ECLI:NL:PHR:2024:1290

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 december 2024
Publicatiedatum
30 november 2024
Zaaknummer
22/03333
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 302 SrArt. 6 lid 1 EVRMArt. 328 SvArt. 315 SvArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor zware mishandeling ondanks twijfel over fysieke belastbaarheid verdachte

De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken van zware mishandeling, maar het gerechtshof Den Haag veroordeelde hem in hoger beroep tot een taakstraf en een gedeeltelijke gevangenisstraf wegens het met een hamer slaan op de rechterhand van de aangever, waarbij zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

De verdachte ontkende de mishandeling en stelde dat hij belaagd werd door buren en slechts de hamer had gepakt om zich te verdedigen. Zijn raadsman voerde onder meer een beroep op noodweerexces en vroeg om nader deskundigenonderzoek naar de belastbaarheid van de hand van de verdachte, omdat hij niet met kracht zou kunnen slaan.

Het hof achtte de verklaringen van de aangever en getuige betrouwbaar en concludeerde dat het letsel, een gebroken bot met blijvend letsel, het gevolg was van het slaan met een hamer door de verdachte. Het verzoek tot nader onderzoek werd afgewezen wegens gebrek aan noodzaak. De advocaat-generaal bepleitte vrijspraak wegens onvoldoende bewijs, maar de Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde de bewezenverklaring.

Wel wees de advocaat-generaal op de overschrijding van de redelijke termijn en stelde een strafvermindering voor. De conclusie van de advocaat-generaal strekt tot vernietiging van de strafoplegging en strafvermindering, met verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen, maar de strafoplegging wordt vernietigd en verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/03333
Zitting3 december 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 9 september 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens zware mishandeling, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren (50 dagen vervangende hechtenis) en een gevangenisstraf voor de duur van 43 dagen, waarvan 42 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en algemene en bijzondere voorwaarden zoals nader in het arrest is vermeld. Verder heeft het hof beslist over de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en P. van Dongen, ten tijde van de indiening van de cassatieschriftuur beiden advocaat te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het eerste middel

2.1
Het middel is gericht tegen de bewezenverklaring van zware mishandeling en valt uiteen in vier deelklachten. Alvorens deze deelklachten te benoemen en bespreken, geef ik eerst de procesgang, hetgeen ter zitting van het hof door de officier van justitie en de raadsman naar voren is gebracht, de bewezenverklaring en de motivering van het hof weer.
2.2
Aan de verdachte is primair ten laste gelegd, kort gezegd, de zware mishandeling van [aangever] (hierna: de aangever) door (met kracht) met een hamer op zijn rechterhand te slaan. De politierechter heeft de verdachte in eerste aanleg van deze tenlastelegging vrijgesproken. Het openbaar ministerie heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
2.3
De verdachte heeft tegenover zowel de politie als de politierechter en het hof ontkend dat hij het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Ter zitting van het hof heeft de verdachte onder meer het volgende verklaard:
“Ik ging die dag, 29 juli 2020, mijn huis in tussen 16:00 uur en 17:00 uur. Ineens hoorde ik gebonk op mijn deur. Drie van mijn buren stonden op mijn deur te bonken. Mijn buren riepen: 'kom vechten'. Ik heb toen de politie gebeld. De politie kwam en ik heb mijn verhaal gedaan. Een uur later deed ik mijn deur open en toen vlogen de buren mij aan met stokken. Eén van de buren gooide een mat tussen de deur, waardoor ik mijn deur niet dicht kon doen. Er stond een hamer in het halletje bij de voordeur. Ik pakte die hamer. Toen trok ik de mat weg en deed ik de deur dicht. Ik heb weer 112 gebeld. Alles staat op die band. De buren stonden tekeer te gaan op mijn deur. Vervolgens kwam de politie weer en renden de buren weg. Zes dagen later vertelde de politie mij ineens dat ik iemand met een hamer zou hebben geslagen. Dat is niet waar. Ik heb deze mensen nooit lastiggevallen.
De buren begonnen met roepen dat ik naar beneden moest komen. Ik heb veel last gehad van deze buren. Zelf heb ik helemaal niets geroepen. De hamer stond bij mij binnen. De hamer is niet in beslag genomen en er is geen onderzoek gedaan. Het is een normale, standaard hamer van ijzer met alleen een ronde voorkant. U vraagt mij wanneer ik de hamer heb gepakt. Toen ik mijn deur opende kwam een van de buren met stokken op mij af. Een van de buren gooide een mat. Toen pakte ik de hamer.
