliezen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is.
6. Aan de verdachte is, voor zover relevant voor de beoordeling van deze deelklacht, het volgende ten laste gelegd:

1. hij op of omstreeks 12 mei 2020 te [plaats] in elk geval in Nederland, [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangeefster] dreigend de woorden toe te voegen "ik ga jullie allemaal dood schieten met mijn pistool", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
7. Namens de verdachte is (blijkens de pleitnota die aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2022 is gehecht) het volgende aangevoerd:

De aangifte van [aangeefster] is in de Nederlandse taal opgenomen. Blijkens het pv bevindingen op blz 54 ( PL1700-2020147259-5 ) stond [aangeefster] in een voor de verbalisanten onverstaanbare taal te schreeuwen en heeft haar echtgenoot verklaard, dat zij de Nederlandse taal “onvoldoende spreekt”. Bij het (nader) gehoor van [aangeefster] is zij met behulp van een tolkBerber Noordgehoord.
In het pv buurtonderzoek (PL 1700-2020147259-12) is opgenomen de verklaring van de directe buurman op [nummer 1] ( [aangeefster] woont op [nummer 2] ). Deze heeft verklaard, dat er “Marokkaans” was gesproken en dat hij niet verstond wat er was gezegd. Deze verklaring is onverenigbaar met de verklaringen van de getuigen [betrokkene 1] (blz 65) en [betrokkene 2] (blz 66), die hebben verklaard te hebben gehoord “ik maak je dood...” resp. “ik maak je af..”
Zonder nadere motivering - die ontbreekt - is onbegrijpelijk het gebruik voor het bewijs van de aangifte, die in de Nederlandse taal is opgenomen. Aangeefster is de Nederlandse taal niet machtig en kan derhalve niet geacht worden een aangifte in de Nederlandse taal te hebben gedaan. De verklaringen van de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] kunnen zonder nadere motivering evenmin voor bewijs worden gebruikt, nu de directe buurman op [nummer 1] heeft verklaard, dat er Marokkaans werd gesproken. De genoemde getuigen hebben niet aangegeven, die taal te beheersen.
Verklaring getuige [betrokkene 1] 17 december 2021 :
Betrokkene heeft verklaard, dat hij zich niet kon herinneren, wat er gezegd was. Heeft tevens verklaard dat hij niet durft te zeggen dat hij had verstaan wat de “jongen” had gezegd.
Verklaring getuige [betrokkene 2] 17 december 2021 :
Er werd veel geroepen in het Arabisch en dat klonk behoorlijk boos. Ik hoorde, dat het niet aardig was. De bedreiging was in het Nederlands.
De getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] spreken elkaar en de buurman op [nummer 1] tegen over de taal, waarin zou zijn gedreigd. Als er in het Nederlands zou zijn gescholden, kon aangeefster dat niet hebben verstaan, omdat zij — zie hierboven — uitsluitend de Berber taal machtig is.
Uw Gerechtshof wordt daarom verzocht opnieuw rechtdoende verdachte vrij te spreken van hetgeen onder feit 1 aan verdachte ten laste was gelegd.
8. Het oordeel van het hof hieromtrent luidt als volgt (zie het bestreden arrest, p. 3-4):

Ten aanzien van het eerste tenlastegelegde feit overweegt het hof als volgt.
De moeder van de verdachte, [aangeefster] , heeft in haar aangifte verklaard dat de verdachte tegen haar heeft gezegd dat hij een pistool zou pakken en haar dood zou schieten, waardoor zij bang voor hem werd. In haar daaropvolgende verklaring bij de politie heeft ze verklaard dat hij tegen de voordeur aanschopte en zei: ‘Ik ga jullie allemaal dood schieten met mijn pistool’.
De verklaringen van aangeefster worden gesteund door de verklaring van de getuige [betrokkene 2] , die bij de politie heeft verklaard dat de persoon die door de politie was aangehouden (het hof begrijpt: de verdachte) tegen de deur aan bonkte en woorden gelijkend aan ‘Ik maak je af’ riep.
Bij de raadsheer-commissaris heeft [betrokkene 2] opnieuw verklaard dat hij veel kabaal heeft gehoord en dat hij gebonk en geschop tegen een deur heeft gehoord. Ook heeft [betrokkene 2] verklaard dat hij de bedreigingen ‘ik maak je af’ en ‘ik steek je neer’ in het Nederlands heeft gehoord. Voorts verklaarde [betrokkene 2] dat een dame (het hof begrijpt: de moeder van de verdachte) ook in het huis aanwezig was.
Naar oordeel van het hof is op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangeefster met de dood heeft bedreigd.
9. De bewezenverklaring berust blijkens de aanvulling op het bestreden arrest op de volgende bewijsmiddelen:

