Conclusie
Onlangs constateerde cliënte dat u uw product LEEFVITAAL onder een nieuwe verpakking op de markt bent gaan brengen. Bij onderzoek in het register bemerkte zij dat u deze nieuwe verpakking ook heeft geregistreerd onder nummer 827476[het inschrijvingsnummer van het LEEF VITAAL merk, A-G]
in de Benelux sedert 2007.
"
wij willen u met dit schrijven nog een periode van 2 weken geven om een eventueel ander standpunt mede te delen. Zonder uw verdere berichten zal cliënte Freshfields, haar vaste advocatenkantoor, opdracht geven een concept dagvaarding uit te brengen."
Merkenrechtelijke rechtsverwerking?
grote bezwaren[heeft]
tegen het gebruik van uw nieuwe beeldmerk zoals geregistreerd onder Beneluxnummer 827476en Vemedia verzoekt
het gebruik van dit beeldmerk te staken en gestaakt te houden, alsmede Benelux registratienummer 82 74 76 door te halen. Ook PK zelf merkt in haar processtukken dit gebruik ook wel aan als merkgebruik (zie p. 38 MvG).
Recht van de houder van een later ingeschreven merk om tussen te komen als verweer in een inbreukprocedure". Het hof volgt PK niet in dit standpunt. Artikel 2.23quater (nieuw) BVIE is (net als zijn voorgangerbepaling artikel 2.24 (oud) BVIE) de omzetting, voor de landen van de Benelux, van artikel 18 Merkenrichtlijn Pro 2015 en moet daarom zoveel mogelijk conform die bepaling worden uitgelegd. Artikel 18 Merkenrichtlijn Pro 2015 en het daarmee overeenstemmende artikel 16 UMVo Pro moeten op hun beurt worden uitgelegd naar hun betekenis in hun verschillende taalversies, begrepen in het licht van het doel van beide regelingen en de context van die bepalingen binnen die regelingen. [7] Artikel 18 Merkenrichtlijn Pro 2015 en artikel 16 UMVo Pro voorzien net als hun voorgangerbepalingen, artikel 9 van Pro Merkenrichtlijn 1989 [8] respectievelijk artikel 53 GMVo Pro 1994 [9] en artikel 54 GMVo Pro 2009 [10] , in een verweer in een inbreukprocedure tegen gebruik van een vermeend inbreukmakend teken. De tekst van die bepalingen wijst er niet op dat alleen de jongere merkhouder zelf een beroep kan doen op dat verweer en dat die daartoe moet tussenkomen in een inbreukprocedure tussen de oudere merkhouder en een licentienemer van de jongere merkhouder. De bepalingen zijn namelijk geformuleerd als een algemene beperking van het recht van de oudere merkhouder om gebruik van een jonger merk te verbieden in een inbreukprocedure, ongeacht of de houder van het jongere merk partij is in die procedure. Het is ook juist de gebruiker van dat teken die belang heeft bij dit beroep op rechtsverwerking. Dat hoeft niet de merkhouder te zijn, dat kan ook zijn licentienemer zijn. In dat geval hebben zowel de licentienemer als de merkhouder er belang bij dat de licentienemer het betrokken merk kan gebruiken en zelf het daaraan verbonden tussenkomend recht kan inroepen. Het zou daarom niet logisch zijn als dat verweer slechts zou kunnen worden gevoerd door de jongere merkhouder zelf in de vorm van een tussenkomst van die merkhouder in die inbreukprocedure. In dat licht is de formulering van het kopje boven deze bepalingen in de Nederlandse taalversie van de richtlijn en de verordening onvoldoende om die bepalingen uit te leggen als enkel een recht van de jongere merkhouder om tussen te komen in de inbreukprocedure. Uit de Engelse en Duitse tekst van het kopje boven de artikelen 18 Merkenrichtlijn 2015 en 16 UMVo volgt bovendien dat het bij dit verweer gaat om een
tussenkomend recht('intervening right' respectievelijk 'Zwischenrecht') en niet om
het recht(laat staan de plicht) van de merkhouder