Ik kon de deur niet dicht doen doordat de mat er tussen zat. Ik pakte toen de mat en deed de deur dicht. Vervolgens gingen de buren los op mijn deur. Zij hebben niet gezien dat ik een hamer heb gepakt. Ik voelde mij onveilig. Ik ben bijna 65 jaar oud en de buren zijn jongens van 25 jaar oud. Ik kan niet eens een hamer optillen. Ik heb niets met de hamer gedaan. Ik kan een hamer alleen met twee vingers optillen. Ik pakte de hamer om de buren af te schrikken. Ik zou er niets mee kunnen doen, maar dat weten zij niet. Ik ben afgekeurd aan beide handen. Als ik de agressor zou zijn, dan zou ik toch niet de politie bellen. Ik heb twee keer de politie gebeld. Later hoorde ik dat de buren ook de politie hebben gebeld.
(...)
De mat die in de gang werd gegooid was een rubberen mat. Toen de mat werd gegooid, pakte ik de hamer die bij mijn schoenen stond. Daarna pakte ik de mat, gooide de mat naar buiten en deed de deur dicht. Dat deed ik met mijn linkerhand. Met links kon ik die mat wel weggooien. Met mijn rechterhand had ik met twee vingers die hamer vast.
(…)
U vraagt mij hoe zwaar de deurmat was. Hij was gewoon van rubber. U vraagt mij of ik twee vuisten zou kunnen maken om te slaan. Dat kan ik niet, omdat ik geen kracht heb in mijn vingers.” [1]
2.4
Ter zitting van het hof heeft de advocaat-generaal vrijspraak gevorderd. Daaraan heeft de advocaat-generaal het volgende ten grondslag gelegd:
“Aan de ene kant bevat het dossier de aangifte, die wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige] en de medische stukken. Daar tegenover staat het verhaal van de verdachte. Zijn verhaal wordt ondersteund door de uitwerkingen van de 112-meldingen. Dit betreffen mutaties naar aanleiding van de contacten die de verdachte heeft gehad met de politie. Het valt op dat de verdachte op drie momenten contact heeft gehad met de politie. Kennelijk heeft de verdachte gelijk gebeld. De meldingen komen naar mijn mening authentiek over. Het wekt de indruk dat er wel wat is gebeurd. Er lijkt geen sprake te zijn geweest van een bot dat uitstak, zoals de benadeelde partij verklaart. Er lijkt daarnaast sprake van eerder letsel aan de pink, nu op pagina 10 van het procesdossier staat geschreven: ter vergelijking het onderzoek van 21/07/2020. Dat schept verwarring. Ik kan niet vaststellen wat de feiten zijn geweest. Bij die stand van zaken is niet goed te reconstrueren wat er is gebeurd, is er teveel twijfel en dient de verdachte vrijgesproken te worden.” [2]
2.5
De raadsman heeft vrijspraak bepleit en subsidiair een beroep op noodweer(exces). Ook heeft hij een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het verrichten van nader onderzoek door een deskundige naar de belastbaarheid van de hand van de verdachte. Het proces-verbaal van de zitting vermeldt het volgende:
“De politie heeft behoorlijke steken laten vallen waardoor er leemtes in het dossier zitten. Cliënt zegt dat hij een platte hamer had zonder klauw. Mijns inziens zou je in de regel met een klap op de hand een fractuur krijgen, maar een uitstekend bot zou ik niet verwachten. Het letsel dat is geconstateerd, past niet bij het object waarmee geslagen zou zijn.
Men had kunnen kijken of er bloed op de hamer zat. Er zijn alleen maar meer vraagtekens ontstaan door de wijze waarop de politie zich heeft opgesteld. Een FARR-verklaring ontbreekt. Derhalve kan niet vastgesteld worden dat het letsel veroorzaakt is door de gedraging die is tenlastegelegd. De logica ontgaat mij in deze zaak. Cliënt belt twee keer met de alarmlijn. Ik zie er niet de logica van in dat hij daarna iemand aan zou vallen. Het is een oudere man met een lichamelijke beperking. Hij kon de hamer enkel met een pincetgreep vastpakken, maar om echt een hamer te hanteren en slaan, daar moet je kracht voor hebben. Dat is waar het stuk loopt. Er is sprake van een evidente beperking in de belastbaarheid van de hand van cliënt. Hij kan met rechts geen vuist maken. Dan kan je geen hamer hanteren.
