Conclusie
Nummer22/03047
Inleiding
Het middel
tweede deelklachthangt samen met de eerste deelklacht en houdt in dat de bewijsvoering niet redengevend is voor de bewezenverklaring nu daaruit niet kan volgen dat het bevel tot het verlenen van medewerking aan een nader onderzoek van uitgeademde lucht (rechtsgeldig) “krachtens enig wettelijk voorschrift” is gegeven. Aangevoerd wordt dat uit ’s hofs bewijsvoering meer in het bijzonder niet kan volgen dat ten aanzien van de verdachte ofwel bij een onderzoek als bedoeld in art. 55d lid 1 onder a Sv ofwel op andere wijze het vermoeden bestond dat hij alcohol heeft gebruikt boven de grenswaarde, bedoeld in artikel 55d lid 4 Sv.
als relaas van opsporingsambtenaar [verbalisant] :
Verdachte
Aanwijzingen middelengebruik
Onderzoek uitgeademde lucht
Artikel 2 (onderzoek van de psychomotorische functies en oog- en spraakfuncties)
vermoedenvan alcoholgebruik de voorwaarde (destijds art. 55 lid 2 Sv Pro) en was voor het bevelen van de medewerking aan een nader onderzoek vereist dat het voorlopig onderzoek
aanwijzingenhad opgeleverd voor alcoholgebruik (destijds art. 56a lid1 Sv). Bij nota van wijziging is dit omgedraaid omdat, kort gezegd, voor aanwijzingen minder redengevende omstandigheden zijn vereist dan voor een vermoeden. Voor de lichtere bevoegdheid van art. 55d Sv waren daarom aanwijzingen voldoende en dit onderzoek zou dan een vermoeden kunnen opleveren voor het zwaardere nader onderzoek. [18]