om in de betrokken inbreukprocedure tussen te komen. Het gaat om een recht van de gebruiker van het jongere merk op co-existentie met een oudere merk dat door een omstandigheid aan de zijde van (de houder van) het oudere merk (zoals het vijf jaar gedogen van het jongere merk) tussenkomt na het oudere recht, dat normaal gesproken voor zou gaan. Deze uitleg van de artikelen 18 Merkenrichtlijn 2015 en 16 UMVo wordt bevestigd door de consideransen van de richtlijn en verordening. Die bepalen dat ter wille van de rechtszekerheid en zonder de houder van een ouder merk onredelijk in zijn belangen te schaden, moet worden bepaald dat deze niet langer de nietigverklaring kan eisen noch zich kan verzetten tegen het gebruik van een jonger merk dan het zijne waarvan hij geruime tijd bewust het gebruik heeft gedoogd, tenzij het jongere merk te kwader trouw is aangevraagd (overweging 29 Merkenrichtlijn 2015 en de voor zover relevant gelijkluidende overweging 23 UMVo). Ook daaruit blijkt dat het gaat om een algemene beperking van het verzetsrecht van de oudere merkhouder tegen gebruik van een jonger merk, ongeacht of de jongere merkhouder partij is in de inbreukprocedure. Deze uitleg wordt daarnaast bevestigd doordat rechtsverwerking in de voorgangerbepalingen artikel 9 Merkenrichtlijn Pro 1989 respectievelijk de artikelen 53 GMVo 1994 en 54 GMVo 2009 was geregeld als één verweer tegen zowel een nietigheidsactie als een inbreukactie van de houder van het oudere merk, en de Uniewetgever destijds in die bepaling nergens melding heeft gemaakt van een met dat verweer verbonden recht of plicht van de jongere merkhouder om tussen te komen. Bij geen van de opeenvolgende wijzigingen van deze eerdere bepalingen heeft de Uniewetgever ervan blijk gegeven dat hij deze regel materieel heeft willen wijzigen, zij het dat zij bij de Merkenrichtlijn 2015 en de Wijzigingsverordening 2015/2424 [11] is gesplitst in (i) een verweer tegen de nietigheidsactie en (ii) een daarnaar verwijzend verweer tegen de inbreukactie. Het hof is dan ook van oordeel dat het kopje boven zowel artikel 2.23quater (nieuw) BVIE als de Nederlandse tekst van de artikelen 18 Merkenrichtlijn 2015 en 16 UMVo berust op een ongelukkige vertaling en de daaruit door PK getrokken gevolgtrekking niet kan dragen.
is ingeschrevenis gedoogd gedurende meer dan vijf jaar. Ook hier geldt dat deze bepalingen moeten worden uitgelegd conform de artikelen 9 en 18 Merkenrichtlijn 2015 en dat deze bepalingen en de daarmee gelijkluidende artikelen 16 en 61 UMVo moeten worden uitgelegd in het licht van hun context binnen die respectieve regelingen. Uit de bewoording van deze bepalingen volgt niet dat de daarin geregelde rechtsverwerking slechts betrekking heeft op het gedogen van het jongere merk in het kader van een specifieke vormgeving, zoals gebruik op een specifiek vormgegeven verpakking, met als gevolg dat de houder van het oudere merk zich nog steeds zou kunnen verzetten tegen bijvoorbeeld gebruik van datzelfde jongere merk op een anders vormgegeven verpakking.
vast en langdurig gebruik” in het
Bud/Anheuser-Buscharrest van het HvJ EU [13] kan haar niet baten. In dat arrest gaat het om de betekenis van het begrip
gedogen, terwijl uitgangspunt was dat in de voorgelegde casus sprake was van vast en langdurig gebruik door een derde. Over de betekenis van het begrip
gebruiklaat het HvJ zich niet uit. Bovendien staat in dit geschil vast dat Vemedia vanaf 2007 vast en langdurig gebruik heeft gemaakt van haar LEEF VITAAL merk voor vitaminen en voedingssupplementen en dat PK dat gebruik meer dan vijf jaar heeft gedoogd. Dat brengt mee dat sprake is van rechtsverwerking, zelfs als daarvoor vereist zou zijn dat het merk in die vijfjaarsperiode steeds op eenzelfde wijze (zoals kennelijk PK het woord
vastinterpreteert) gebruikt is voor die waren. Zoals hiervoor uiteengezet, kan daarna de nietigheid van dat jongere merk niet meer worden ingeroepen voor die waren en kan de oudere merkhouder zich ook niet meer tegen het gebruik daarvan verzetten, ook al wijzigt daarna de wijze van gebruik door bijvoorbeeld gebruik van het jongere merk op een anders vormgegeven verpakking.