Daarnaast kunnen er vraagtekens worden geplaatst bij het letsel van aangever. Het letsel is zonder operatief ingrijpen verholpen, terwijl dat mijns inziens niet logisch is wanneer het bot uitsteekt. Ik zie enorme hiaten. Cliënt heeft consistent verklaard dat hij belaagd is. Dat blijkt uit de 112- meldingen en kan ook breder in het dossier worden teruggevonden. Er zijn gaten in de deur van cliënt geslagen. Daaruit blijkt duidelijk de belaging. Daarnaast blijkt het uit de aanlooproute. Als cliënt zo vervelend was, dan had niemand langs zijn woning hoeven lopen. Zij hebben ook nog eens een langere route afgelegd. Het gaat om een langer conflict met cliënt. Er zijn pogingen ondernomen om hem uit zijn woning te krijgen. Derhalve is het meer dan logisch dat er eenstemmig wordt verklaard over de aanloop. Er is ook een alternatief scenario mogelijk dat niet kan worden uitgesloten. Op het moment dat je flink tekeer gaat tegen een deur, dan loop je het risico dat een object terug zwiept. Dat kan mogelijk het letsel verklaren. Er kan niet vastgesteld worden dat het letsel is veroorzaakt door een hamer. De hamer is niet eens gevonden. Als je in je eigen omgeving belaagd wordt en de belagers in de fysieke meerderheid zijn, dan is er sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Uiterst subsidiair is er sprake van noodweer, dan wel noodweerexces. Mocht het hof toch overgaan tot veroordeling, dan wil ik voorwaardelijk verzoeken om nader onderzoek door een deskundige naar de belastbaarheid van de hand van de verdachte, om te bezien of hij een klap met een hamer heeft kunnen geven.
Ik refereer mij ten aanzien van de eventueel op te leggen straf.” [3]
2.6
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:
“hij op 29 juli 2020 te [plaats] aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken bot in de rechterhand van die [aangever] en een blijvend verzakte knokkel, heeft toegebracht door (met kracht) met een hamer op de rechterhand van die [aangever] te slaan.”
2.7
Daartoe heeft het hof, voor zover van belang voor de bespreking van het middel, het volgende overwogen:
“Bewijsoverwegingen
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Ter onderbouwing heeft de raadsman - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de verdachte degene is die belaagd werd door onder andere de aangever en dat voorts niet vastgesteld kan worden dat het letsel van het slachtoffer is veroorzaakt door een platte hamer, welke de verdachte overigens gelet op zijn beperkingen ook niet goed kan hanteren, aldus de verdediging. Het hof acht op grond van het navolgende wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. [4]
[aangever] (hierna: de aangever) heeft verklaard dat hij op 29 juli 2020 over de galerij van de flat op de [a-straat] in [plaats] liep. Toen hij voor de deur van de verdachte liep, zag hij dat deze deur ineens werd geopend en dat de verdachte met zijn arm uithaalde. Aangever voelde dat een voorwerp met kracht tegen zijn rechterhand aan kwam. Als gevolg hiervan stak een botje van de rechterhand bij zijn pink onder de knokkel naar buiten. [5]
De verklaring van aangever vindt steun in de verklaring van getuige [getuige] (hierna: de getuige). De getuige heeft verklaard dat hij op 29 juli 2020 samen met aangever langs het huis van de verdachte liep. Plotseling ging de deur open en maakte de verdachte een zwaaiende beweging met een voorwerp, op hoofdhoogte van aangever, aldus de getuige. De getuige heeft verklaard dat aangever op dat moment zijn handen voor zijn gezicht hield, waarbij het voorwerp de hand van aangever raakte. Hij zag dat de hand van aangever bebloed was. De getuige heeft voorts verklaard dat de verdachte nog even in zijn deuropening stond, waarbij de getuige zag dat de verdachte een hamer vast had. [6]
Anders dan de raadsman heeft betoogd, acht het hof de verklaringen van de aangever en de getuige betrouwbaar. De verklaringen zijn in hoge mate consistent, genuanceerd en op wezenlijke punten met elkaar in overeenstemming. Zowel de aangever als de getuige zijn gehoord bij de rechter-commissaris, waarbij zij hun eerdere verklaringen in de kern hebben bevestigd. Het hof ziet geen reden te twijfelen aan de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebezigde verklaringen van de aangever en de getuige. Het feit dat de verklaringen op ondergeschikte onderdelen verschillen, doet daar niet aan af.
