Conclusie
Nummer22/01089
Bewezenverklaring, bewijsvoering, strafmotivering en pleitnota
Standpunt van de verdediging
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf voor feitelijk leiding geven aan witwassen, gepleegd via zijn onderneming die contant geld investeerde in voertuigen. Het hof oordeelde dat het startkapitaal van circa €190.000 afkomstig was uit criminele activiteiten, omdat de verklaring van verdachte over een lening van zijn neef uit België niet geloofwaardig was.
Verdachte stelde dat hij het geld legaal had geleend van zijn neef, ondersteund door een leningsovereenkomst en verklaringen van getuigen. De neef ontkende aanvankelijk de lening, later gaf hij een tegenstrijdige verklaring. Het hof vond de eerste verklaring van de neef geloofwaardiger en concludeerde dat het Openbaar Ministerie voldoende onderzoek had gedaan.
De Hoge Raad behandelde twee cassatiemiddelen: het eerste betrof de beoordeling van de herkomst van het geld en het onderzoek daarnaar, het tweede de bewezenverklaring van witwassen over de gehele periode. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de bewijslast juist had toegepast en dat de straf passend was. Wel werd de strafduur verminderd vanwege schending van de redelijke termijn.
De zaak benadrukt het belang van een concrete, verifieerbare verklaring van de verdachte over de herkomst van geld bij witwaszaken en de plicht van het Openbaar Ministerie om onderzoek te doen naar dergelijke verklaringen. De Hoge Raad bevestigt dat het verhullen en omzetten van geld een voortdurend delict is en dat het hof terecht een gevangenisstraf oplegde.
Uitkomst: De veroordeling voor feitelijk leiding geven aan witwassen wordt bevestigd, met een strafvermindering tot negen maanden gevangenisstraf wegens termijnoverschrijding.