inbreuk sub bmoet in het algemeen beoordeeld worden of het vermeend inbreukmakend teken en het ingeroepen merk overeenstemmen en, vervolgens, of zij zodanig overeenstemmen dat daardoor bij het relevante publiek directe of indirecte verwarring kan ontstaan. Het gaat er met name om of het relevante publiek kan menen dat de betrokken waren of diensten afkomstig zijn van dezelfde onderneming of economisch verbonden ondernemingen. Er moet sprake zijn van reëel verwarringsgevaar bij het relevante publiek. [14] Het verwarringsgevaar moet globaal worden beoordeeld volgens de algemene indruk die het teken en het merk bij het relevante publiek achterlaten, met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het geval. Deze omstandigheden omvatten met name de mate van overeenstemming van de conflicterende tekens, de mate van overeenstemming van de betrokken waren en/of diensten en de mate van - intrinsiek of door gebruik verkregen - onderscheidend vermogen van het ingeroepen merk. Een zekere mate van overeenstemming van het teken en het merk en een zekere mate van overeenstemming van de waren of diensten zijn cumulatieve voorwaarden. [15]
inbreuk sub caan te nemen moet aan de volgende cumulatieve voorwaarden zijn voldaan:
look en feeldan ook niet volgen. Dat PK concludeert tot overeenstemming is overigens met name gelegen in de door haar gestelde overeenstemming tussen Merk 2 en het LEEF VITAAL merk, welk laatste merk nu juist buiten beschouwing moet worden gelaten omdat PK daar niet meer tegen kan optreden.
inbreuk sub ben een verband (en zo nodig de overige voorwaarden) vereist voor
inbreuk sub cbeantwoord te worden. Bij die beoordeling is van belang dat de waren waarvoor de Merken (onder meer) zijn ingeschreven en de verpakkingstekens 2 zijn gebruikt identiek, althans (deels) in hoge mate overeenstemmend zijn. Voorts gaat het hof er veronderstellenderwijs van uit dat de Merken in Nederland en daarmee in (een aanmerkelijk deel van) de Benelux en de EU bekend zijn. Ook daarvan uitgaande is het hof om de volgende redenen van oordeel dat er toch geen sprake is van het vereiste verwarringsgevaar of verband. Doordat bij de vergelijking het LEEF VITAAL merk niet in aanmerking kan worden genomen omdat PK daartegen niet meer kan optreden en, wat de Merken 3 tot en met 8 betreft, omdat het ouder is, is de eventuele overeenstemming uitsluitend gelegen in niet-onderscheidende elementen (met name de beschrijvende teksten over het product in Merken 4 en 8) en in de witte (bijna) halve cirkel in de Merken enerzijds en het afgeronde gekleurde vlak aan de bovenkant in de verpakkingstekens 2 anderzijds. Deze niet-onderscheidende elementen leggen voor de beoordeling van het verwarringsgevaar en het verband geen gewicht in de schaal. Door de verschillen tussen de ongelijkmatig afgeronde gekleurde vlakken in de verpakkingstekens 2 en de (perfecte bijna) halve cirkel in de Merken, de andere verschillen tussen Merken 4, 6, 7 en 8 en de verpakkingstekens 2 en de (daardoor) sterk afwijkende totaalindrukken, is de overeenstemming tussen de verpakkingstekens 2 en de Merken, zo al aanwezig, te gering om verwarringsgevaar of het vereiste verband aan te nemen. Daarmee kan geen sprake zijn van een
inbreuk sub ben behoeft ook de vraag of aan de overige vereisten voor een
inbreuk sub cis voldaan geen behandeling.
