Conclusie
eerstemiddel bevat een bewijsklacht inzake het onder 1 primair bewezenverklaarde medeplegen. Het
tweedemiddel bevat klachten inzake de opgelegde ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van ondernemer, in of buiten rechtspersoonlijkheid. Het
derdemiddel bevat een klacht met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn.
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 9 augustus 2023.
mededeling van verbalisant:
het hof begrijpt: 2017) en 1e kwartaal 2018. In totaal heeft de BV € 28.518 OB teruggevraagd.
het hof begrijpt: aangifte) OB gedaan: 1e kwartaal 2018. In totaal heeft de BV € 2.402 OB teruggevraagd.
het hof begrijpt: vervolgens) € 194.590 uitbetaald.
mededeling van verbalisant:
‘Bewijsoverwegingen ten aanzien van de vorm van het daderschap
Oplegging van straffen
Feit 1
De omstandigheid dat de in art. 8, eerste lid, AWR bedoelde uitnodiging tot het doen van aangifte (nog) niet was ontvangen, staat op zichzelf beschouwd niet in de weg aan het oordeel dat sprake is van een ‘bij de belastingwet voorziene aangifte’ in de zin van art. 69, tweede lid, AWR (vgl. HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3746, rov. 2.3 en HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3673, rov. 4.2).
fiscalebegrip ondernemer. Immers niet elke zzp’er, freelancer of mkb’er ingeschreven bij de Kamer van Koophandel wordt door de belastingdienst als ondernemer aangemerkt.’
CDAstelden een vraag over het gebruik van het begrip «beroep» met betrekking tot bestuurders. Zij vroegen of in dit verband niet beter van «functie» kan worden gesproken. Zoals in de memorie van toelichting is uiteengezet, wordt het begrip beroep in de rechtspraktijk ruim uitgelegd. Om een bepaalde activiteit als beroep aan te kunnen merken is het van belang dat de verrichtingen in het kader van die activiteit enige mate van samenhang vertonen en met een zekere bestendigheid plaatsvinden. Bovendien beperkt de mogelijkheid tot ontzetting uit het beroep zich niet tot het hoofdberoep, maar kan deze sanctie evenzeer betrekking hebben op de uitoefening van een nevenberoep. Ook het als nevenfunctie verrichten van werkzaamheden als bestuurder kan derhalve als een beroepsmatige activiteit worden aangemerkt. De begrippen beroep en functie zijn nauw aan elkaar verwant. Naar mijn mening is het begrip beroep evenwel ruimer dan het begrip functie. Het begrip functie wordt voornamelijk gehanteerd om de verschillende posities binnen het kader van een organisatie formeel te duiden. Het begrip beroep is meer verbonden aan het verrichten van bepaalde werkzaamheden. Geenszins uitgesloten is dat wanneer iemand uit een bepaalde functie zou worden ontzet, deze persoon dezelfde werkzaamheden onder de noemer van een andere functie zou kunnen blijven verrichten. De ontzetting uit een «functie» heeft daarmee naar mijn mening een beperkter bereik, waardoor de sanctie aan effectiviteit inboet. Bij deze stand van zaken zie ik geen aanleiding om naast de mogelijkheid tot ontzetting uit het beroep te voorzien in de mogelijkheid tot ontzetting uit een «functie».’