ECLI:NL:PHR:2024:1245

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 december 2024
Publicatiedatum
18 november 2024
Zaaknummer
22/04675
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300 SrArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping beroep op noodweer bij mishandeling na confrontatie vriend

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens mishandeling van een aangever in Eindhoven op 21 juli 2021. Het hof legde een taakstraf en een schadevergoedingsmaatregel op. De verdachte stelde in cassatie dat hij handelde uit noodweer om zijn vriend te hulp te komen.

De feiten betroffen een confrontatie tussen een vriend van de verdachte en het latere slachtoffer, gevolgd door een klap van de verdachte aan het slachtoffer nadat de vriend op de grond was gevallen. Het hof oordeelde dat de vriend de confrontatie had gezocht en dat het slachtoffer zich gerechtvaardigd verdedigde. Daarom was er geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waarop noodweer kon worden gebaseerd.

De Hoge Raad bevestigde dat het hof voldoende gemotiveerd had waarom het beroep op noodweer werd verworpen. Het putatieve noodweer-verweer kon niet in cassatie worden ingebracht omdat dit een feitelijke beoordeling vergt. De cassatiemiddelen faalden en het beroep werd verworpen.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; veroordeling wegens mishandeling bevestigd met afwijzing beroep op noodweer.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/04675 M
Zitting3 december 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 1 december 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (Militaire Kamer) wegens “mishandeling” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.P.K. Ruperti, advocaat in Apeldoorn, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
Beide middelen richten zich tegen de verwerping van het beroep op noodweer. Voordat ik op de middelen inga, citeer ik eerst de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de overweging van het hof met betrekking tot het beroep op noodweer.

2.De bewezenverklaring, bewijsmiddelen en overweging van het hof

2.1
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 21 juli 2021, te Eindhoven , [aangever] heeft mishandeld door toen aldaar voornoemde [aangever] opzettelijk te stompen of te slaan.”
2.2
Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 3 oktober 2021 gevoegde, door [verbalisant 1] , buitengewoon opsporingsambtenaar, Eenheid Oost-Nederland, aktenummer 6058424) opgemaakte proces-verbaal van aangifte van 23 juli 2021, voor zover inhoudende als
verklaring van [aangever], zakelijk weergegeven:
Op 21 juli 2021 liep ik met vrienden naar onze fietsen die wij hadden gestald op de Kerkstraat in Eindhoven .
Ik heb van mijn vrienden gehoord dat ik zo maar uit het niets ben neergeslagen door een jongen.
2. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 3 oktober 2021 gevoegde, door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , beiden wachtmeester der Koninklijke Marechaussee, district Zuid, brigade Brabant-Zuid, opgemaakte proces-verbaal van verhoor van 31 augustus 2021, voor zover inhoudende als
verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:
V: Wat kun jij verklaren over dit incident?
A: Wij waren met zijn vieren naar het terras. Toen wij onze fiets pakten, zagen wij een groep jongens. Even later kwam [betrokkene 1] eraan met zijn fiets. Wij zeiden tegen [betrokkene 1] dat er wat irritaties waren met de andere groep, toen wij weg wiIden gaan. Op dat moment zag ik [betrokkene 1] naar de andere groep gaan.
Ik bleef met mijn andere vrienden gewoon staan. De andere groep riep wat naar [betrokkene 1] en toen ging [betrokkene 1] er weer naar toe.
Er stonden toen ongeveer 3 of 4 personen voor [betrokkene 1] . Er ontstond een woordenwisseling. Ik weet niet wie er begonnen is, maar er ontstond geduw en er vielen wat klappen.
Ik zag dat [betrokkene 1] op de grond viel met iemand anders, toen ben ik er naar toegerend. Ik zag [betrokkene 1] op de grond liggen en het waren meerdere personen tegen [betrokkene 1] . Ik heb toen een van die jongens geslagen. Ik kwam van de zijkant en volgens mij was hij ook met [betrokkene 1] aan het vechten en toen heb ik hem een klap gegeven. Ik zag toen dat hij op de grond viel.
3. De waarneming door de leden van de militaire kamer dat op de aan het dossier toegevoegde camerabeelden te zien is dat een vriend van verdachte, [betrokkene 2] , de confrontatie zocht met de groep waarvan aangever [aangever] deelt uitmaakte. Er ontstond een gevecht tussen [betrokkene 2] en [aangever] .
Nadat [betrokkene 2] op de grond viel, mengde verdachte zich in de situatie en gaf [aangever] een harde klap, waarmee hij [aangever] tegen de grond sloeg.”
2.3
Ten aanzien van het door de verdediging gedane beroep op noodweer heeft het hof het volgende overwogen:
“Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte aangever weliswaar een klap heeft gegeven, maar dat hij handelde uit noodweer om zijn vriend te hulp te komen. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.
Uit de stukken in het dossier, alsmede de waarneming van het hof van de camerabeelden van het incident op 21 juli 2021 te Eindhoven , blijkt dat een vriend van verdachte, [betrokkene 2] , de confrontatie zocht met de groep waarvan aangever [aangever] deelt uitmaakte. Er ontstond een gevecht tussen [betrokkene 2] en [aangever] . Naar het oordeel van het hof was hierbij sprake van een situatie waarin het voor [aangever] gerechtvaardigd was om zich te verdedigen tegen de aanval van [betrokkene 2] . Er was daarbij dan ook geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [aangever] jegens [betrokkene 2] . De situatie dat [betrokkene 2] op een gegeven moment op de grond viel maakt dat niet anders. Nadat [betrokkene 2] op de grond viel, mengde verdachte zich in de situatie en gaf [aangever] een harde klap, waarmee hij [aangever] tegen de grond sloeg. [aangever] heeft daarbij letsel opgelopen aan zijn lip en achterhoofd.
Nu de gedragingen van [aangever] niet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens [betrokkene 2] , kan het beroep van verdachte op noodweer reeds om die reden niet slagen. De vraag of de door verdachte uitgedeelde klap proportioneel was hoeft het hof dan ook niet te beantwoorden.”