Bewijsmiddelen feit 1
1.Een proces-verbaal van de aangifte van [aangeefster]d.d. 12 mei 2020 van de politie Rotterdam met nr. PL1700-2020147259-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -
(blz. 52 - 53):
Ik, [aangeefster] doe aangifte van bedreiging met de dood door mijn zoon [verdachte] op 12 mei 2020 op de [nummer 2] te [plaats] . Hij zei ik pak een pistool en schiet je dood. Ik ben bang voor hem en durfde de deur niet te openen.
2.Een proces-verbaal van verhoor van [aangeefster]d.d. 15 mei 2020 van de politie Rotterdam met nr. PL1700-2020147259-11. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 60 - 62):
V: Kunt u zeggen op welk moment uw zoon [verdachte] u bedreigde?
A: Ja, dat was op het moment dat hij tegen voordeur aan schopte en zei: “Ik ga jullie allemaal dood schieten met mijn pistool”.
3.Een proces-verbaal van bevindingend.d. 15 mei 2020 van de politie Rotterdam met nr. PL1700-2020147259-14. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 66):
Op vrijdag 15 mei 2020 hield ik, verbalisant [verbalisant] , een buurtonderzoek naar aanleiding van een bedreiging aan de [nummer 2] te [plaats] gepleegd op dinsdag 12 mei.
Aldaar heb ik gesproken met [betrokkene 2] . Hij verklaarde aan mij het volgende:
“Afgelopen dinsdag (het hof begrijpt: 12 mei 2020) hoorde ik gegil en gebonk en geschop tegen een deur aan. Hierop ben ik naar boven gelopen en heb de man aangesproken die (…) tegen de deur aan het bonken en schoppen was. Ik vroeg of het wat rustiger kon. Hij bleef maar schelden en schreeuwen. Hij bonkte tegen de deur aan en riep ‘Ik maak je af’ of woorden in deze strekking. Dit was gericht tegen zijn ouders. Ik zag dat hij vervolgens aangehouden werd door de politie”.
4.Het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken bij het hof Den Haagvan het verhoor van de getuige [betrokkene 2]van 17 december 2021. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
U zegt mij dat de politie heeft opgeschreven dat ik verklaarde dat ik op een dinsdag herrie hoorde op de vierde verdieping. Dat klopt.U vraagt mij wat ik mij daar nu nog van herinner. Er was heel veel kabaal. Er was veel geschreeuw. U zegt mij dat er in het dossier ook wordt gesproken over gebonk en geschop tegen een deur. U vraagt mij of dat mij wat zegt. Ja, dat ook, dat hoorde ik ook.
Ik hoorde hem in het Nederlands zeggen ‘ik steek je neer, als ik geen geld krijg, ik maak je af’ en woorden van gelijke strekking.U vraagt mij of dat betekent dat zijn moeder er dan ook bij was. Ja, er was een dame bij. Die kwam uit hetzelfde huis als de oude man. Ik sprak die oude man daarna en hij zei ook dat zijn vrouw er ook was.”
De toelichting op deelklacht 1
10. In de toelichting wordt door de steller van het middel het volgende betoogd. Nu de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep gemotiveerd heeft aangevoerd dat [aangeefster] “
uitsluitend de Berber taal machtig is” en het hof hierover ten onrechte niets heeft overwogen en daarnaast de aangifte van [aangeefster] heeft betrokken bij de bewezenverklaring van feit 1, getuigt het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting en/of is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk. De verdediging heeft ter terechtzitting immers gemotiveerd betoogd dat [aangeefster] de Nederlandse taal niet machtig is en, nu de bedreiging door de verdachte in de Nederlandse taal is geuit, zij niet op de hoogte kon raken van de bedreiging en bij haar evenmin de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen.
De bespreking van de eerste deelklacht
11. Het hof heeft ter motivering van de bewezenverklaring gebruikgemaakt van een tweetal verklaringen van [aangeefster] . Dit duidt erop dat het hof deze verklaringen geloofwaardig acht en er niet aan twijfelt dat [aangeefster] in voldoende mate in staat is om de jegens haar in de Nederlandse taal geuite dreigementen te begrijpen.
12. Dit oordeel van het hof is m.i. niet onbegrijpelijk, aangezien de verklaringen van [aangeefster] in hoge mate corresponderen met de mededelingen van de getuige [betrokkene 2] . Noch de bewijsmiddelen, noch het door de steller van het middel bedoelde proces-verbaal van bevindingen hadden het hof aanleiding moeten geven voor twijfel. Daaruit kan immers hooguit worden opgemaakt dat [aangeefster] de Nederlandse taal – voor een nadere ondervraging zonder de bijstand van een tolk – “
onvoldoende spreekt”. Zulks sluit allerminst uit dat zij Nederlandse woorden als “
ik ga jullie allemaal dood schieten met mijn pistool” heeft kunnen verstaan en de portee ervan heeft kunnen bevatten.

Het eerste middel – deelklacht 2

De kern van de deelklacht en de processuele feiten
13. De tweede deelklacht houdt in dat het hof niet is ingegaan op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat [aangeefster] de Nederlandse taal niet (voldoende) machtig was, hetgeen volgens de raadsman tot vrijspraak diende te leiden.
14. Blijkens de pleitnota, zoals weergegeven onder randnummer 7, is door de verdediging (en ik herhaal) hieromtrent het volgende aangevoerd:

De aangifte van [aangeefster] is in de Nederlandse taal opgenomen. Blijkens het pv bevindingen op blz 54 ( PL1700-2020147259-5 ) stond [aangeefster] in een voor de verbalisanten onverstaanbare taal te schreeuwen en heeft haar echtgenoot verklaard, dat zij de Nederlandse taal “onvoldoende spreekt”. Bij het (nader) gehoor van [aangeefster] is zij met behulp van een tolkBerber Noordgehoord.
(…)
Zonder nadere motivering - die ontbreekt - is onbegrijpelijk het gebruik voor het bewijs van de aangifte, die in de Nederlandse taal is opgenomen. Aangeefster is de Nederlandse taal niet machtig en kan derhalve niet geacht worden een aangifte in de Nederlandse taal te hebben gedaan.
(…)
Als er in het Nederlands zou zijn gescholden, kon aangeefster dat niet hebben verstaan, omdat zij – zie hierboven – uitsluitend de Berber taal machtig is.
De bespreking van de deelklacht
15. De verdediging heeft in hoger beroep opmerkingen gemaakt over het gebrek aan beheersing van de Nederlandse taal door [aangeefster] . Het hof heeft in zijn bewijsoverwegingen niet expliciet op de bedoelde opmerkingen gereageerd, kennelijk omdat het daarin geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in artikel 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv heeft herkend.
16. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, aangezien het aangevoerde niets méér inhield dan dat [aangeefster] de Nederlandse taal (in het geheel) niet machtig is, terwijl enige onderbouwing van deze stelling ontbreekt. Zoals gezegd vloeit de juistheid van die stelling niet voort uit de in het proces-verbaal van bevindingen opgenomen mededeling dat [aangeefster] de Nederlandse taal “
onvoldoende spreekt” en evenmin uit het gegeven dat [aangeefster] bij een nader verhoor met bijstand van een tolk is ondervraagd.
17. Ook de tweede deelklacht is tevergeefs voorgesteld. Daardoor faalt het middel.

Het tweede middel

De kern van het middel en de processuele feiten
18. Het cassatiemiddel bevat de klacht dat de beslissing van het hof tot oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr ontoereikend is gemotiveerd en/of onbegrijpelijk is.
19. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

1. hij op 12 mei 2020 te [plaats] [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [aangeefster] dreigend de woorden toe te voegen “ik ga jullie allemaal dood schieten met mijn pistool”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
2. hij op 10 november 2019 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk autobanden die aan [benadeelde] toebehoorden, heeft vernield;
3. hij op 31 december 2019 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een fiets die aan [betrokkene 3] toebehoorde, heeft beschadigd;
4. hij op 10 november 2019 te [plaats] zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, [betrokkene 3] , heeft mishandeld door een bloempot tegen de voet van die [betrokkene 3] te gooien.
20. Ten aanzien van de op te leggen sanctie heeft het hof als volgt overwogen (zie het bestreden arrest, p. 6-7):

Het hof heeft de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier strafbare feiten. Het betreffen kwalijke en ernstige feiten. De slachtoffers, zijn familieleden, hebben aangegeven dat zij veel last hebben ondervonden van het gedrag van de verdachte en dat zij zich ernstig zorgen om hem maken. De verdachte heeft met zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zijn familie.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 mei 2022, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden een dergelijk feit te plegen.
Vanwege de ernst van de feiten zou in beginsel moeten worden gereageerd met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Nu begeleiding en bijzondere voorwaarden dringend noodzakelijk worden geacht, zal het hof de voorgenomen gevangenisstraf echter deels voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Ter voorkoming van strafbare feiten zal aan de verdachte daarnaast de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van twee jaren worden opgelegd, inhoudende een contactverbod met aangevers en een locatieverbod voor de [a-straat] te [plaats] . Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens aangevers, zal de maatregel dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur in combinatie met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.”
De toelichting op het middel
21. De steller van het middel klaagt dat het hof ter motivering van de vrijheidsbeperkende maatregel
enkeloverweegt dat die maatregel “
ter voorkoming van strafbare feiten” wordt opgelegd en daarmee niet onder ogen heeft gezien dat de maatregel alleen kan worden opgelegd indien daarmee de beveiliging van de maatschappij wordt gediend of het begaan van strafbare feiten wordt verhinderd.
22. Daar komt volgens de steller van het middel nog bij dat het door het hof gebruikte argument “
dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verzoeker opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend jegens de aangevers zal gedragen” enkel ziet op de dadelijke uitvoerbaarverklaring van de maatregel.
Het beoordelingskader
23. Voor de beoordeling van het middel is de volgende wettelijke bepaling van belang (wat volgt is een weergave van de thans geldende bepaling):

