ECLI:NL:PHR:2024:1202

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 november 2024
Publicatiedatum
11 november 2024
Zaaknummer
22/03611
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28b SvArt. 28c SvArt. 6 EVRMArt. 359a SvArt. 29 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over uitleg kwetsbare verdachte en bewijsuitsluiting bij langdurig verhoor

De verdachte werd door het hof veroordeeld voor belaging, bedreiging en smaad, met een taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf. In cassatie wordt betoogd dat de verdachte tijdens het langdurige verhoor als kwetsbare verdachte had moeten worden aangemerkt, waardoor haar verklaring uitgesloten zou moeten worden als onrechtmatig verkregen bewijs.

Het hof had aansluiting gezocht bij de Europese Aanbeveling 2013/C/378/02 en geoordeeld dat de verdachte niet voldeed aan het criterium van kwetsbaarheid, omdat zij ondanks emotionele reacties het strafproces kon begrijpen en effectief kon deelnemen. De Hoge Raad bevestigt dat het hof de juiste maatstaf heeft gehanteerd en dat de motivering toereikend is, mede omdat geen sprake was van een stoornis of structurele factoren die kwetsbaarheid rechtvaardigen.

De conclusie van de Procureur-Generaal adviseert het cassatieberoep te verwerpen, maar wel de straf te verminderen wegens overschrijding van de redelijke termijn. De zaak benadrukt het onderscheid tussen een kwetsbare positie tijdens verhoor en de status van kwetsbare verdachte die aanvullende waarborgen vereist.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen, met strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/03611

Zitting12 november 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 20 september 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. "belaging", 2. “bedreiging met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen en bedreiging met verkrachting” en 3. “smaad” veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis en met aftrek van voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen (en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard) en daarmee verbonden een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Een en ander als nader in het arrest bepaald. [1]
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en D.N. de Jonge, advocaat in Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

2.1
Het middel heeft betrekking op de uitleg die het hof heeft gegeven aan het begrip “kwetsbare verdachte”. Het valt uiteen in een rechtsklacht en een motiveringsklacht.
De overweging van het hof
2.2
Het arrest bevat de volgende voor het middel relevante passage:

