ECLI:NL:PHR:2024:1102

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 augustus 2024
Publicatiedatum
21 oktober 2024
Zaaknummer
22/01555
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 2 Wegenverkeerswet 1994Art. 9 lid 2 Wegenverkeerswet 1994Art. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake ongeldigverklaring rijbewijs en rijden zonder geldig rijbewijs

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs en het overtreden van de Wegenverkeerswet 1994. Hij kreeg een gevangenisstraf van twee weken en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor twee maanden opgelegd.

De verdachte stelde in cassatie dat het hof onjuist en onvoldoende gemotiveerd had geoordeeld dat hij op 2 augustus 2019 persoonlijk en ondubbelzinnig door de politie was geïnformeerd over de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs. Hij verwees daarbij naar een proces-verbaal en stelde dat de formulering daarin dubbelzinnig was.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat het cassatiemiddel faalt. Uit het proces-verbaal blijkt dat de verdachte op genoemde datum werd aangehouden, persoonlijk werd geïnformeerd over de ongeldigverklaring, dit begreep en de verklaring ondertekende. Het hof heeft dit oordeel voldoende gemotiveerd en het cassatieberoep wordt verworpen.

De Hoge Raad merkt op dat de behandeltermijn in cassatie is overschreden, maar ziet geen reden om ambtshalve te vernietigen. De veroordeling blijft daarmee in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/01555
Zitting27 augustus 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
hierna: de verdachte
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 13 april 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens 1. “overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (440 microgram)” en 2.“overtreding van artikel 9, tweede lid, van de WVW 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken en, ter zake van feit 1, een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van twee maanden.
Er bestaat samenhang met de zaken 22/01553 en 22/01554. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.
Namens de verdachte heeft D.L.A.M. Pluijmakers, advocaat in Almere, een middel van cassatie voorgesteld.
Het cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
4. Bezien in samenhang met de toelichting daarop komt het middel op tegen de motivering van de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde en klaagt het met verwijzing naar bewijsmiddel 2 (enkel) dat het hof op onjuiste en/of ontoereikende gronden tot de bewezenverklaring van dat feit is gekomen doordat ’s hofs oordeel dat de verdachte op 2 augustus 2019 door de politie persoonlijk en ondubbelzinnig op de hoogte is gesteld van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs onjuist, althans niet voldoende gemotiveerd is.
De bewezenverklaring en bewijsvoering
5. Ten laste van de verdachte is, voor zover hier van belang, bewezenverklaard dat:
“2.
hij op 2 januari 2020 te Feanwâlden, gemeente Dantumadiel terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de Woudweg, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd.”
6. Deze bewezenverklaring berust op onder meer het volgende bewijsmiddel:
“[…]
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal ZSM Artikel 9 WVW Pro d.d. 2 augustus 2019 met nummer 020820190137151166 en bijbehorende bijlagen, opgenomen op pagina 7 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0200-020820190137151166 d.d. 19 september 2019, inhoudende als verklaringen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
Ik, verbalisant, zag dat op 2 augustus 2019 om 01:37 uur op de Anna Vondelingweg te Leeuwarden, gemeente Leeuwarden, verdachte: [verdachte] […] als bestuurder reed op genoemde weg/locatie. Na onderzoek bleek dat deze bestuurder een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard. Zie de als bijlage bijgevoegde uitdraai BV1- IB.
Verdachte werd verhoord door verbalisant. Verklaring verdachte:
X U heeft mij medegedeeld dat de volgende rijbewijsmaatregel van toepassing is: mijn rijbewijs
in ongeldig verklaard.
X Ik begrijp dat dat ik met deze rijbewijsmaatregel niet mag rijden met een motorrijtuig van de
categorie waarop die maatregel van toepassing is.
X De verdachte is medegedeeld dat de volgende rijbewijsmaatregel van kracht is: het rijbewijs
is ongeldig verklaard.
X Verdachte heeft kennisgenomen van de aangekruiste zinnen en aanvullingen en volhardde
daarbij.
Handtekening verdachte: getekend
[…].”
7. De bewijsoverweging van het hof houdt ter zake het volgende in:
“Oordeel van het hof
[…]
In het strafdossier bevindt zich tevens een proces-verbaal waaruit blijkt dat verdachte op 2 augustus 2019 is aangehouden op verdenking van artikel 8 lid 2 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Uit dit proces-verbaal blijkt dat door de politie op voornoemde datum aan verdachte is medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Ook heeft verdachte bij die gelegenheid verklaard te begrijpen dat hij met deze rijbewijsmaatregel niet mag rijden en blijkt voorts uit het proces-verbaal dat verdachte kennis heeft genomen van de aangekruiste zinnen op het proces-verbaal en dat hij deze verklaring vervolgens heeft ondertekend.
Het hof stelt, gelet op voorgaande, vast dat verdachte op 2 augustus 2019 door de politie persoonlijk en ondubbelzinnig op de hoogte is gesteld van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs. De omstandigheid dat verdachte stelt dat hij tijdens een aanhouding in november 2020 van een verbalisant te horen heeft gekregen dat zijn rijbewijs niet ongeldig was verklaard, maakt dit - wat daar ook van zij - naar het oordeel van het hof niet anders. Nu niet is gesteld en evenmin is gebleken dat het rijbewijs in een later stadium, en voor de tenlastegelegde pleegdatum, aan verdachte is verzonden dan wel teruggegeven, is het hof derhalve van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op 2 januari 2020 wist dat zijn rijbewijs ongeldig was en dat hij desondanks op die datum toch als bestuurder in een auto heeft gereden.”
Beoordeling van het middel
8. In de toelichting op het middel wordt ter onderbouwing daarvan aangevoerd, ik citeer: “Hoewel het op basis van dit formulier (A-G: ik begrijp het ZSM proces-verbaal als bedoeld in bewijsmiddel 2) alleszins voorstelbaar lijkt dat verzoeker door de betrokken politieambtenaren op 2 augustus 2019 is voorgehouden dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, lijkt dit mede gelet op de dubbelzinnige "en/of"-formulering die uw Raad hanteert, zonder nadere uitleg van het Hof, die ontbreekt, onvoldoende om aan te nemen dat verzoeker op 2 augustus 2019 wist, dan wel redelijkerwijs moet hebben geweten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.”
9. Allereerst merk ik op, dat deze toelichting mij niet duidelijk is. Wat bedoelt de steller van het middel precies met “lijkt dit mede gelet op de dubbelzinnige "en/of"-formulering die uw Raad hanteert, zonder nadere uitleg van het Hof, die ontbreekt, onvoldoende om aan te nemen dat” etc.? Naar enige rechtspraak van de Hoge Raad wordt hier niet verwezen.
10. Hoe dan ook, ik denk dat de klacht – zoals in de schriftuur geformuleerd – doel mist. Naar het mij voorkomt volgt uit het tot het bewijs van feit 2 gebezigde bewijsmiddel 2 zonder meer dat de verdachte "wist” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Anders dan de steller van het middel meent, is het oordeel van het hof in zoverre niet onjuist, noch onvoldoende gemotiveerd.
Slotsom
11. Het cassatiemiddel faalt en kan mijns inziens met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
12. Ambtshalve merk ik op dat de behandeltermijn in cassatie is overschreden nu de Hoge Raad de zaak niet meer binnen de daarvoor gestelde termijn van twee jaren kan afdoen.
13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG