Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De bestreden beschikking
Beklag
Met betrekking tot het in beslag genomen banksaldo
Spaarrekening [rekeningnummer 2]
Parket bij de Hoge Raad
Klaagster heeft bij de rechtbank beklag ingediend tegen beslag op haar personenauto en het saldo van een bankrekening, waarbij de rechtbank het beklag deels ongegrond verklaarde. De kern van het geschil betrof het beslag op een banksaldo van € 29.947,31, dat volgens het Openbaar Ministerie toebehoorde aan een derde, de partner van klaagster, en dat in een strafzaak mogelijk verbeurd zou worden verklaard.
De rechtbank oordeelde dat het strafvorderlijk belang zich verzette tegen opheffing van het beslag op dat deel van het saldo, omdat het bedrag waarschijnlijk zou worden verbeurd verklaard in de strafzaak tegen de partner. Klaagster stelde dat het geld aan haar toebehoorde, maar kon dit niet aannemelijk maken.
In cassatie stelt de Procureur-Generaal dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat na de beschikking van de rechtbank een schikking is getroffen in een ontnemingsprocedure met de partner van klaagster. Deze schikking houdt onder meer in dat het saldo van de bankrekening aan de Staat wordt overgedragen, waardoor het beslag is geëindigd.
De conclusie is dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is omdat het beslag waarop het beklag betrekking had niet meer bestaat. Ook als het beklag gericht zou zijn tegen beslag op een andere bankrekening, is dat beslag in het kader van de schikking opgeheven. De Hoge Raad volgt deze conclusie en verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het cassatieberoep van klaagster wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het beslag op de bankrekening reeds is beëindigd door een schikking.