het merkkent, waarna ook nog eens een PK-potje wordt getoond en de respondent kan invullen of hij “de merken” al dan niet met elkaar zou verwarren:
merkgebruik als voor het tonen van een verpakking met het Merk naast het verpakkingsteken met het LEEF VITAL merk en de vraag of de respondent deze merken met elkaar (direct of indirect) zou verwarren in plaats van een open vraag naar het verwarringsgevaar op basis van alleen verpakkingstekens 2. Ook om die reden komt aan het rapport geen of weinig waarde toe.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
als merk is ingeschrevenen het gebruik ervan tenminste vijf jaar is gedoogd. Het klaagt verder dat indien het hof heeft geoordeeld dat geen (rechtens relevant) onderscheid bestaat tussen verpakkingstekens 2 en het LEEF VITAAL merk, het hof heeft miskend dat geen beroep op art. 2.23quater jo. art. 2.30septies BVIE kan worden gedaan als het aangevallen teken meer inhoudt dan alleen het gedoogde jongere merk en het arrest dan bovendien ontoereikend gemotiveerd is. Het klaagt tot slot dat wanneer het hof heeft geoordeeld dat verpakkingstekens 2 zijn ingeschreven als merk, het hof ten onrechte de feitelijke grondslag heeft aangevuld en buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden.
Heitec/Heitech, ook geen nevenvorderingen of samenhangende vorderingen kan instellen. Het BVIE en de UMVo bepalen expliciet dat de houder van het jongere merk dat een beroep op rechtsverwerking toekomt, niet gerechtigd is het gebruik van het oudere merk te verbieden (art. 2.23quater lid 3 BVIE) en ook geen vernietiging van dat oudere merk kan vorderen (art. 2.30septies lid 2 BVIE). Er ontstaat een situatie van co-existentie van beide merken: de merken/merkhouders moeten elkaar dulden [32] . Rechtsverwerking biedt de houder van het jongere merk zo bezien geen exclusief recht (hij kan immers het gebruik van het oudere merk niet verbieden of vernietigen), maar een feitelijk ‘recht’ op co-existentie dat van gelijke rang is [33] . De rechtsverwerking gaat echter niet verder dan het gebruik dat daadwerkelijk gedoogd is, in de zin dat als de jongere merkhouder zijn gebruik gaat uitbreiden, aan de oudere merkhouder nog wel zijn exclusieve rechten ter beschikking staan [34] . De co-existentie regel is zodoende beperkt tot de grenzen van het ‘
intervening right’ (het tussenkomende recht van de houder van het jongere merk): de oudere merkhouder die een jonger nationaal merkrecht heeft gedoogd, wordt niet belemmerd zijn recht uit te oefenen als de jongere merkhouder zijn zaken uitbreidt naar een andere lidstaat en/of zijn merk gaat gebruiken voor nieuwe categorieën waren of diensten [35] .
