ECLI:NL:PHR:2024:157

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 februari 2024
Publicatiedatum
12 februari 2024
Zaaknummer
22/00835
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor openlijke geweldpleging tijdens avondklokrellen Eindhoven 2021

De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf wegens openlijke geweldpleging tijdens de avondklokrellen in Eindhoven op 24 januari 2021, nadat de rechtbank hem vrijsprak. Het cassatieberoep richt zich op twee klachten: het ontbreken van bewijs dat de verdachte zich bewust was van het geldende noodbevel en de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.

Het hof stelde vast dat de verdachte aanwezig was op het Stationsplein en het 18 Septemberplein te Eindhoven, waar hij zich bewust niet onttrok aan de relschoppers en actief deelnam aan het geweld en de plunderingen. Uit bewijsmiddelen, waaronder door de verdachte gemaakte filmpjes, bleek dat hij zich bewust moest zijn geweest van het noodbevel en gebiedsverbod, ondanks zijn stelling dat hij dit niet wist.

De eerste klacht faalt omdat het hof aannemelijk heeft gemaakt dat de verdachte zich bewust was van het noodbevel en toch bleef. De tweede klacht slaagt omdat de inzendtermijn van acht maanden voor cassatie is overschreden, wat aanleiding geeft tot strafvermindering. De conclusie van de plv. AG strekt tot vernietiging van het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur, met vermindering van de straf, en verwerping van het beroep voor het overige.

Uitkomst: Strafvermindering wegens overschrijding inzendtermijn, overige klachten verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/00835

Zitting13 februari 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 8 maart 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, nadat hij voor dat feit door de rechtbank was vrijgesproken.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

2.1
Het eerste middel bevat de klacht dat het hof voor het bewijs redengevend heeft geacht dat verdachte aanwezig was op een locatie waar een noodbevel en een gebiedsverbod gold op grond waarvan het centrum van Eindhoven direct verlaten diende te worden en dat verdachte er desondanks bewust voor heeft gekozen zich niet aan een en ander te onttrekken maar gedurende langere tijd ter plaatse is gebleven, terwijl uit de bewijsmiddelen niet (zonder meer) zou blijken dat de verdachte zich ervan bewust was dat ter plekke een noodbevel en een gebiedsverbod gold.
2.2
Het hof heeft onder 1 ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:
“hij op 24 januari 2021 te Eindhoven openlijk, te weten op of aan de openbare wegen het Stationsplein en het 18 Septemberplein, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten politieambtenaren of ordehandhavers, en tegen goederen, welk geweld bestond uit het opzettelijk
- los trekken van bestrating en/of ter hand nemen van straatklinkers en/of stenen en
- gooien van stenen en/of straatklinkers en/of (andere) voorwerpen naar de Mobiele Eenheid en
- vernielen en/of schoppen en/of trappen tegen een camerapaal en
- schoppen en/of slaan tegen een voertuig van ProRail (eigendom van Leaseplan Nederland N.V.) en/of omver gooien van dat voertuig en
- ter hand nemen en/of ontsteken van vuurwerk en/of het gooien van dat vuurwerk in een voertuig van de mobiele eenheid en/of in een voertuig van ProRail en/of het in brand steken van dat voertuig en
- filmend met medeverdachten lopen en/of rennen door de binnenstad van Eindhoven en het plunderen van een voertuig van ProRail en het getalsmatig versterken van de groep relschoppers en het meebewegen in de aanvalsgolven van die medeverdachten.”
2.3
In het arrest heeft het hof een bewijsoverweging opgenomen. Deze bewijsoverweging luidt voor zover relevant als volgt (onderstrepingen mijnerzijds):

