ECLI:NL:PHR:2024:1147

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 november 2024
Publicatiedatum
30 oktober 2024
Zaaknummer
23/01253
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens overschrijding inzendtermijn met strafvermindering

De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken, maar in hoger beroep door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden wegens diefstal met braak en inklimming. In cassatie werden twee middelen voorgesteld: het eerste middel betrof het niet voorhouden van het NFI-DNA-rapport aan de verdachte en het ontbreken van een mogelijkheid tot weerlegging hiervan. Dit middel faalde omdat het rapport aan het dossier was toegevoegd en de verdediging er adequaat op had kunnen reageren.

Het tweede middel klaagde over de overschrijding van de inzendtermijn van de cassatiestukken, wat werd bevestigd doordat de stukken ruim vijf maanden te laat werden ontvangen. Deze termijnoverschrijding kon niet worden gecompenseerd door een snelle afdoening, waardoor strafvermindering op zijn plaats was.

De conclusie van de plv. AG strekte tot vernietiging van het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, met vermindering van de straf volgens de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige. Er werden geen andere gronden voor vernietiging aangetroffen. De zaak betreft een nauwkeurige toetsing van procedurele waarborgen en termijnen in cassatie.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor wat betreft de strafoplegging en de straf wordt verminderd vanwege overschrijding van de inzendtermijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/01253

Zitting12 november 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1
De verdachte is – nadat hij in eerste aanleg door de rechtbank integraal was vrijgesproken van het hem tenlastegelegde [1] – bij arrest van 21 maart 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens "diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van voorarrest.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.A.J. Verploegh, advocaat in 's‑Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

2.1
Het middel valt uiteen in twee deelklachten en klaagt – althans zo begrijp ik – dat i) de resultaten van het (door het NFI verrichte) DNA-onderzoek waarop de bewezenverklaring uitsluitend of in beslissende mate is gebaseerd door het hof niet aan de verdachte zijn voorgehouden en dat ii) het hof heeft nagelaten de verdachte expliciet in de gelegenheid te stellen om voor die resultaten een aannemelijke, ontzenuwende verklaring te geven.
2.2
De
eerste deelklachtfaalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 maart 2023 houdt immers in dat – zo wordt door de steller van het middel ook erkend – het betreffende NFI-rapport aan het dossier is toegevoegd en dat “de voorzitter kort de stukken voor[houdt] van de zaak voor zover betrekking hebbend op het laste gelegde” en “de advocaat-generaal en de raadsvrouw [desgevraagd] mede[delen] dat het dossier met betrekking tot het ten laste gelegde voldoende is besproken en dat alle stukken in het dossier voor zover hierop betrekking hebbend bekend zijn en als volledig voorgehouden kunnen worden beschouwd”.
2.3
Voornoemd proces-verbaal houdt bovendien in dat de door de verdachte uitdrukkelijk gemachtigde raadsvrouw aldaar naar voren heeft gebracht dat zij “bevestiging [ik, MvW, begrijp: van het tot vrijspraak strekkende vonnis] [vraagt] ondanks het, redelijk laat aan het dossier toegevoegde, DNA-rapport”, zodat het ervoor moet worden gehouden dat door de verdediging op de in het middel genoemde resultaten daadwerkelijk acht is geslagen en de verdediging daar dus op kon reageren. [2]
2.4
De
tweede deelklachtfaalt eveneens, nu daarmee een eis wordt gesteld die het recht niet kent.
2.5
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Het tweede middel

3.1
Het middel klaagt dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden.
3.2
Door de verdachte is op 30 maart 2023 cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft de gedingstukken op 15 mei 2024 ontvangen. De redelijke termijn voor het inzenden van de stukken is daarmee met ruim vijf maanden overschreden. Deze overschrijding kan niet meer worden gecompenseerd door een voortvarende afdoening, zodat deze zaak in aanmerking komt voor strafvermindering.

Afronding

4.1
Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.De reden voor de vrijspraak was dat het hierna te noemen NFI-rapport zich niet in het strafdossier bevond.
2.Overigens zag dit rapport slechts op de DNA-match tussen een aangetroffen bloedspoor en de verdachte en niet op de vraag of dat bloedspoor ook een daderspoor is. Alleen die laatste vraag is door de verdediging aan de orde gesteld bij de rechtbank, het hof en in cassatie.