Conclusie
Nummer22/02102
Inleiding
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, (2) “
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen”, (3) “
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen” en (4) “
mishandeling, begaan tegen zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren en een gevangenisstraf voor de duur van 32 dagen waarvan 28 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest conform artikel 27 Sr Pro.
Het eerste middel – deelklacht 1
1. hij op of omstreeks 12 mei 2020 te [plaats] in elk geval in Nederland, [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangeefster] dreigend de woorden toe te voegen "ik ga jullie allemaal dood schieten met mijn pistool", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;”
De aangifte van [aangeefster] is in de Nederlandse taal opgenomen. Blijkens het pv bevindingen op blz 54 ( PL1700-2020147259-5 ) stond [aangeefster] in een voor de verbalisanten onverstaanbare taal te schreeuwen en heeft haar echtgenoot verklaard, dat zij de Nederlandse taal “onvoldoende spreekt”. Bij het (nader) gehoor van [aangeefster] is zij met behulp van een tolkBerber Noordgehoord.
Ten aanzien van het eerste tenlastegelegde feit overweegt het hof als volgt.
Bewijsmiddelen feit 1
uitsluitend de Berber taal machtig is” en het hof hierover ten onrechte niets heeft overwogen en daarnaast de aangifte van [aangeefster] heeft betrokken bij de bewezenverklaring van feit 1, getuigt het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting en/of is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk. De verdediging heeft ter terechtzitting immers gemotiveerd betoogd dat [aangeefster] de Nederlandse taal niet machtig is en, nu de bedreiging door de verdachte in de Nederlandse taal is geuit, zij niet op de hoogte kon raken van de bedreiging en bij haar evenmin de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen.
onvoldoende spreekt”. Zulks sluit allerminst uit dat zij Nederlandse woorden als “
ik ga jullie allemaal dood schieten met mijn pistool” heeft kunnen verstaan en de portee ervan heeft kunnen bevatten.
Het eerste middel – deelklacht 2
De aangifte van [aangeefster] is in de Nederlandse taal opgenomen. Blijkens het pv bevindingen op blz 54 ( PL1700-2020147259-5 ) stond [aangeefster] in een voor de verbalisanten onverstaanbare taal te schreeuwen en heeft haar echtgenoot verklaard, dat zij de Nederlandse taal “onvoldoende spreekt”. Bij het (nader) gehoor van [aangeefster] is zij met behulp van een tolkBerber Noordgehoord.
onvoldoende spreekt” en evenmin uit het gegeven dat [aangeefster] bij een nader verhoor met bijstand van een tolk is ondervraagd.
Het tweede middel
1. hij op 12 mei 2020 te [plaats] [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [aangeefster] dreigend de woorden toe te voegen “ik ga jullie allemaal dood schieten met mijn pistool”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
Het hof heeft de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
enkeloverweegt dat die maatregel “
ter voorkoming van strafbare feiten” wordt opgelegd en daarmee niet onder ogen heeft gezien dat de maatregel alleen kan worden opgelegd indien daarmee de beveiliging van de maatschappij wordt gediend of het begaan van strafbare feiten wordt verhinderd.
dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verzoeker opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend jegens de aangevers zal gedragen” enkel ziet op de dadelijke uitvoerbaarverklaring van de maatregel.
Artikel 38v Sr:
ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten”. Volgens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 17 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met de invoering van een rechterlijke vrijheidsbeperkende maatregel (rechterlijk gebieds- of contactverbod), [2] brengt deze beperking mee “
dat de rechter de maatregel alleen kan opleggen indien hij oordeelt dat er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dan wel zich belastend naar personen toe zal gedragen”. [3]
ter voorkoming van strafbare feiten” en dat het hof daarbij acht heeft geslagen op eerdere veroordelingen van de verdachte ter zake van soortgelijke feiten.
ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten” maar ook bij het in de wetsgeschiedenis omschreven vereiste “
dat de rechter de maatregel alleen kan opleggen indien hij oordeelt dat er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dan wel zich belastend naar personen toe zal gedragen”. Dit wordt door het hof immers in de strafmotivering met zoveel woorden tot uitdrukking gebracht.
er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens aangevers” en daarom de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar acht, juist tot uitdrukking brengt dat het onder ogen heeft gezien dat de maatregel alleen kan worden opgelegd indien daarmee de beveiliging van de maatschappij wordt gediend of het begaan van strafbare feiten wordt verhinderd.