meer speelruimtegeeft
en dus verder gaat danhet algemene civiele rechtsverwerkingsleerstuk [38] . Zo kunnen ook
andere gebruiksmodaliteiten(punt ii) en
territoriale uitbreiding(punt iv) onder het bereik van het rechtsverwerkingsverweer vallen [39] . Wat betreft het gebruikte teken (punt iii) geldt ook bij de Unierechtelijke rechtsverwerking dat daaronder ook wijzigingen vallen die binnen het bereik van § 26 lid 3 Markengesetz vallen (te weten gebruik in afwijkende vorm, zolang “die Abweichung den kennzeichnenden Charakter der Marke nicht verändert’ [40] , de evenknie als gezegd van ons art. 2.23bis lid 5 sub a BVIE over normaal gebruik in ondergeschikt afwijkende vorm: ook normaal gebruik is “het gebruik van het merk in een op onderdelen afwijkende vorm die het onderscheidend vermogen van het merk in de vorm waarin het is ingeschreven, niet wijzigt”). Thiering trekt hier bij merkenrechtelijke rechtsverwerking uitdrukkelijk een parallel met
normaal gebruikin ondergeschikt afwijkende vorm [41] :
dűrften änliche Maβstäbe wie im Rahmen der rechtserhaltenden Benutzung von § 26 anzuliegen sein. Die Reichweite der Verwirkung dűrfte daher einerseits auf die konkret benutzten und geduldeten Waren/DL beschränkt sein. Anderseits dűrfte damit nicht gemeint sein, dass sich die Verwirkung auf die bisher ganz konkret vertriebenen/erbrachten Waren/DL met sämtlichen bisher vorhandenen individuellem Eigenschafte beschränkt, sonder dűrfte die Benutzung für sämtlichen damit noch gleichartigen Waren/DL von der Verwirkung erfasst sein [o.v.n. BGH GRUR 2023, 332 (Nr 55)
HEITEC III(faktisches Weiterbenutzungsrecht “
hinsichtlicht sämtlicher gleichartiger Benutzungsformen”); zur Beschränkung des Schutzes auf gleichartige Waren, nicht aber auf sämtliche individuellen Eigenschaften bei der rechtserhaltenden Benutzung BGH GRUR 2020, 870 (Nr 36 f)
INJEKT/INJEXund § 26 Rdn 328].
Genauso dűrften Änderungen des Zeichens, welche den kennzeichnenden Charakter idS § 26 III nicht veränderen und nach denen sich die Benűtzung des Zeichens immer noch als eine solche der jűngeren Marke darstellt, der Verwirkung grds nicht entgegenstehen. Dasselbe dűrfte bei einem Ȕbergang oder reine Erweiterung der Benutzung auf bisher nicht ausgeűbte Handlungsmodalitäten iSd §14 III oder IV oder einer territorialen Erweiterung der Benutzung (zB von einer regionalen zu einer bundesweiten) gelten. Von der Verwirkung nicht mehr erfasst ist dagegen die Benutzung fűr neue, mit den bisherigen nicht mehr gleichartige Waren/DL. Auch ein Wechsel von der markenmäβigen zur firmenmäsigen Benutzung dűrfte insoweit kritisch zu beurteilen sein.” [Onderstrepingen toegevoegd, A-G]
jonger teken dat niet is ingeschreven(en dus geen merk is) [42] .
onder 20dat het oordeel in rov. 6.8, 6.10 (tweede helft) en 6.17 tot en met 6.22 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. PK is immers niet opgekomen tegen gebruik van het jongere LEEF VITAAL merk, maar tegen gebruik van ‘verpakkingstekens 2’ (waarvan het LEEF VITAAL merk weliswaar onderdeel uitmaakt, maar dat niet kan worden gelijkgesteld aan verpakkingstekens 2; dat onderscheid onderkent het hof in rov. 6.17 tot en met 6.21ook, en dat blijkt ook uit rov. 6.23 tot en met 6.40). Voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking ex art. 2.23quater jo. art. 2.30septies BVIE en art. 9 lid 1 Mrl Pro is echter nodig dat het teken waartegen bezwaar wordt gemaakt (hier: verpakkingstekens 2) als merk is ingeschreven en dat het gebruik daarvan tenminste vijf jaar gedoogd is, hetgeen het hof hier volgens de rechtsklacht miskent. Dat zijn immers cumulatieve vereisten voor een geslaagd beroep op art. 2.30septies BVIE (dat nodig is voor een geslaagd beroep op art. 2.23quater BVIE, dat naar art. 2.30septies BVIE verwijst). Het hof heeft dus ten onrechte het beroep op merkenrechtelijke rechtsverwerking ten aanzien van verpakkingstekens 2 gehonoreerd, terwijl deze tekens niet als merk zijn ingeschreven en het gebruik van die (als merk ingeschreven) tekens ook niet tenminste vijf jaar is gedoogd (hetgeen cumulatief is vereist voor een geslaagd beroep op de merkenrechtelijke rechtsverwerking als bedoeld in art. 2.23quater jo. art. 2.30septies BVIE en art. 9 lid 1 Merkenrichtlijn Pro). Althans heeft het hof (overigens: terecht) niet vastgesteld dat aan deze cumulatieve vereisten is voldaan, hetgeen wel nodig zou zijn geweest voor een geslaagd beroep op voornoemde bepalingen. Overigens geldt dat met een ‘teken’ in de merkenrechtelijke context, zoals te doen gebruikelijk wordt gedoeld op een woord- en/of beeldelement dat (inderdaad) niet als merk is ingeschreven.
een nieuw potje en een nieuw doosje” en het betreffende potje en doosje daar afgebeeld. In rov. 6.31 heeft het hof, onder ‘wegdenken’ van het LEEF VITAAL merk, verpakkingstekens 2 beschreven als kort gezegd kleuren, beeldelementen (vlakken en banden) en beschrijvende tekst. Het hof, en hetzelfde geldt voor PK [43] en Vemedia [44] , gaat er dus vanuit dat in de aangevallen verpakkingstekens 2 het LEEF VITAAL merk als merk wordt gebruikt. PK maakt verder uitdrukkelijk geen bezwaar tegen gebruik van het jongere LEEF VITAAL merk als zodanig, maar alleen tegen gebruik van de verpakkingen waarvan dat merk slechts een onderdeel vormt (s.t. 1) [45] . De plaatsing, de grootte en de kleuren waarin het LEEF VITAAL merk gebruikt wordt en de combinatie met andere (met de Merken overeenstemmende) elementen kan volgens PK namelijk alsnog leiden tot inbreuk (s.t. 42).
besides the pointis bij toetsing van het hoofoordeel is als volgt toe te lichten. Het hof hanteert een andere benadering met betrekking tot verpakkingstekens 2. Het toetst of het gebruik van het LEEF VITAAL merk in verpakkingstekens 2 merkenrechtelijk relevant afwijkt van het gebruik van dat merk door Vemedia in de ‘gedoogperiode’ 2009-2014. Feitelijk oordeel: nee, vanwege het gebruik van dat merk in haar promotiemateriaal en op haar website in die periode (dus afgezien van het gebruik van dat merk op verpakkingstekens 1) [56] . In dat promotiemateriaal en op de website is dat merkgebruik volgens het hof ook ‘
anders en prominenterdan op verpakkingstekens 1’, aldus rov. 6.22, welk oordeel als zodanig in cassatie niet wordt bestreden. Het feit dat PK verpakkingstekens 2 als geheel aanvalt (en niet het LEEF VITAAL merk als zodanig), is niet doorslaggevend, omdat bepalend is hoe het relevante publiek de aangevallen tekens opvat. Uit de hofbeoordeling volgt dat het relevante publiek verpakkingstekens 2
nietals een samengesteld teken opvat volgens het hof, maar als gebruik van het LEEF VITAAL merk in een bepaalde context, te weten in combinatie met andere (additionele) elementen, die merkenrechtelijk aldus
nietrelevant worden geoordeeld in de hiervoor bedoelde zin. Het verschil in gebruik van dit merk in verpakkingstekens 1 en 2, dat PK als beslissend relevant ingang wil doen vinden, mist dus het ten opzichte van het gebruik in verpakkingstekens 2 niet afwijkend geoordeelde en dan ook bewust gedoogde gebruik van het merk in promotiemateriaal en op de website. Dat oordeel is evenwel beslissend en zelfstandig dragend voor de merkenrechtelijke rechtsverwerkingsvraag hier [57] . Anders gezegd: ook na ‘upgrading’ van de verpakkingen vanaf september 2019 is sprake van merkgebruik van hetzelfde jongere merk in een bepaalde context, waarbij die context hier merkenrechtelijk niet relevant wordt geoordeeld in de hiervoor bedoelde zin en bovendien feitelijk niet wezenlijk is gewijzigd in vergelijking met het merkgebruik in promotiemateriaal en op de website in de gedoogperiode 2009-2014. De additionele elementen (de verpakkingen) zijn volgens het hof niet relevant omdat ze niet-onderscheidend zijn (rov. 6.35) [58] .
