Conclusie
1.Feiten
zodra de overdracht als hierna bedoeld onder “Betaling” heeft plaatsgevonden”. Partijen verklaren al het mogelijke en nodige te doen om ervoor te zorgen dat de andere partij niet meer aansprakelijk kan worden gesteld voor de financiële verplichtingen die door haar worden overgenomen. Onder het kopje “
Betaling” is vermeld:
Aflossing hypotheek t.b.v. (...) Rabobank (particulier)” [11] en € 90.127,37 voor “
Aflossing borgtocht Rabobank”. Uit de, op naam van [de vrouw] en [de man] gestelde, aflosnota van Rabobank [12] (hierna: ‘de aflosnota’) blijkt dat in het bedrag van € 179.386,10 [13] een bedrag van € 8.120 is begrepen voor een debetstand op een betaalrekening van [de man] .
2.Procesverloop
Eerste aanleg
juridische grondslag”) is het volgende opgemerkt:
Dit brengt onmiskenbaar…”). De grief is in randnummer 3.2.2 van de memorie van grieven voor zover in cassatie van belang als volgt toegelicht:
A-G] maakt deel uit van hetgeen bij inleidende dagvaarding onder I gevorderde: “de man te veroordelen tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst zoals gesloten op 2 maart 2010 door betaling van € 98.247,37”.
De verplichtingen van [de man] op grond van de vaststellingsovereenkomsten
De gevolgen van de betaling door [de vrouw] van de schulden aan de Rabobank
In de ontstane verhouding van partijen komen zowel de zakelijke schulden als de later ontstane privéschuld volledig voor rekening van [de man]”. Dat is inderdaad het geval, maar betekent niet dat [de man] en [de vrouw] niet hoofdelijk verbonden zijn jegens de Rabobank. Het lijkt erop dat [de vrouw] hier de interne verhouding tussen beide hoofdelijk verbonden schuldenaren ( [de vrouw] en [de man] ) verwart met de externe verhouding van die schuldenaren tot de schuldeiser (Rabobank).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
helftvan de schuld uit borgtocht zijn te verklaren (ervan uitgaande dat deze schuld een schuld van de gemeenschap was ten tijde van de ontbinding). [24]
Daar waar de hypothecaire lening heeft te gelden als een schuld waarvoor partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn, geldt dat niet voor de privéschuld van [de man] welke door de Rabobank werd geïncasseerd via de overwaarde van [woning 2] . De hoofdelijke aansprakelijkheid geldt evenmin voor de zakelijke schulden waarvoor [de man] via een borgstellingsovereenkomst ook met zijn privévermogen aansprakelijk was. In de onderlinge verhouding van partijen komen zowel de zakelijke schulden als de later ontstane privéschuld volledig voor rekening van [de man] .”
in mindering[heeft]
gebracht”. Deze formulering valt op, omdat zij suggereert dat de Rabobank in de positie was om bedragen van de koopprijs in te houden. Dit zou zij kunnen zijn als zij als koper is opgetreden (en dus iets inhoudt van de door haar betaalde koopprijs) of als de koopsom op een bij haar aangehouden rekening zou zijn gestort. Beide scenario’s verhouden zich niet zo goed met de in dezelfde rechtsoverweging genoemde notariële nota van afrekening.
voorwaarden tot royement”. In beide scenario’s is er sprake van betaling door de vrouw. Welk van de twee scenario’s zich hier heeft voorgedaan, is niet vast te stellen (dat zich een van deze scenario’s heeft voorgedaan blijkt zelfs niet duidelijk uit de gedingstukken).
subonderdeel 1.1, gelezen in samenhang met de inleiding van het onderdeel, heeft het hof, door de man geen gelegenheid te geven zijn verweren aan te passen aan de door het hof ambtshalve aangevulde rechtsgrond van art. 6:10 lid 2 BW Pro, een oordeel gegeven dat in strijd met de goede procesorde, meer specifiek het beginsel van hoor en wederhoor, tot stand is gekomen. Een zogenaamde verrassingsbeslissing dus. Het door het hof ‘vertalen’ van de reeds door de man gearticuleerde verweren naar verweren in het kader van art. 6:10 lid 2 BW Pro (rov. 5.12) is volgens het subonderdeel onvoldoende om deze schending weg te nemen. Die aanpak miskent immers dat de man in het kader van art. 6:10 lid 2 BW Pro nieuwe feitelijke stellingen (waartoe de rechtsstrijd zoals die zich tot aan het eindvonnis tussen partijen had afgespeeld nog geen aanleiding had gegeven) aan zijn verweren ten grondslag had kunnen en willen leggen. Zo blijkt uit productie 2 bij memorie van grieven bijvoorbeeld dat de man de Rabobank heeft geschreven dat deze, om meerdere redenen, de borgstelling niet jegens hem kon inroepen. Die verweren zouden – via de band van art. 6:11 BW Pro – eveneens als verweren tegen de regresvordering van de vrouw gelden. Aan het voorgaande doet volgens subonderdeel 1.1 niet af dat het hof in rov. 5.11 constateert dat [de man] zijn ‘art. 6:11 BW Pro-verweren’ niet deugdelijk genoeg heeft onderbouwd. Er was nu immers juist geen aanleiding voor de man om dergelijke verweren te voeren en uitgebreid te onderbouwen, tótdat het hof bij arrest de rechtsgrond van de vordering van de vrouw aanvulde met art. 6:10 lid 2 BW Pro, stelt het subonderdeel. Het hof heeft de man dus niet de kans gegeven om dergelijke verweren te voeren en deugdelijk te onderbouwen. Aan het voorgaande doet – zo vervolgt het subonderdeel – evenmin af dat het hof een deel van de door de man aangevoerde verweren niet relevant heeft geacht in het kader van art. 6:10 lid 2 BW Pro (rov. 5.12); dit feit onderstreept veeleer dat het hof een verrassingsbeslissing heeft gegeven, omdat de man anders zijn verweren wel zou hebben toegespitst op de door het hof ambtshalve aangevulde rechtsgrond.