Artikel 38v Sr:
1. Ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten kan een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid worden opgelegd bij de rechterlijke uitspraak:
1°. waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld;
2°. waarbij overeenkomstig artikel 9a wordt bepaald dat geen straf zal worden opgelegd.
2. De maatregel kan inhouden dat de verdachte wordt bevolen:
a. zich niet op te houden in een bepaald gebied,
b. zich te onthouden van contact met een bepaalde persoon of bepaalde personen,
(...).
3. De maatregel kan voor een periode van ten hoogste vijf jaren worden opgelegd.
4. De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van de officier van justitie, bevelen dat de maatregel duidelijk uitvoerbaar is indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of personen.
5. De maatregel kan tezamen met straffen en andere maatregelen worden opgelegd. [1]
24. De rechter kan een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v Sr onder meer opleggen wanneer iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld. Daarbij geldt wel de in het eerste lid van dit artikel genoemde beperking dat de maatregel dient “
ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten”. Volgens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 17 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met de invoering van een rechterlijke vrijheidsbeperkende maatregel (rechterlijk gebieds- of contactverbod), [2] brengt deze beperking mee “
dat de rechter de maatregel alleen kan opleggen indien hij oordeelt dat er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dan wel zich belastend naar personen toe zal gedragen”. [3]
25. Indien de rechter op grond van artikel 38v een vrijheidsbeperkende maatregel oplegt dient hij dit – in het licht van de wettelijke doelstellingen – te motiveren. [4] Uit rechtspraak kan worden afgeleid dat deze motivering niet steeds heel uitgebreid zal hoeven te zijn, [5] maar met het geheel ontbreken van een motivering neemt de Hoge Raad geen genoegen. [6]
De bespreking van het middel
26. Uit de hiervoor in randnummer 20 weergegeven overweging blijkt dat het hof aan de verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel heeft opgelegd “
ter voorkoming van strafbare feiten” en dat het hof daarbij acht heeft geslagen op eerdere veroordelingen van de verdachte ter zake van soortgelijke feiten.
27. Het hof sluit aan bij niet alleen de in het eerste lid van dit artikel genoemde beperking dat de maatregel dient “
ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten” maar ook bij het in de wetsgeschiedenis omschreven vereiste “
dat de rechter de maatregel alleen kan opleggen indien hij oordeelt dat er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dan wel zich belastend naar personen toe zal gedragen”. Dit wordt door het hof immers in de strafmotivering met zoveel woorden tot uitdrukking gebracht.
28. Daarbij merk ik op dat het hof met de overweging dat “
er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens aangevers” en daarom de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar acht, juist tot uitdrukking brengt dat het onder ogen heeft gezien dat de maatregel alleen kan worden opgelegd indien daarmee de beveiliging van de maatschappij wordt gediend of het begaan van strafbare feiten wordt verhinderd.
29. Het oordeel dat zulks het geval is, acht ik allerminst onbegrijpelijk, gelet op de reeks van strafbare feiten die het hof bewezen acht en de eerdere veroordelingen wegens soortgelijke delicten waarvan het hof melding heeft gemaakt.
30. Het tweede middel faalt.

Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatie

31. Ambtshalve merk ik op dat namens de betrokkene cassatie is ingesteld op 9 juni 2022. Dit betekent dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro geschonden. Dit dient te leiden tot strafvermindering.

Slotsom

32. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
33. Anders dan hetgeen ik in randnummer 31 heb opgemerkt, heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
34. Deze conclusie strekt tot vermindering van de straf naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Aangezien de onder 2, 3 en 4 bewezen verklaarde feiten eind 2019 zijn begaan (en dus vóór 1 januari 2020), wijs ik op het volgende. De in de hoofdtekst weergegeven redactie van art. 38v Sr geldt sedert 1 januari 2020. Het verschil met de voorgaande redactie, die gold van 1 juli 2015 tot 1 januari 2020, houdt in dat als lid 5 (oud) in art. 38v Sr was opgenomen dat het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel (bedoeld in lid 4) door de rechter die kennisneemt van het hoger beroep kon worden opgeheven. Deze bepaling is met ingang van 1 januari 2020 komen te vervallen, zulks onder vernummering van het oude lid 6 tot het thans geldende lid 5. Het hier genoemde verschil in de redactie van art. 38v Sr maakt voor de bespreking van het middel niet uit.
4.HR 3 januari 2017,
5.Vgl. HR 6 oktober 2015,
6.Zie andermaal HR 3 januari 2017,