AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toepassing premiekorting bij opvolgende kwalificerende dienstbetrekkingen zonder eerdere toepassing
Deze zaak betreft een geschil tussen de Staatssecretaris van Financiën en een belanghebbende vennootschap over de toepassing van premiekorting op loonheffingen voor oudere werknemers met opvolgende kwalificerende dienstbetrekkingen.
De kern van het geschil is of de premiekorting meerdere keren toegepast kan worden als bij een eerdere kwalificerende dienstbetrekking de premiekorting niet is toegepast door de werkgever. Zowel de Rechtbank als het Gerechtshof hebben het standpunt van de belanghebbende bevestigd dat er geen beperking bestaat op het aantal keren dat premiekorting kan worden toegepast, mits deze niet eerder is toegepast.
De Staatssecretaris heeft hiertegen cassatieberoep ingesteld, stellende dat de uitleg van artikel 47 WetPro financiering sociale verzekeringen (Wfsv) en de artikelen 3.20 en 3.21 van de Regeling Wfsv onjuist is. De Procureur-Generaal concludeert echter dat het middel faalt en dat de uitleg van het Hof juist is. De Hoge Raad wordt geadviseerd het beroep ongegrond te verklaren.
De zaak benadrukt dat de wettelijke bepalingen omtrent premiekorting niet beperken dat deze meerdere keren kan worden toegepast bij opvolgende dienstbetrekkingen, zolang de premiekorting bij eerdere dienstbetrekkingen niet daadwerkelijk is toegepast door de werkgever. Dit heeft belangrijke fiscale consequenties voor werkgevers en hun toepassing van premiekortingen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard, waardoor de premiekorting bij opvolgende kwalificerende dienstbetrekkingen kan worden toegepast indien deze bij eerdere dienstbetrekking niet is toegepast.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02121
Datum25 oktober 2024
BelastingkamerB
Onderwerp/tijdvakLoonheffingen 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014
Nr. Gerechtshof 21/01823
Nr. Rechtbank 20/5816
CONCLUSIE
M.R.T. Pauwels
In de zaak van
de staatssecretaris van Financiën (Staatssecretaris)
tegen
[X] B.V. (belanghebbende)
1.Inleiding
1.1
Deze zaak gaat over de toepassing van de voormalige premiekortingoudere werknemer in het geval van opvolgende kwalificerende dienstbetrekkingen van een werknemer bij dezelfde werkgever. Bij deze conclusie hoort een gemeenschappelijke bijlage(de Bijlage).
1.2
Het Hofheeft geoordeeld, in de kern, dat (i) art. 47 WetPro financiering sociale verzekeringen (Wfsv) op zichzelf geen beperkingen stelt aan het aantal keer dat voor dezelfde werknemer premiekorting kan worden toegepast, en dat (ii) de regels in art. 3.20 en 3.21 Regeling Wfsv geen toepassing vinden in een geval als dit waarin de werkgever bij de eerdere kwalificerende dienstbetrekking geen premiekorting heeft toegepast.
1.3
De Staatssecretarisheeft beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middelvoorgesteld.
1.4
De Bijlage behandelt de kwestie waarop het middel betrekking heeft. Uit de Bijlage volgt dat het middel – ook als het ruim wordt opgevat – faalt.
1.5
Het cassatieberoepvan de Staatssecretaris is naar mijn mening ongegrond.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Vooraf
2.1
Normaliter neem ik aan het begin van een conclusie (onder meer) een zakelijke weergave van de feiten, het bestreden oordeel van de feitenrechter, het procesverloop in cassatie en de inhoud van het cassatieberoep op. De opbouw van de conclusie is in dit geval anders. De uitspraak van het Hof bevat (veel) feitelijke gegevens over de betrokken werknemers, maar die gegevens zijn voor de beoordeling van het geschil in cassatie niet direct relevant, gelet op de kwestie die het middel aan de orde stelt. Verder bevat de Bijlage al informatie over de zaak, waaronder over het oordeel van de feitenrechters en de inhoud van het middel. Ik doe het in dit geval daarom anders en korter.
Het verloop van het geding tot cassatie
2.2
Het object van het geschil betreft – voor zover in cassatie van belang – een naheffingsaanslag loonheffingen die de Inspecteur aan belanghebbende heeft opgelegd. Het geschil heeft betrekking op de correctie van de toegepaste premiekorting. In deze zaak gaat het enkel om de toepassing van art. 47 WfsvPro met betrekking tot drie werknemers.
2.3
Daarbij speelt de in de Bijlage (punt 1.4) bedoelde overkoepelende vraag. De Rechtbank [1] heeft die vraag in het voordeel van belanghebbende beantwoord; de overwegingen daartoe zijn vermeld in Bijlage, punt 4.2. Het Hof [2] heeft het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond verklaard. De belangrijkste overwegingen daartoe zijn vermeld in Bijlage, punt 4.1.
Het geding in cassatie
2.4
De Staatssecretaris heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Staatssecretaris heeft gemeld geen conclusie van repliek in te dienen.
Het middel
2.5
Het middel heeft betrekking op het oordeel van het Hof over de overkoepelende vraag.
3.Beoordeling van het middel
3.1
Ik begrijp het middel zo dat het alleen opkomt tegen de uitleg door het Hof van art. 47 WfsvPro (Bijlage, punt 5.38-5.41). Het middel faalt, omdat ’s Hofs uitleg juist is; zie Bijlage, punt 1.5 en 5.9-5.37.
3.2
Ook als het middel ruimer moet worden begrepen, namelijk dat het ook opkomt tegen ’s Hofs uitleg van art. 3.20 en 3.21 Regeling Wfsv, kan het niet tot cassatie leiden. Die uitleg is namelijk juist voor zover zij inhoudt dat die bepalingen geen toepassing vinden indien bij een eerdere kwalificerende dienstbetrekking de premiekorting niet daadwerkelijk door de werkgever is toegepast. [3] Zie Bijlage, punt 1.6 en 5.44-5.71.
4.Conclusie
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond te verklaren.
3.Het is niet helemaal duidelijk of het Hof ook relevant acht dat de werkgever bij de eerdere dienstbetrekking niet wist dat de werknemer voorafgaand aan die dienstbetrekking een uitkering genoot.