subonderdeel 1.2heeft de man er in het geval subonderdeel 1.1 slaagt (voor de procedure na verwijzing) nog belang bij om de feitenvaststelling in rov. 4.7 van het bestreden arrest (overgenomen in randnummer 1.8 hiervoor) te bestrijden. Voor zover het hof daar heeft geïmpliceerd dat het de man was die het initiatief heeft genomen voor de kredietverhoging en uitbreiding van de borgstelling, is die feitenvaststelling volgens het subonderdeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Dit oordeel ziet volgens het subonderdeel immers voorbij aan essentiële stellingen van de man, waarop het hof niet is ingegaan. [39]
waarbij hij zich in privé borg heeft gesteld”, en tegen de laatste volzin van rov. 2.7., zo blijkt uit randnummer 3.1.2 van de memorie van grieven:
De man heeft inderdaad op 26 maart 2010 het bedrijfskrediet bij RABO verhoogd van € 175.000 naar € 300.000, doch de zinsnede “waarbij hij zich in privé borg heeft gesteld” is onjuist, althans onvolledig. De privé borgstelling bestond al, immers de oorspronkelijke geldlening en borgtocht ad € 175.000,00 dateren van 10 juli 2007(productie1),derhalve voor echtscheiding, en waren [de vrouw] bekend evenals de hypothecaire inschrijving ter zake op de woning. Evenzeer wist zij dat de zakelijke kredieten in 2012 opgezegd zijn en de borgstelling en hypotheek daarvoor op de woning actueel waren.
heeft (…) verhoogd” (memorie van grieven, eerste volzin van het citaat in het vorige randnummer) en “
heeft (…) laten verhogen” (bestreden rechtsoverweging). Tussen beide formuleringen bestaat nuanceverschil, maar onbegrijpelijk is de vaststelling van het hof daarmee niet.
p 26 maart 2010 (…) het bedrijfskrediet bij Rabobank van [A] B.V. en de onderliggende werkmaatschappijen[heeft]
laten verhogen van € 175.000,00 naar € 300.000,00”. [40] Deze vaststelling, door het hof overgenomen in rov. 4.7 van het bestreden arrest, viel daarmee in hoger beroep buiten het door de grieven ontsloten gebied. Er is in cassatie niet geklaagd dat het hof de toepassing van ambtshalve toe te passen regels van openbare orde (of daarmee gelijk te stellen regels) heeft verzuimd. Dit betekent dat deze vaststelling in cassatie niet meer aan de orde kan worden gesteld. [41]
Borg [de man]” en onder meer de volgende inhoud:
Inmiddels is duidelijk geworden dat de bank niet over gaat tot uitwinning van het zekerheidsrecht van [woning 2] (…).
subonderdeel 2.1heeft het hof in rov. 5.10 geoordeeld dat het enkele feit dat de vrouw heeft nagelaten de vordering van de Rabobank af te weren (door het inroepen van de vernietigbaarheid van de borgstelling of door het doen van een beroep op de toezegging) niet afdoet aan de toepasselijkheid van art. 6:10 lid 2 BW Pro. Dat oordeel is volgens het subonderdeel onjuist, althans onvolledig, omdat het miskent dat de redelijkheid en billijkheid met zich kunnen brengen dat de vrouw – als gevolg van het niet afweren van de vordering van Rabobank terwijl zij daartoe de mogelijkheid had – géén regres kan nemen op de man.
subonderdeel 2.2onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Het hof is volgens het subonderdeel niet kenbaar ingegaan op het beroep van de man op de redelijkheid en billijkheid (het subonderdeel laat steeds in het midden of het daarmee doelt op aanvullende of op beperkende werking) en op de stellingen die hij in dit kader heeft ingenomen. [44] Deze stellingen komen erop neer dat de vrouw had kunnen voorkomen dat de Rabobank het bedrag van € 90.127,37 via de borgstelling en het hypotheekrecht zou verhalen op de verkoopwaarde van de woning.
Het bij grief III gestelde kwalificeert tevens als (…) schending van de redelijkheid en billijkheid die partijen bij een overeenkomst jegens elkaar in acht hebben te nemen ex art. 6:248 BW Pro, en waarop de vordering tot nakoming van [de vrouw] dient te stranden.”
ten onrechte wordt niet vastgesteld en in het nadeel van [de vrouw] meegewogen dat zij de schade, bestaande uit inhouding van het bedrag van € 98.247,37 [45] of enig bedrag op de koopsom zelf heeft veroorzaakt en tekort geschoten is in de op haar rustende verplichting die schade te voorkomen of te beperken.”
dit alles is onverenigbaar met het doodleuk op [de man] verhalen van het op de koopsom ingehouden bedrag en dit verdient in rechte geen bescherming.”
aan het nemen van regres in de weg (…) staan” en dienen “
ertoe (…) te leiden dat [de vrouw] geen (volledig) regres kan nemen”).
ASR/Achmea. [48] In rov. 3.7.4 van dat arrest overwoog Uw Raad onder meer als volgt:
tegen elkaar. [51] Daarmee verhoudt zich slecht dat, zoals de man suggereert, uit het enkele gegeven dat de vrouw
kanvernietigen (aangenomen dat dit juist is) in verband met de redelijkheid en billijkheid zou voortvloeien dat zij daartoe
jegens de man is gehouden. In het verlengde daarvan is mij niet duidelijk waarom het instellen van een regresvordering door de vrouw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.