ECLI:NL:PHR:2024:1316

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 oktober 2024
Publicatiedatum
3 december 2024
Zaaknummer
22/04713
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10.23 Wet milieubeheerArt. 1a Wet op de economische delictenArt. 2, vierde lid, Wet op de economische delictenArt. 18 Afvalstoffenverordening Amsterdam 2009Art. 22 Afvalstoffenverordening Amsterdam 2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens overtreding milieuwetgeving

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor overtreding van artikel 10.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer. De economische politierechter had eerder een veroordeling uitgesproken, welke het hof grotendeels bevestigde, maar daarbij geen straf oplegde. De Procureur-Generaal betoogt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 427, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

De kern van het geschil betreft de uitleg van artikel 427, derde lid, Sv, dat uitzonderingen regelt op de ontvankelijkheid van cassatieberoepen tegen overtredingen van lagere regelgeving, zoals gemeentelijke verordeningen. Hoewel de overtreding betrekking heeft op een gemeentelijke afvalstoffenverordening, is de strafbaarheid gebaseerd op een voorschrift krachtens de Wet milieubeheer. De conclusie is dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is omdat de overtreding niet onder de uitzondering van artikel 427, derde lid, Sv valt.

De conclusie bevat een uitgebreide toelichting op de achtergrond en de bedoeling van artikel 427, derde lid, Sv, waarbij wordt gewezen op het amendement dat het artikel invoerde en het onderscheid tussen overtredingen van gemeentelijke verordeningen en die van hogere regelgeving. Tevens wordt opgemerkt dat de uitzonderingsbepaling in het nieuwe Wetboek van Strafvordering wordt geschrapt. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens toepassing van artikel 427, derde lid, Wetboek van Strafvordering.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/04713 E
Zitting1 oktober 2024