Voorts overweegt het hof dat de aanwezigheid van de hamer tijdens het incident wordt bevestigd door de verklaring van de verdachte zelf, namelijk dat er een hamer bij zijn deur stond en hij deze hamer heeft gepakt. [7]
De aangifte vindt voorts steun in de medische stukken, waaruit volgt dat de aangever nog dezelfde dag, op 29 juli 2020, naar de spoedeisende hulp is gegaan, waarbij een fractuur in de rechterhand is vastgesteld. [8] Voorts volgt uit het verslag van 30 juli 2020 dat er mogelijk sprake was van een (mogelijk) open fractuur, hetgeen past bij de verklaring van aangever. [9]
Door de verdediging is aangevoerd dat het letsel mogelijk op een eerder moment is ontstaan, nu in het medisch stuk op pagina 11 van het dossier staat geschreven: "ter vergelijking het onderzoek van 21/07/2020". Het hof gaat er echter van uit dat dit een verschrijving betreft, gelet op het verslag van het onderzoek van 29 juli 2020, waarin staat vermeld dat er geen oud onderzoek is ter vergelijking. [10] Derhalve staat naar het oordeel van het hof vast dat aangever het letsel op 29 juli 2020 heeft opgelopen.
Het hof is voorts van oordeel dat het letsel dat bij het slachtoffer is veroorzaakt, als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Dit letsel, te weten een gebroken bot in de rechterhand, was van dien aard dat medisch ingrijpen (in de vorm van repositie en gips gedurende vier weken) noodzakelijk is gebleken, [11] terwijl thans nog geen uitzicht is op (volledig) herstel.
Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij volgt immers dat de aangever blijvend letsel heeft aan zijn pink, nu de knokkel in zijn rechterhand is verzakt. [12]
Voorts is aangever op 12 maart 2021 onderzocht op de polikliniek Chirurgie, waar is vastgesteld dat aangever zijn vingers nog niet volledig kan strekken en nog steeds pijn ervaart. [13]
De stelling dat de verdachte fysiek niet is staat zou zijn om iemand een klap met een hamer te geven stelt het hof gelet op het voorgaande als ongeloofwaardig terzijde.
De door de verdediging in dat verband (in eerste aanleg) ingebrachte stukken wijzen naar het oordeel van het hof niet in een andere richting. Daarbij merkt het hof ten overvloede nog op dat de verdachte heeft verklaard dat hij de hamer heeft gepakt om daarmee te dreigen, hetgeen niet goed te rijmen is met de stelling van de verdachte dat hij een hamer niet goed kan vasthouden.
Gelet op het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de aangever opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door met een hamer op de rechterhand van de aangever te slaan.
Voorwaardelijk verzoek
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bij pleidooi (voorwaardelijk) verzocht om nader onderzoek door een deskundige naar de belastbaarheid van de hand van de verdachte, om te bezien of hij een klap met een hamer heeft kunnen geven.
Het hof wijst dat verzoek af, omdat de noodzaak daartoe ontbreekt. Het hof acht zich - mede gelet op hetgeen hiervoor reeds in het kader van de bewijsvraag is overwogen - op basis van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting voldoende voorgelicht.”
2.8
Het middel bevat in de eerste plaats de klacht dat uit hetgeen het hof in de bewijsmiddelen heeft vastgesteld niet kan volgen dat sprake is geweest van operatief ingrijpen, laat staan van operatief ingrijpen van een zekere ernst. Volgens de steller van het middel is de bewezenverklaring daarom onvoldoende met redenen omkleed.
2.9
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kunnen als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Specifiek over (bot)fracturen overweegt de Hoge Raad dat indien sprake is van een zodanige fractuur dat operatief ingrijpen van een zekere ernst is vereist, in de regel geldt dat die fractuur, vanwege onder meer de noodzaak en de aard van medisch ingrijpen, zwaar lichamelijk letsel vormt. Daarbij overweegt de Hoge Raad evenwel dat relevant medisch ingrijpen ook kan bestaan uit een andere medische behandeling dan operatief ingrijpen. Indien uit de bewijsvoering niets blijkt omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel zal dat aanleiding kunnen geven tot cassatie. [14]
2.1
Het hof heeft ten aanzien van het letsel, een botfractuur in de rechterhand, vastgesteld dat dit van dien aard was dat medisch ingrijpen (in de vorm van repositie en gips gedurende vier weken) noodzakelijk is gebleken en dat ten tijde van het wijzen van het arrest nog geen uitzicht was op (volledig) herstel. Beide vaststellingen vinden steun in de door het hof daartoe gebezigde bewijsmiddelen, te weten een brief van het IJsselland ziekenhuis van 30 juli 2020, de toelichting op de (door de verdediging niet betwiste) vordering van de benadeelde partij en een brief van het Franciscus Gasthuis waaruit volgt dat de aangever in ieder geval op 12 maart 2021 (ruim zeven maanden na de ten laste gelegde datum) de vingers van zijn hand nog niet kan strekken en nog steeds pijn heeft. Gelet hierop acht ik het oordeel van het hof dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel voldoende en niet onbegrijpelijk gemotiveerd, zodat de klacht faalt.
