De verdachte werd door het hof veroordeeld voor belaging, bedreiging en smaad, met een taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf. In cassatie wordt betoogd dat de verdachte tijdens het langdurige verhoor als kwetsbare verdachte had moeten worden aangemerkt, waardoor haar verklaring uitgesloten zou moeten worden als onrechtmatig verkregen bewijs.
Het hof had aansluiting gezocht bij de Europese Aanbeveling 2013/C/378/02 en geoordeeld dat de verdachte niet voldeed aan het criterium van kwetsbaarheid, omdat zij ondanks emotionele reacties het strafproces kon begrijpen en effectief kon deelnemen. De Hoge Raad bevestigt dat het hof de juiste maatstaf heeft gehanteerd en dat de motivering toereikend is, mede omdat geen sprake was van een stoornis of structurele factoren die kwetsbaarheid rechtvaardigen.
De conclusie van de Procureur-Generaal adviseert het cassatieberoep te verwerpen, maar wel de straf te verminderen wegens overschrijding van de redelijke termijn. De zaak benadrukt het onderscheid tussen een kwetsbare positie tijdens verhoor en de status van kwetsbare verdachte die aanvullende waarborgen vereist.