Bewijsoverwegingen
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte, conform de door haar overgelegde pleitnotitie, betoogd - kort en zakelijk weergegeven - dat de verklaring van de verdachte bij de politie dient te worden uitgesloten van het bewijs. Daartoe heeft de raadsvrouw aangedragen dat de verdachte op het moment van het verhoor een kwetsbare verdachte was, waardoor aan de verdachte een advocaat had moeten worden toegewezen op grond van artikel 28b lid 1 Wetboek van Strafvordering (verder: Sv). Nu dit niet is gebeurd, is volgens de raadsvrouw het recht van de verdachte op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro geschonden. Aldus is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv, waarop bewijsuitsluiting dient te volgen.
(…)
Kwetsbare verdachte?
Artikel 28b Sv bepaalt dat indien een kwetsbare verdachte is aangehouden, de hulpofficier van justitie die bij de voorgeleiding betrokken is, beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek en het bestuur van de raad voor rechtsbijstand onverwijld van zijn aanhouding in kennis stelt opdat het bestuur een raadsman aanwijst. In artikel 28c Sv staat dat deze verdachte de gelegenheid wordt verschaft om voorafgaand aan het eerste verhoor met de aldus beschikbare raadsman een onderhoud te hebben (lid 1). Daarvan kan de verdachte pas afstand doen nadat hij door een raadsman over de gevolgen daarvan is ingelicht (lid 2).
Artikel 28b Sv is ingevoerd ter implementatie van Richtlijn 2013/48/EU. In artikel 13 van Pro deze Richtlijn staat - kort gezegd - dat rekening moet worden gehouden met de specifieke behoeften van kwetsbare verdachten en beklaagden.
Wat een 'kwetsbare persoon' is wordt in de Richtlijn niet gedefinieerd. Een definitie is te vinden in de Aanbeveling van de (Europese) Commissie van 27 november 2013 betreffende procedurele waarborgen voor kwetsbare personen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure (2013/C/378/02). 'Kwetsbare personen' zijn in het licht van de Aanbeveling: 'alle verdachten en beklaagden die door hun leeftijd, geestelijke of lichamelijke toestand of handicap niet in staat zijn een strafprocedure te begrijpen en er effectief aan deel te nemen.' Ook een 'vermoeden van kwetsbaarheid' valt onder het bereik van de Aanbeveling.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte langdurig is verhoord en tussendoor, tijdens een pauze, één uur in de cel moest doorbrengen. Voorts stelt de raadsvrouw dat de verdachte pas laat in het verhoor hoorde waarvan zij was verdacht en daardoor 'verward' en 'in shock' was. Op enig moment 'brak' de verdachte en moest zij hard huilen. Toen hadden de verhorende verbalisanten volgens de raadsvrouw (opnieuw) moeten nagaan of zij te maken hadden met een kwetsbare verdachte.
Hoewel het hof wil aannemen dat het verhoor van de verdachte voor haar inspannend, stressvol en belastend is geweest - dat zal in meer of mindere mate voor iedere verdachte gelden - betekent dit nog niet dat zij als 'kwetsbare verdachte' in de zin van artikel 28b Sv diende te worden aangemerkt, dan wel dat de verhorende verbalisanten dit hadden moeten vermoeden. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is naar het oordeel van het hof in ieder geval niet aannemelijk geworden dat de verdachte door de toestand waarin zij verkeerde niet in staat was de strafprocedure te begrijpen en daar effectief aan deel te nemen, noch waren daar destijds aanwijzingen voor. Dat de verdachte tijdens het verhoor emotioneel werd, is daartoe onvoldoende.
Dat de verbalisanten tijdens het verhoor tegen de verdachte hebben gezegd dat zij dachten dat zij 'hulp' nodig had, werpt op het voorgaande geen ander licht. Verhorend verbalisant [verbalisant 1] heeft op 22 april 2022 bij de raadsheer-commissaris verklaard dat de verbalisanten die vraag stelden naar aanleiding van de inhoud van de stalkende berichten, niet omdat de verdachte tijdens het verhoor een kwetsbare indruk maakte. Verbalisant [verbalisant 1] verklaarde juist dat zij op dat moment in het verhoor nog ijzersterk was.
Ook verhorend verbalisant [verbalisant 2] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij niet de indruk had dat het tijdens het verhoor geestelijk niet goed ging met de verdachte. Hij heeft (voorts) verklaard:
"Als ik zie dat het met iemand geestelijk niet goed gaat dan ga ik niet verder. Dat ze emotioneel worden, is wat anders. De verdachte wordt geconfronteerd, dus dan word je emotioneel. Ze bedenkt dan ook wat dat voor haar leven betekent en het gaat bovendien om een vriendin van haar. Dat is goed te begrijpen, maar dat is wat anders dan dat het niet meer gaat en het niet verantwoord is om het verhoor voort te zetten. Ik heb daar bij [verdachte] geen enkel moment aanwijzingen voor gehad."
Gelet op het voorgaande is het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte een kwetsbare verdachte was, zodat het ervoor moet worden gehouden dat zij door verhorende verbalisanten terecht niet als (mogelijk) kwetsbare verdachte in de zin van artikel 28b Sv is aangemerkt. Van enige vormverzuim is dan ook geen sprake. Het verweer wordt verworpen.”
De beoordeling van de rechtsklacht
2.3
