In deze zaak werd verdachte door de politierechter veroordeeld tot een taakstraf van 50 uur wegens schuldheling en oplichting van een fiets. Verdachte stelde hoger beroep in tegen dit vonnis. Het gerechtshof Amsterdam verklaarde verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep op grond van artikel 416, tweede lid, Sv, omdat het hof meende dat geen appelschrift was ingediend.
Na de zitting bleek echter dat de verdediging wel degelijk een appelschrift had ingediend, ondersteund door e-mailcorrespondentie tussen de advocaat van verdachte en de strafgriffie van het hof. Deze correspondentie toonde aan dat de verdediging grieven tegen het vonnis had geuit en hoger beroep had ingesteld.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat het hof de niet-ontvankelijkverklaring ten onrechte had uitgesproken. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep.
Deze uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige toetsing van ontvankelijkheid in hoger beroep en het respecteren van de formele indieningsvereisten, waarbij een onterechte niet-ontvankelijkverklaring kan leiden tot vernietiging en terugwijzing.