3.Inleiding op de bespreking van de middelen

3.1
Uit de hierboven weergegeven overweging van het hof blijkt dat er zich kort na elkaar twee confrontaties hebben voorgedaan. De eerste confrontatie is het gevecht tussen een vriend van de verdachte ( [betrokkene 2] ) en het latere slachtoffer ( [aangever] ). De tweede confrontatie is de klap die de verdachte vervolgens heeft gegeven aan [aangever] nadat [betrokkene 2] als gevolg van het gevecht met [aangever] op de grond was gevallen. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep draaide het om de vraag of de verdachte ten aanzien van de klap die hij [aangever] heeft gegeven, een beroep op noodweer toekomt. In cassatie is dat wederom de insteek.
3.2
De militaire politierechter in de rechtbank Gelderland overwoog dat de verdachte zich “gedeisd” had gehouden totdat [betrokkene 2] op de grond lag en [aangever] op hem afging. Dat de verdachte vervolgens [aangever] een klap gaf merkte de politierechter aan als “verdediging van andermans lijf”. Het beroep op noodweer werd gehonoreerd en de verdachte werd vrijgesproken.
3.3
Het hof heeft anders geoordeeld en het beroep op noodweer verworpen. Het hof heeft overwogen dat [betrokkene 2] degene is die de confrontatie heeft gezocht met de groep waarvan [aangever] deel uitmaakte en dat daarmee sprake was van een situatie waarin het voor [aangever] gerechtvaardigd was om zich te verdedigen tegen de aanval van [betrokkene 2] . De gedragingen van [aangever] jegens [betrokkene 2] kunnen om die reden – aldus het hof – niet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [betrokkene 2] , zodat het beroep van de verdachte op noodweer reeds daarom niet kan slagen.
3.4
De twee middelen richten zich tegen verschillende onderdelen van de overweging waarin het hof het door de verdediging gedane beroep op noodweer heeft verworpen.

4.Het eerste middel

4.1
Het eerste middel bevat de klacht dat het hof onvoldoende, althans onbegrijpelijk heeft gemotiveerd waarom er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [aangever] .
4.2
De steller van het middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat het voor [aangever] gerechtvaardigd was zich te verdedigen tegen de aanval van [betrokkene 2] en – meer in het bijzonder – het daarin besloten liggende oordeel dat er dus sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [betrokkene 2] jegens [aangever] . Indien de gedragingen van [betrokkene 2] namelijk niet als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens [aangever] kunnen worden aangemerkt, schiet de verwerping van het beroep op noodweer tekort. Volgens de steller van het middel heeft het hof weliswaar gesteld dat [betrokkene 2] de confrontatie heeft gezocht met de groep van [aangever] , maar geeft het hof niet aan waarom sprake was van een situatie waarin het voor [aangever] gerechtvaardigd was zich te verdedigen.
4.3
Het hof heeft op grond van de stukken van het dossier en de eigen waarneming van de camerabeelden vastgesteld dat [betrokkene 2] de “confrontatie” zocht met de groep waarvan [aangever] deel uitmaakte. Het hof heeft vastgesteld dat er een gevecht tussen [betrokkene 2] en [aangever] ontstond en dat naar het oordeel van het hof hierbij sprake van was van een situatie waarin het voor [aangever] gerechtvaardigd was om zich te verdedigen tegen de aanval van [betrokkene 2] .
4.4
Ik ben het met de steller van het middel eens dat uit deze motivering van het hof niet precies blijkt op basis van welke gedragingen c.q. waarnemingen het hof tot deze conclusie is gekomen. Wel heeft het hof vastgesteld dan [betrokkene 2] de “confrontatie” heeft gezocht. Hoewel aan de magere kant, kan deze toevoeging in mijn ogen het oordeel dragen dat het [aangever] was die zich tijdens het gevecht tegen [betrokkene 2] aan het verdedigen was. Het feit dat de militaire politierechter de camerabeelden kennelijk anders heeft geïnterpreteerd dan het hof maakt het voorgaande niet anders. De waardering van het bewijs is immers voorbehouden aan de feitenrechter die oordeelt over de zaak en het recht kent geen bijzondere motiveringsplicht voor het geval waarin het hof tot een andere waardering komt dan de rechter in eerste aanleg.
4.5
Het in de overweging van het hof besloten liggende oordeel dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [aangever] door [betrokkene 2] , is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
4.6
Het middel faalt.

5.Het tweede middel

5.1
Het tweede middel citeert de overweging van het hof waarin is overwogen dat de gedragingen van [aangever] niet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding en klaagt dat het hof heeft miskend “dat vanuit het gezichtspunt van de verdachte er wel degelijk sprake was [van] een situatie die hij erkende als een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het lijf van [betrokkene 2] ”.
5.2
Over dit middel kan ik kort zijn. Daarmee wordt immers in feite betoogd dat de verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald ten aanzien van de vraag of sprake was van ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van [betrokkene 2] . Een dergelijke situatie, waarin de verdachte niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zijn vriend moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan, wordt ook wel putatief noodweer genoemd. [1] Een dergelijk verweer kan niet voor het eerst in cassatie aan de orde worden gesteld. De gegrondheid daarvan vergt immers een onderzoek van feitelijke aard waarvoor in cassatie geen plaats is. [2]
5.3
Nu in hoger beroep een dergelijk verweer niet is gevoerd, faalt het middel reeds om die reden.

6.Slotsom

6.1
Beide middelen falen. Nu de verdachte in eerste aanleg door de rechtbank is vrijgesproken voor een feit waarin in hoger beroep een veroordeling is gevolgd, ligt afdoening van de middelen met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering niet in de rede. [3]
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456,
2.Zie A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers,
3.HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40,