De eerste klacht die ik in het middel lees, is een rechtsklacht. Deze houdt in dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij het bepalen of de verdachte een kwetsbare verdachte was in de zin van art. 28b lid 1 Sv.
2.4
Over de vraag wat in art. 28b lid 1 en 28c lid 2 Sv dient te worden verstaan onder een ‘kwetsbare verdachte’ laat de wet zich niet uit. Het hof heeft voor wat betreft dit begrip aansluiting gezocht bij de Aanbeveling van de Commissie van 27 november 2013 betreffende procedurele waarborgen voor kwetsbare personen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure (PbEU C 378/8). Aldus heeft het hof tot uitgangspunt genomen dat als kwetsbare verdachte hebben te gelden verdachten die door hun “leeftijd, geestelijke of lichamelijke toestand of handicap niet in staat zijn een strafprocedure te begrijpen en er effectief aan deel te nemen”. Hoewel een dergelijke aanbeveling van de Europese Commissie geen geldend recht is, heeft het hof hier kennelijk aansluiting bij gezocht omdat de aanbeveling moet worden gezien als een aanvulling op de door het hof genoemde richtlijn 2013/48/EU, die mede ten grondslag heeft gelegen aan de genoemde artikelen uit het Wetboek van Strafvordering.
2.5
Het middel keert zich op zich niet tegen deze keuze van het hof, maar voert ten eerste aan dat het hof dit criterium heeft vernauwd tot de vraag of de verdachte “tijdens het verhoor in staat was het verloop van het verhoor en de vraagstelling te begrijpen en aan dat verhoor deel te nemen”. [2] Dit betoog mist echter feitelijke grondslag. Het hof heeft expliciet beoordeeld of de verdachte in staat was de ‘strafprocedure’, dus het proces in zijn geheel, te begrijpen en er effectief aan deel te nemen. Het hof heeft dit oordeel vervolgens geveld aan de hand van verloop van het verhoor, waar het verweer van de verdediging ook op was toegespitst.
2.6
In verband daarmee heeft de steller van het middel ten tweede aangevoerd dat het hof heeft miskend dat het bij het oordeel over het bestaan van een kwetsbaarheid ook gaat om de vraag “of verdachten voldoende in staat kunnen worden geacht te overzien op welke wijze zij verdedigingsrechten kunnen uitoefenen, daar afstand van kunnen doen en of zij effectief deel kunnen nemen aan de uitoefening van dergelijke procedurele rechten”. [3]
2.7
Deze nadere invulling van de door de hof gehanteerde maatstaf is op zich niet onjuist. In een conclusie van 12 december vorig jaar ben ik onder andere ingegaan op de relatie tussen het begrip kwetsbare verdachte in art. 28b en 28c Sv, andere wettelijke regelingen, de waarborgen van art. 6 EVRM Pro voor de effectieve deelname van verdachten aan hun strafproces en de eisen die moeten worden gesteld aan het afstand doen van het recht op rechtsbijstand. [4] Ik concludeerde dat de groeiende consensus is dat effectieve deelname aan het proces door, in dat geval niet-aangehouden, kwetsbare verdachten in beginsel betekent dat zij rondom het verhoor moeten zijn voorzien van (consultatie)bijstand en dat niet gauw kan worden aangenomen dat een kwetsbare verdachte geldig afstand kan doen van zijn recht op rechtsbijstand. [5]
2.8
In de onderhavige zaak is echter niet de vraag aan de orde of het afstand doen van het recht op rechtsbijstand in overeenstemming is met de eisen van art. 6 EVRM Pro, maar of de verdachte terecht niet is aangemerkt als een kwetsbare verdachte in de zin van art. 28b en 28 c Sv. Aan de status van ‘kwetsbare verdachte’ is al het wettelijke gevolg verbonden dat de verdachte slechts afstand kan doen van zijn recht op rechtsbijstand na door een raadsman te zijn voorgelicht over de gevolgen daarvan, en tegen het ontbreken van deze voorlichting is het middel gericht. Door niet afzonderlijk na te gaan of de verdachte afstand heeft kunnen doen van haar recht op consultatiebijstand heeft het hof dan ook geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
2.9
De rechtsklacht faalt.
De beoordeling van de motiveringsklacht
2.1
De klacht die in het middel subsidiair naar voren wordt gebracht houdt in dat het hof, mede in het licht van hetgeen ter zitting namens de verdachte is aangevoerd, niet voldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom het niet aannemelijk is geworden dat de verdachte ten tijde van het politieverhoor een kwetsbare verdachte was.
2.11
Met betrekking tot hetgeen ter zitting namens de verdachte is aangevoerd stel ik vast dat hier niet is gesteld dat de verdachte zou lijden aan een stoornis en/of dat bij haar sprake was van factoren van meer structurele aard die haar kwetsbaar maakten. Volgens de verdediging is de verdachte aan het verhoor begonnen als een niet-kwetsbare verdachte en is zij gedurende het “urenlange verhoor” veranderd in een kwetsbare verdachte “die vanaf dat moment bijstand had moeten krijgen van een raadsman”. Deze kwetsbaarheid zou zijn ontstaan door de samenloop van enerzijds de omstandigheden waaronder het verhoor plaatsvond en anderzijds de reactie van de verdachte daarop. Deze gestelde kwetsbaarheid is samengevat onderbouwd met het volgende:
i. de verdachte heeft voorafgaand aan het verhoor gezegd het “een beetje eng” te vinden, maar geen advocaat nodig te hebben omdat ze “niets strafbaars” zou hebben gedaan;
ii. tijdens het verhoor zou zij op enig moment hebben gezegd “misschien dat het allemaal een beetje te snel gaat”;