CONCLUSIE

B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte
De economische kamer van het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 13 december 2022 het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Amsterdam bevestigd voor zover de verdachte daarin is veroordeeld wegens ‘overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 10.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer’, behoudens ten aanzien van de strafoplegging. Het hof heeft bepaald dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Er bestaat samenhang met de zaken 22/04708 en 22/04709. In deze beide zaken is het cassatieberoep op 25 juni 2024 niet-ontvankelijk verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.A.A. Maat, advocaat in Goes, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
De ontvankelijkheid van het cassatieberoep vraagt evenwel de aandacht. Art. 427 Sv Pro luidt, voor zover van belang, als volgt: [1]
‘1. Tegen de arresten van de gerechtshoven, als uitspraak gegeven, betreffende misdrijven staat beroep in cassatie open voor het openbaar ministerie bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan, en de verdachte.
2. Tegen arresten van de gerechtshoven, als uitspraak gegeven, betreffende overtredingen staat beroep in cassatie open voor het openbaar ministerie bij het gerecht dat het arrest heeft gewezen, en de verdachte, tenzij terzake in de einduitspraak:
a. met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel werd opgelegd, of
b. geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum – of, wanneer bij het arrest twee of meer geldboetes werden opgelegd, geldboetes tot een gezamenlijk maximum – van EUR 250.
3. Tegen de arresten, bedoeld in het tweede lid, onder a en b, staat niettemin beroep in cassatie open indien zij een overtreding betreffen van een verordening van een provincie, een gemeente, een waterschap of een met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen ingesteld openbaar lichaam.’
5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
‘op 7 februari 2019 te Amsterdam in de Fred. Roeskestraat een papieren zakdoek op de grond heeft gegooid en achtergelaten zonder gebruik te maken van een van gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven bak of mand of soortgelijke voorwerp.’
6. Ingevolge art. 1a, aanhef en onder 3o, Wet op de economische delicten zijn overtredingen van art. 10.23 Wet milieubeheer economische delicten ‘voor zover aangeduid als strafbare feiten’. [2] Ingevolge art. 2, vierde lid, WED gaat het om overtredingen.
7. Art. 10.23 Wet milieubeheer luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit als volgt: [3]
‘1. De gemeenteraad stelt in het belang van de bescherming van het milieu een afvalstoffenverordening vast.
2. Onverminderd artikel 10.14 wordt bij het vaststellen of wijzigen van de verordening rekening gehouden met het gemeentelijke milieubeleidsplan, indien in de gemeente een milieubeleidsplan geldt.
3. De afvalstoffenverordening bevat geen regels als bedoeld in artikel 10.48.’
8. De economische politierechter heeft onder de toepasselijke wettelijke voorschriften art. 18 Afvalstoffenverordening Amsterdam 2009 vermeld. Dat artikel luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit als volgt: [4]
‘1. Het is verboden straatafval in de openbare ruimte achter te laten zonder gebruik te maken van de van gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven bakken, manden of soortgelijke voorwerpen.
2. Het is verboden om andere afvalstoffen dan straatafval achter te laten in daartoe van gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven bakken, manden of soortgelijke voorwerpen.’
9. Art. 22 Afvalstoffenverordening Amsterdam 2009 maakte duidelijk dat een gedraging in strijd met art. 18 een Pro strafbaar feit in de zin van art. 1a, onder 3o, Wet op de economische delicten was.
10. Uit een en ander blijkt dat het bewezenverklaarde een economisch delict betreft. Tegelijk volgt de strafbaarheid uit een verordening van een gemeente. Dat doet de vraag rijzen of de uitzondering van art. 427, derde lid, Sv van toepassing is.
11. De redactie van art. 427 Sv Pro wijst in samenhang met de kwalificatie van de overtreding in de richting van een ontkennend antwoord. De verdachte is in de onderhavige zaak niet veroordeeld wegens overtreding van een verordening van een gemeente, maar wegens overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 10.23, eerste lid, Wet milieubeheer.
12. De achtergrond van art. 427, derde lid, Sv wijst in dezelfde richting. Het artikellid is terug te voeren op een amendement dat is aangenomen bij de behandeling van de wet die het beroep in cassatie in lichte overtredingszaken uitsloot en de schriftuurverplichting invoerde. [5] Het amendement strekte er blijkens de toelichting toe te voorkomen dat de Hoge Raad de controle op de lagere regelgeving ‘bijvoorbeeld ten aanzien van de vraag of zij strijdig is met hogere regelgeving’ wordt ontnomen. Daarbij lijkt in het bijzonder te zijn gedacht aan APV-bepalingen die in strijd zijn met de vrijheid van meningsuiting. [6] Dat duidt erop dat het artikellid ziet op overtredingen van verordeningen waar, voor zover het de gemeente betreft, op grond van de Gemeentewet straf op is gesteld. [7]
13. Een andere uitleg zou ook impliceren dat de enkele omstandigheid dat het overtreden voorschrift uiteindelijk op gemeentelijk of provinciaal niveau is geformuleerd, meebrengt dat de hoofdregel van art. 427, tweede lid, Sv niet van toepassing is. Dat zou een oneigenlijke consequentie verbinden aan een keuze die op gronden die met de uitvoering van de betreffende wettelijke regeling samenhangen gemaakt wordt. Daarbij zijn er verschillende manieren waarop de normstelling over de wettelijke regeling en lagere regelgeving verdeeld kan worden. Een interpretatie waarin art. 427, derde lid, Sv alleen ziet op verordeningen die (wat gemeentes betreft) zijn vastgesteld op grond van art. 154 Gemeentewet Pro heeft zo bezien ook het voordeel van helderheid.
14. Vermelding verdient nog dat de uitzonderingsbepaling voor overtredingen van verordeningen van lagere overheden in het voorstel van het nieuwe Wetboek van Strafvordering wordt geschrapt. [8]
15. Een en ander brengt mee dat ik meen dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Ingeval Uw Raad anders oordeelt, ben ik graag bereid aanvullend te concluderen.
16. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Het artikel is het laatst gewijzigd door de Wet stroomlijnen hoger beroep,
2.Zie de Wet structuur beheer afvalstoffen,
3.Na inwerkingtreding van de Wet van 28 maart 2013,
4.https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR220207/3.
5.Wet van 28 oktober 1999,
7.Vgl. HR 10 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC9136,