2.11
In de tweede deelklacht wordt geklaagd dat het hof niet heeft gereageerd op een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt “ten aanzien van de 112-meldingen”. Over deze deelklacht kan ik kort zijn. Hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht ten aanzien van de 112-meldingen merk ik niet aan als een ingenomen standpunt dat “duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie” ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht [15] . De raadsman heeft blijkens het proces-verbaal tweemaal gewezen op de 112-meldingen van de verdachte. De raadsman leidt hier op de eerste plaats uit af dat het niet logisch is dat de verdachte na het doen van die meldingen iemand zou aanvallen. Verderop in zijn pleidooi verwijst de raadsman naar de 112-meldingen als ondersteuning voor de verklaring van de verdachte dat hij (door de aangever en de getuige) is belaagd, hetgeen hij inbedt in het alternatieve scenario dat de aangever niet door de verdachte (met een hamer) is geslagen maar in plaats daarvan letsel heeft opgelopen bij het slaan tegen de deur van de woning van de verdachte. Hieruit blijkt dat hetgeen naar voren is gebracht met betrekking tot de 112-meldingen ter onderbouwing diende van een bewijsverweer c.q. een alternatief scenario. Ten overvloede merk ik op dat het hof dit alternatieve scenario, impliciet, ter zijde heeft geschoven door uit te gaan van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever en de getuige en dat het hof (in het kader van het noodweerverweer) ten aanzien van de gestelde belaging de verklaring van de verdachte over de gang van zaken niet aannemelijk heeft geacht. De deelklacht faalt.
2.12
De derde deelklacht betreft het oordeel van het hof dat de in het medisch stuk voorkomende zin "ter vergelijking het onderzoek van 21/07/2020" een verschrijving betreft nu in een ander verslag van het onderzoek van 29 juli 2020 staat vermeld dat er geen oud onderzoek is ter vergelijking, zodat naar het oordeel van het hof vaststaat dat aangever het letsel op 29 juli 2020 heeft opgelopen. Dit oordeel is volgens de steller van het middel onbegrijpelijk omdat de betreffende zinssnede niet kan worden aangemerkt als een onmiddellijk herkenbare kennelijke verschrijving, zoals bijvoorbeeld een tekst van een tenlastelegging, die abusievelijk niet is doorgehaald. Deze klacht faalt. Het oordeel waartegen de klacht zich keert berust op een waardering van de bewijsmiddelen die aan het hof is voorbehouden.
2.13
Tot slot wordt in een deelklacht opgekomen tegen de afwijzing van het door de raadsman voorwaardelijk gedaan verzoek tot het laten verrichten van nader onderzoek naar de belastbaarheid van de hand van de verdachte om te bezien of verdachte (met kracht) een klap met een hamer heeft kunnen geven. Betoogd wordt dat de afwijzing onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen is omkleed gelet op hetgeen is aangevoerd en de kennelijke bestaande twijfel bij zowel de politierechter als de advocaat-generaal ten aanzien van de vraag of de verdachte fysiek in staat is geweest om het feit te plegen. Daarbij wordt gewezen op de omstandigheid dat in eerste aanleg stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat de verdachte slechts een pincetgreep kan maken en dus niet met kracht heeft kunnen slaan met de hamer. De omstandigheid dat de verdachte de hamer met een pincetgreep heeft kunnen vastpakken betekent volgens de steller van het middel niet dat de verdachte vervolgens met kracht met de hamer heeft kunnen slaan.
2.14
De verdachte heeft blijkens het proces-verbaal ter zitting betwist dat hij met een hamer heeft geslagen. Hij heeft verklaard een hamer slechts met twee vingers te kunnen optillen en geen twee vuisten te kunnen maken omdat hij geen kracht heeft in zijn vingers. De verdachte heeft verklaard de hamer te hebben gepakt om zijn buren af te schrikken, maar dat hij er niets mee zou kunnen doen. De raadsman heeft bepleit dat sprake is van een evidente beperking in de belastbaarheid van de hand van cliënt, dat de verdachte met rechts geen vuist kan maken en dat het (met kracht) hanteren van een hamer dan niet mogelijk is.