Bewijsoverwegingen
(…)
Uit de gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en (tijd)verband bezien, en het vorenoverwogene blijkt ten aanzien van de bijdrage van verdachte aan het delict naar het oordeel van het hof het volgende.
De verdachte is op 24 januari 2021 vanuit Gouda naar Eindhoven gereisd. Toen hij daar aankwam was er sprake van een reguliere demonstratie tegen de coronamaatregelen, aldus de verdachte Het hof stelt op grond daarvan vast dat de aankomst van de verdachte in Eindhoven derhalve voor 14:00 uur was omdat eerst vanaf dat tijdstip de vernielingen aan panden en ruiten een aanvang nam. Op de telefoon van de verdachte zijn tussen 14:59 uur en 16:33 uur 16 filmpjes aangetroffen van - kort gezegd - de rellen. De verdachte heeft weliswaar gesteld dat een deel van deze filmpjes niet door hem is gemaakt, maar via andere sociale media op zijn telefoon moeten zijn terecht gekomen, maar uit nader onderzoek blijkt dat niet juist te zijn. Uit dat onderzoek volgt dat alle filmpjes zijn gemaakt met de camera van de telefoon van de verdachte. Er zijn geen aanwijzingen dat een ander de telefoon van de verdachte die namiddag in bezit heeft gehad, zodat het niet anders kan zijn dan dat het de verdachte is geweest die de 16 filmpjes heeft gemaakt.
Het hof heeft de filmpjes nauwkeurig bekeken en beluisterd en heeft als eigen waarneming kunnen vaststellen dat met zekerheid het merendeel van die filmpjes is gemaakt, terwijl de verdachte zich op het Stationsplein en het 18 Septemberplein in Eindhoven bevond.
Er was ten tijde van het maken van de filmpjes aldaar sprake van grote vernielingen aan publieke en burgereigendommen plunderingen en geweld tegen de politie door een groot aantal personen. Ook was er aldaar sprake van een noodbevel en een gebiedsverbod op grond waarvan het centrum van Eindhoven direct verlaten diende te worden. De verdachte heeft er desondanks bewust voor gekozen zich niet aan een en ander te onttrekken, maar is gedurende langere tijd ter plaatse gebleven. Aan de stelling van de verdachte dat hij daar wel moest blijven omdat de treinen niet meer reden gaat het hof als ongeloofwaardig voorbij. Het is een feit van algemene bekendheid dat er vanaf het Stationsplein en het 18 Septemberplein in Eindhoven meerdere “uitwegen” zijn. Dat is op een van de filmpjes zelfs te zien. Het hof stelt dan ook vast dat de verdachte zich gedurende een langere periode bewust niet heeft gedistantieerd van de - eenvoudig gezegd - relschoppers. Integendeel, uit de filmpjes blijkt dat de verdachte juist bewust de plekken op het Stationsplein en het 18 Septemberplein opzoekt op het moment dat het geweld escaleert:
- nadat nabij de Bijenkorf aan het 18 Septemberplein stenen in de richting van een MEbusje worden gegooid loopt de verdachte in de richting van de menigte en bevindt zich dan tussen de personen die stenen in de richting van dat busje gooien. Er zijn rammelende stenen te horen, hetgeen past bij het uit de bestrating halen van stenen die vervolgens worden gegooid;
- nadat de politie wordt toegestaan om traangas te gebruiken, is de verdachte in de nabijheid daarvan en filmt de vluchtende relschoppers die rond hem heen draaien en teksten scanderen als “politie, politie, hoeren van justitie” om vervolgens zelf ook weg te lopen en een en ander becommentarieert met de tekst: “Overal traangas alles. Nederland gaat voor zichzelf opkomen”;
- op het moment dat er een brandje is en uit de richting van dat brandje juichgeluiden te horen zijn, loopt de verdachte die richting op en filmt op enige afstand het door een aantal personen slopen en omvertrekken van een camerapaal;
- de verdachte staat op 1 a ½ meter van een pro-railauto die op zijn kant ligt. Hij staat dan tussen mensen die op die auto intrappen. Vervolgens staat hij bijna tegen de auto aan, terwijl er wordt geroepen “de fik er in, de fik er in”;
- op enig moment heeft de verdachte een zaklamp uit die auto gestolen;
- terwijl hij vanaf een afstandje de brandende auto filmt, becommentarieert hij dat met de tekst: “ja, dat is handig zo’n pro rail helm op je kop zetten” en “heb ik toch maar mooi die Maglite eruit gehaald voor die brand er in ging” en “anarchie jongen” en
- de verdachte bevindt zich in de nabijheid van een brandje en de vernieling van de pui van het NS station en becommentarieert dat met de tekst: “Dat krijg je als je het volk de vrijheid afpakt jongen”.
Hoewel de verdachte de door hem gebezigde teksten niet met luide stem heeft geroepen, stelt het hof vast dat zijn commentaar, omdat hij zich in de directe nabijheid van andere personen bevond, door die anderen wel gehoord moet zijn. Deze uitingen dragen, naar het oordeel van het hof, bij aan de sfeer van ontremming, die tot het geweld heeft geleid.