dezelfde criteriakunnen worden gehanteerd als bij de vraag of sprake is van normaal gebruik van een merk (in het kader van de vervallenverklaringsmogelijkheid). Dat spreekt bepaald aan en de hofbenadering ademt dat ook. Die regeling uit art. 2.23bis lid 5 sub a BVIE bedoelt tegemoet te komen aan de praktijk waarin opmaak en verpakkingen van producten regelmatig onderhevig zijn aan ‘upgrading’ om aan te sluiten bij de smaak en stijl van het moment [59] . Het HvJ heeft uitgemaakt dat door geen strikte overeenstemming te eisen tussen de in de handel gebruikte en de ingeschreven vorm van het merk de houder de mogelijkheid wordt geboden om bij het commerciële gebruik ervan variaties aan te brengen waardoor het beter inspeelt op de eisen van de markt, zonder dat het onderscheidend vermogen wordt gewijzigd [60] . Upgrading van merken kan zodoende, binnen zekere grenzen, merkenrechtelijk door de beugel. Als de upgrading echter wel wezenlijk van aard is, kan het zo zijn dat het onderscheidend vermogen van het merk (zoals ingeschreven) wordt gewijzigd en wordt een grens overschreden [61] . De rechtspraak hierover is casuïstisch [62] .
Die rechtsvernichtende Wirkung der Verwirkung erfasst daher die konkrete Verletzungshandlung, die Gegenstand der Beanstandung war. In zeichenmäßiger Hinsicht beschränkt sie sich dementsprechend auf die konkrete Form des ursprünglich angegriffenen Zeichens und auf geringfügige Abwandlungen, sofern diese dem verletzten Kennzeichen nicht näherkommen(…)”. (onderstreping toegevoegd, A-G)
subonderdeel 1.2. De klacht uit subonderdeel 1.2 is dat voor zover rov. 6.8 en 6.22 zo moeten worden gelezen dat volgens het hof geen rechtens relevant onderscheid bestaat tussen verpakkingstekens 2 en het LEEF VITAAL merk, dat oordeel dan rechtens onjuist en innerlijk tegenstrijdig is. Nu het hof dit niet heeft geoordeeld, mist deze klacht feitelijke grondslag. Het hof heeft namelijk geoordeeld dat het gebruik van genoemd merk in verpakkingstekens 2 niet op relevante wijze afwijkt van het als in de gedoogperiode 2009-2014 gehanteerde gebruik van dat merk in promotiemateriaal en op de website en niet dat de aangepaste verpakkingslijn zou zijn gedoogd door PK en daarbij speelt geen rol of die nieuwe verpakkingslijn al of niet als merk is gedeponeerd (in gelijke zin s.t. Vemedia 17). Dat hier sprake is van ‘normaal gebruik’ in de zin van art. 2.23bis BVIE (desnoods in de zin van lid 5 sub a) is een feitelijk oordeel dat goed te volgen is. De slotklacht uit subonderdeel 1.2 is voorgesteld vanuit de veronderstelling dat in rov. 6.8 en 6.22 zou zijn geoordeeld dat Vemedia verpakkingstekens 2 als merk zou hebben ingeschreven, maar daar wijst niets op, zodat die klacht evenmin tot cassatie kan leiden.
geen belang bijde klachten van
onderdeel 2gericht tegen het non-inbreukoordeel, als onderdeel 1 geen doel treft, met als gevolg dat het hofoordeel overeind blijft dat sprake is van voortgezet bewust gedoogd gebruik van het LEEF VITAAL merk dat niet wezenlijk af is gaan wijken vanaf de nieuwe verpakkingslijn sinds september 2019 (in gelijke zin s.t. Vemedia 18). De rov. 6.23 t/m 6.40 zijn dan in wezen als
obiter dictate beschouwen. PK kan bij die stand van zaken immers vanwege rechtsverwerking niet meer met Merken 1 en 2 optreden tegen verpakkingstekens 2 en dan is de vraag of die tekens inbreuk maken niet meer relevant en had het hof die vraag ook in het midden kunnen laten. De Merken 3 t/m 8 kan PK niet in stelling brengen omdat het LEEF VITAAL merk van Vemedia ouder is dan die jongere merken van PK (zo ook het hof in rov. 6.30); dat is het gevolg van de co-existentieregel bij deze merkenrechtelijke rechtsverwerking als in de inleiding uiteengezet. Ik zou het hierbij kunnen laten, maar bespreek de klachten hierna ook inhoudelijk, zij het ten overvloede.
