ECLI:NL:PHR:2024:1290
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling voor zware mishandeling ondanks twijfel over fysieke belastbaarheid verdachte
De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken van zware mishandeling, maar het gerechtshof Den Haag veroordeelde hem in hoger beroep tot een taakstraf en een gedeeltelijke gevangenisstraf wegens het met een hamer slaan op de rechterhand van de aangever, waarbij zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.
De verdachte ontkende de mishandeling en stelde dat hij belaagd werd door buren en slechts de hamer had gepakt om zich te verdedigen. Zijn raadsman voerde onder meer een beroep op noodweerexces en vroeg om nader deskundigenonderzoek naar de belastbaarheid van de hand van de verdachte, omdat hij niet met kracht zou kunnen slaan.
Het hof achtte de verklaringen van de aangever en getuige betrouwbaar en concludeerde dat het letsel, een gebroken bot met blijvend letsel, het gevolg was van het slaan met een hamer door de verdachte. Het verzoek tot nader onderzoek werd afgewezen wegens gebrek aan noodzaak. De advocaat-generaal bepleitte vrijspraak wegens onvoldoende bewijs, maar de Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde de bewezenverklaring.
Wel wees de advocaat-generaal op de overschrijding van de redelijke termijn en stelde een strafvermindering voor. De conclusie van de advocaat-generaal strekt tot vernietiging van de strafoplegging en strafvermindering, met verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen, maar de strafoplegging wordt vernietigd en verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.