2.15
Het hof heeft de verklaringen van de aangever en de getuige betrouwbaar geacht en op basis van die verklaringen vastgesteld dat de aangever met een voorwerp tegen zijn hand is geslagen en dat de verdachte daarna met een hamer in zijn hand in de deuropening stond. De stelling dat de verdachte fysiek niet in staat zou zijn iemand met een hamer een klap te geven heeft het hof als ongeloofwaardig ter zijde gesteld. Daarbij heeft het hof blijkens zijn motivering de door de verdediging (in eerste aanleg) ingebrachte stukken – ik begrijp dat dit de stukken zijn waarop de steller van het middel wijst – betrokken. Vervolgens heeft het hof het verzoek om nader onderzoek door een deskundig te laten verrichten afgewezen omdat de noodzaak hiertoe ontbreekt. Het hof acht zich op basis van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting reeds voldoende voorgelicht en verwijst daarbij naar voornoemde bewijsoverwegingen. Nu het gaat om een verzoek ex art. 328 jo Pro. 315 Sv heeft het hof de juiste maatstaf aangelegd. Gelet op het voorgaande acht ik het oordeel van het hof, ook in het licht van wat door de verdediging is aangevoerd, voldoende en niet onbegrijpelijk gemotiveerd. De deelklacht faalt.

3.Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn

3.1
Ambtshalve wijs ik op de redelijke termijn in cassatie. Het cassatieberoep is ingesteld op 9 september 2022. Dit betekent dat de redelijke termijn van berechting zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro reeds is overschreden en dus ook overschreden zal zijn wanneer de Hoge Raad uitspraak zal doen. Indien het middel niet slaagt, dient dit te leiden tot strafvermindering in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen. [16]

4.Conclusie

4.1
Het middel faalt. Nu de verdachte in eerste aanleg door de politierechter is vrijgesproken van het ten laste gelegde, het hof in hoger beroep tot een veroordeling is gekomen en naar mijn oordeel in cassatie tevergeefs is geklaagd over de bewijsvoering en bewezenverklaring van dit feit door het hof, ligt afdoening van het middel met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering niet in de rede.
4.2
Ambtshalve heb ik, behoudens hetgeen hiervoor is opgemerkt over de overschrijding van de redelijke termijn, geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot strafvermindering volgens de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Proces-verbaal van de zitting van het hof d.d. 26 augustus 2022, p. 2-3.
2.Proces-verbaal van de zitting van het hof d.d. 26 augustus 2022, p. 5.
3.Proces-verbaal van de zitting van het hof d.d. 26 augustus 2022, p. 5-7.
4.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit - tenzij anders vermeld - de pagina's van het proces-verbaal met het nummer PL1700-2020253727, van de politie eenheid Rotterdam, district Rijnmond-Oost, bureau Basisteam IJsselland, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 54).
5.Proces-verbaal van aangifte (p. 5 t/m 7).
6.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] (p. 29-31).
7.Proces-verbaal ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Rotterdam d.d. 20 december 2021, inhoudende de verklaring van de verdachte zoals weergegeven op p. 1 en 2 van voornoemd proces-verbaal.
8.Een geschrift, te weten een brief van het IJsselland ziekenhuis d.d. 30 juli 2020 (p. 16).
9.Een geschrift, te weten een brief van het IJsselland ziekenhuis d.d. 30 juli 2020 (p. 16).
10.Een geschrift, te weten het verslag van de radioloog d.d. 29 juli 2020 (p. 14).
11.Een geschrift, te weten een brief van het IJsselland ziekenhuis d.d. 30 juli 2020 (p. 16) en een geschrift, te weten een brief van het Franciscus Gasthuis d.d. 12 maart 2021.
12.Een geschrift, te weten de schriftelijke toelichting op de vordering van de benadeelde partij d.d. 21 december 2020, ingediend door mr. P.P.E. Buchele, (destijds) raadsvrouw van de benadeelde partij [aangever] (p. 1).
13.Een geschrift, te weten een brief van het Franciscus Gasthuis d.d. 12 maart 2021.
14.Zie onder meer HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051, NJ 2020/200, m.nt. H.D. Wolswijk en HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1969.
15.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Y. Buruma.
16.HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106, m.nt. N. Keijzer, rov. 2.5.