Jiskefet-arrest, rov. 3.2-3.3 [66] .
Jiskefetlijkt mij niet te volgen dat dat anders zou moeten in onze zaak [68] . Omdat het hof in
Jiskefethad geoordeeld dat geen sprake was van inbreuk, was het volgens dit arrest niet nodig dat het hof ook nog zou hebben onderzocht of hier een beperking van toepassing was in de vorm van louter refererend merkgebruik. In rov. 3.3 verduidelijkt de Hoge Raad dat als eenmaal is geoordeeld dat geen sprake is van inbreuk, er niet via art. 2.23 BVIE alsnog een inbreukverbod valt te verkrijgen, aangezien dat artikel de rechten van de merkhouder
beperkten
niet uitbreidt. Dat is andere materie dan in onze zaak aan de orde en ik zie de bepleite parallel niet opgaan. Ook uit
Anheuser-Busch [69] volgt niet, zoals PK stelt in haar s.t. 21, dat voor een geslaagd beroep op merkenrechtelijke rechtsverwerking vereist is dat eerst wordt vastgesteld dat het jongere merk inbreuk maakt op het oudere merk. Het Hof bespreekt daar namelijk een heel andere vraag, namelijk of de gedoogtermijn van art. 9 lid 1 Mrl Pro kan aanvangen voordat de houder van het oudere merk zijn merk heeft ingeschreven (antwoord: ja) en aan welke voorwaarden moet zijn voldaan om de rechtsverwerkingstermijn in te laten gaan. Uit art. 9 lid 1 Mrl Pro volgt ook niet dat eerst moet worden beoordeeld of het jongere merk inbreuk maakt op het oudere merk, voordat het rechtsverwerkingsverweer kan worden beoordeeld. Op dit een en anders ketst subonderdeel 2.1 af.
onder 28(als toegelicht bij s.t. PK 43) dat het oordeel in rov. 6.30 dat aan Vemedia’s recht haar eigen merk te mogen gebruiken afbreuk zou worden gedaan als dat eigen merk niet zou moeten worden weggedacht bij de vergelijking tussen de verpakkingstekens 2 en de Merken van PK, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Een geslaagd beroep op art. 2.23quater BVIE levert namelijk geen ‘recht dat eigen merk te gebruiken’ op, maar biedt het de aangesproken gebruiker louter een verweer tegen een (anders geslaagde) merkinbreukvordering van de houder van het oudere merk.
de factowel leidt tot een gebruiksrecht van de jongere merkhouder. In de literatuur wordt dit aangeduid als ‘co-existentie’; beide rechten moeten elkaar dulden. Het feitelijke gebruiksrecht strekt niet verder dan passend binnen het gedoogde gebruik [71] . Een andere opvatting zou in strijd zijn met de doelstellingen van de merkenrechtelijke rechtsverwerking, met name met de rechtszekerheid, als de houder van het oudere merk na afloop van de gedoogperiode alsnog schadevergoeding zou kunnen vorderen of andere vorderingen zou kunnen instellen [72] . De rechtsverwerkingsregeling geeft de houder van het jongere merk de zekerheid dat na afloop van de bewuste gedoogtermijn van vijf jaar door de oudere merkhouder het gebruik ervan rechtens niet meer kan worden verhinderd door de oudere merkhouder [73] .
onder 30bevat tot slot de veegklacht dat bij een geslaagd beroep ook de oordelen in rov. 1.2, 6.37, 6.41 t/m 6.43 en het dictum (onder 7) niet in stand kunnen blijven omdat die oordelen gebaseerd zijn op de eerder aangevallen oordelen. Dat mist zelfstandige betekenis en deelt het lot van de voorafgaande klachten.