Door zich tegen de hiervoor geschetste achtergrond niet te onttrekken, heeft de verdachte bewust gekozen voor deelname aan de groep die zich op grote schaal schuldig maakte aan openlijke geweldpleging. Zijn aanwezigheid en handelen hebben aldus naar het oordeel van het hof niet alleen geleid tot een getalsmatige vermeerdering. De aanwezigheid en het handelen van de verdachte hebben ook bijgedragen aan de sfeer van ontremming, die tot het geweld jegens goederen en personen heeft geleid. Daarbij heeft de verdachte meegedaan aan de plundering van de auto van ProRail, die op enig moment op de kant is “gezet” en in brand is gestoken, heeft voor anderen hoorbaar zijn (instemmend) commentaar het gepleegde geweld geuit en aldus escalerend en op geen enkele wijze de-escalerend gehandeld.
Anders dan de verdediging is het hof tegen voormelde achtergrond en gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen van oordeel dat de verdachte op 24 januari 2021 een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld tegen goederen en personen, dat daarbij sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking met anderen van de groep relschoppers, welke bijdrage van voldoende gewicht is om te kunnen spreken van het openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen. Dat niet vastgesteld is kunnen worden dat de verdachte zelf geweldshandelingen heeft verricht doet daar niet aan af.
Aldus falen de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging. Het hof verwerpt mitsdien de verweren in al hun onderdelen.”
2.4
In het middel wordt verwezen naar de inhoud van bewijsmiddel 10. Ik citeer de inhoud hiervan:
“10. De eigen waarneming van het hof dat op de onderste foto op pagina 15 van het politiedossier (zijnde een van de foto’s opgenomen in de fotobijlage van het algemeen proces-verbaal in verband met rellen zondag 24 januari 2021 te Eindhoven) een matrixbord is te zien met de tekst: Hier geldt een noodbevel. Verlaat direct het centrum.”
2.5
Voor de inhoud van de overige bewijsmiddelen verwijs ik naar de bijlage bij het bestreden arrest.
2.6
De klacht die in het middel naar voren wordt gebracht, komt erop neer dat uit bewijsmiddel 10 wel valt af te leiden dat op het moment van de avondklokrellen in Eindhoven op 24 januari 2021 op een matrixbord stond aangegeven dat ter plaatse een noodbevel gold, maar dat hieruit niet - evenmin uit enig ander bewijsmiddel - valt af te leiden dat de verdachte zich hiervan bewust was, terwijl dit de verdachte in de bewijsoverweging wel wordt tegengeworpen.
2.7
Het middel kan niet slagen. Daartoe stel ik voorop dat ik de overweging van het hof dat de verdachte “desondanks” bewust ter plaatse is gebleven zo begrijp, dat dit in de eerste plaats terugslaat op de plunderingen, vernielingen en het geweld tegen de politie dat gaande was en daarnaast “ook” op het geldende noodbevel en gebiedsverbod. Verder stel ik vast dat het feit dat ter plaatse een noodbevel gold geen onderdeel uitmaakt van de bewezenverklaring (en ook geen deel uitmaakte van de tenlastelegging). Het gaat - zo wordt in de cassatieschriftuur overigens ook onderkend - dus hooguit om een omstandigheid die voor het hof, binnen het geheel van de bewijs- (en strafmaat)overwegingen, heeft meegewogen.
2.8
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte vanaf (in ieder geval) 14:00 uur tot 16:33 uur op het stationsplein en het 18 septemberplein is geweest, alwaar - tenminste op enig moment - het bewuste matrixbord stond, terwijl ter plaatse vanaf 14:00 uur door de Mobiele Eenheid met onder meer waterwerpers en traangas is geprobeerd mensen van deze pleinen weg te drijven (bewijsmiddel 3). Voorts volgt uit de door de verdachte gemaakte filmpjes (bewijsmiddel 6) en hetgeen de verdachte daarover in eerste aanleg (bewijsmiddel 8) en in hoger beroep (bewijsmiddel 9) heeft verklaard, dat de verdachte wist dat traangas werd ingezet. Op één van die filmpjes die door de verdachte ter plaatse is opgenomen zegt hij “Overal traangas alles. Nederland gaat voor zichzelf opkomen” (filmpje 8, bewijsmiddel 8).
2.9
Gelet op het voorgaande volgt uit de bewijsvoering van het hof evident dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest van het feit dat hij zich niet ter plaatse mocht ophouden en die plek diende te verlaten. Dat het hof de verdachte heeft tegengeworpen dat hij zich desondanks niet heeft onttrokken aan die omgeving (en aan de geweldplegingen) acht ik dan ook geenszins onbegrijpelijk.

Het tweede middel

3.1
Het middel bevat de klacht dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden.
3.2
Het cassatieberoep is ingesteld op 11 maart 2022. De stukken van het geding zijn op 29 maart 2023 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Deze overschrijding kan niet meer worden gecompenseerd door een voortvarende afdoening. Aldus komt deze zaak in aanmerking voor strafvermindering.

Afronding

4.1
Het eerste middel faalt. Het tweede middel is terecht voorgesteld.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG