De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van circa 4690 hennepstekken en hennepplanten in een gehuurd bedrijfspand op 9 oktober 2019. Het hof baseerde zijn bewezenverklaring op het feit dat verdachte huurder was van het pand, toegang had tot de loods met een sleutel in zijn kantoor en dat hij in april en mei 2019 WhatsApp-gesprekken voerde met een man die elektrische voorzieningen voor hennepkwekerijen aanlegde.
De advocaat-generaal stelt in zijn conclusie dat deze bewijsmiddelen onvoldoende zijn om het opzettelijk aanwezig hebben van de hennep op die datum te dragen. Er is geen bewijs dat verdachte betrokken was bij de daadwerkelijke kweek of dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat er op 9 oktober 2019 een hennepkwekerij aanwezig was. De periode tussen de WhatsApp-gesprekken en de vondst van de kwekerij is te lang en er is geen bewijs van feitelijke macht over de hennep.
De conclusie van de advocaat-generaal is dat het middel slaagt en dat het arrest van het hof moet worden vernietigd, met uitzondering van de vrijspraak voor het subsidiaire ten laste gelegde. De zaak wordt terugverwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling, waarbij rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.