iii. de verhorende verbalisanten zouden zelf tegen de verdachte hebben gezegd “Wij denken dat de stalker hulp nodig heeft. We veroordelen jou niet. Maar we denken dat je hulp nodig hebt. Wat vind je er zelf van” - hetgeen zou impliceren dat de verhorende ambtenaren zelf ook inzagen dat de verdachte kwetsbaar was;
iv. de verdachte is lang (zo’n 5,5 uur, met een korte pauze na 4,5 uur) verhoord en dit zou voor de verdachte een “uitputtingsslag” zijn geweest;
v. de verhorende ambtenaren omschreven de verdachte tijdens het verhoor bij de raadsheer-commissaris als een “hoopje ellende”. [6]
2.12
Het betoog van de raadsvrouw van de verdachte is uitgemond in de stelling dat sprake was van een onherstelbaar vormverzuim dat zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting. [7]
2.13
Zelf heeft de verdachte ter zitting gesteld dat haar verklaring bij de politie een valse bekentenis inhield, dat het verhoor “traumatisch” voor haar was, dat het nadat ze hoorde waarvan ze verdacht werd “een grote flipperkast” werd in haar hoofd en dat ze na een langdurig verhoor is ‘gebroken’. [8]
2.14
Voor de volledigheid merk ik nog op dat - zoals ook al aan de orde komt in de geciteerde overweging van het hof en in het hiervoor onder (v) genummerde verweer van de advocaat van de verdachte - beide verhorende politieambtenaren zijn gehoord bij de raadsheer-commissaris in verband met de mogelijke kwetsbaarheid van de verdachte. Dit op verzoek van de advocaat van de verdachte en na een daartoe strekkende verwijzing door het hof. [9]
2.15
Ik stel voorop dat een verdachte die wordt verhoord zich (haast) per definitie in een kwetsbare positie bevindt. De wettelijke regels rondom het informeren van de verdachte, het voorzien in consultatie- en verhoorbijstand en bijvoorbeeld het pressieverbod van art. 29 lid 1 Sv Pro zijn gegeven om deze kwetsbare positie zoveel mogelijk te verkleinen en compenseren. Een kwetsbare positie hébben is echter iets anders dan een kwetsbare verdachte zíjn. Bij een kwetsbare verdachte staat niet de verhoorsituatie centraal, maar de eigenschappen van de verdachte die maken dat aanvullende waarborgen noodzakelijk zijn.
2.16
Over de vraag welke eigenschappen dit zijn heb ik ook eerder opmerkingen gemaakt in de genoemde conclusie van 12 december 2023. [10] De slotsom hiervan was kort gezegd dat een stoornis als bedoeld in art. 509a lid 1 Sv hiervoor een belangrijke aanwijzing is, maar dat niet ondenkbaar is dat ook sprake kan zijn van kwetsbaarheid zonder dat sprake is van zo’n stoornis. Wel zal het dan, zo heb ik toen betoogd, veelal gaan om kenmerken van meer structurele aard
2.17
In het daaropvolgende arrest heeft de Hoge Raad geen maatstaf voor het bepalen van kwetsbaarheid geformuleerd. Wel heeft de Hoge Raad overwogen dat “bijvoorbeeld een psychische stoornis of verstandelijke beperking” kunnen maken dat een verdachte als kwetsbare verdachte in de zin van art. 28b lid 1 Sv moet worden aangemerkt. Ook heeft de Hoge Raad gesproken over “de concrete beperkingen die samenhangen met de kwetsbaarheid van de verdachte”. [11] Ik begrijp deze overwegingen zo, dat de Hoge Raad niet heeft willen uitsluiten dat sprake kan zijn van kwetsbaarheid zonder dat sprake is van een stoornis - in de ruime betekenis van het woord - maar zich nog niet heeft uitgelaten over de vraag waarin die kwetsbaarheid dan (nog meer) kan bestaan. Wel lijkt het te moeten gaan om omstandigheden die beperkingen met zich brengen. Gelet op deze stand van zaken volsta ik met een verwijzing naar mijn eerdere conclusie.
2.18
Ik zie vervolgens niet in waarom de motivering van het hof tekort zou schieten. Daarbij is voor mij van belang dat namens de verdachte als gezegd niet is aangevoerd dat zij aan een stoornis zou lijden terwijl evenmin is gewezen op andere structurele factoren die haar kwetsbaar zouden maken. De factoren van meer incidentele aard die namens de verdachte zijn genoemd zijn door het hof besproken in de hierboven weergegeven motivering. Dat het hof op grond hiervan tot de conclusie is gekomen dat de verdachte niet “kwetsbaar” was in de in het middel bedoelde zin, acht ik geenszins onbegrijpelijk.
2.19
Ook de motiveringsklacht treft geen doel.

Afronding

3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.
3.3
Deze conclusie strekt tot strafvermindering in verband met de overschrijding van de redelijke termijn en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.Hof Den Haag 20 september 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2128.
2.P. 14 en 15 van de schriftuur.
3.P. 14 van de schriftuur.
4.ECLI:NL:PHR:2023:1124, o.a. randnrs. 4.10-4.12, 4.17, 4.23, 4.24 en 4.44-4.48.
5.ECLI:NL:PHR:2023:1124, randnrs 4.35 en 4.48. Zo ook aanbeveling 11 van de genoemde Aanbeveling van de Europese Commissie van 27 november 2013.
6.Pleitnota hoger beroep, p. 2-3, waarnaar wordt verwezen op p. 6 van het proces-verbaal van de zitting van 6 september 2022.
7.Pleitnota hoger beroep, p. 4.
8.Proces-verbaal van de zitting van 6 september 2022, p. 2.
9.Proces-verbaal van de zitting van 10 november 2021.
10.ECLI:NL:PHR:2023:1124, zie m.n. randnrs. 4.10-4.12.
11.HR 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:556, rov. 2.8.1 resp. 2.8.3.