ECLI:NL:PHR:2024:158

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 februari 2024
Publicatiedatum
12 februari 2024
Zaaknummer
22/00275
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring diefstal met braak en vermindert straf wegens termijnoverschrijding

De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf wegens diefstal met braak (ramkraak) in een kledingwinkel te Sint-Oedenrode op 10 december 2018. De rechtbank sprak de verdachte in eerste aanleg vrij. Het cassatieberoep richtte zich op twee middelen: een bewijsklacht en een klacht over de overschrijding van de inzendtermijn in de cassatiefase.

Het hof baseerde zijn bewezenverklaring op onder meer DNA-sporen van de verdachte op een bivakmuts die bij de ramkraak was aangetroffen, camerabeelden waarop een dader met bivakmuts te zien was, en getuigenverklaringen. De verdachte heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen en geen aannemelijke verklaring gegeven voor het aantreffen van zijn DNA op de bivakmuts. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de verdachte medepleger was.

Daarnaast werd vastgesteld dat de inzendtermijn van acht maanden in de cassatiefase was overschreden, waardoor strafvermindering op zijn plaats is. Ook is ambtshalve opgemerkt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. De conclusie van de plv. AG strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de strafduur, vermindering van de straf, en verwerping van het beroep voor het overige.

Uitkomst: Bewezenverklaring diefstal met braak bevestigd, straf verminderd wegens termijnoverschrijding.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/00275

Zitting13 februari 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 25 januari 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens "Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak", veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, nadat hij daarvan door de rechtbank was vrijgesproken.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en P. van de Kerkhof, advocaat te Tilburg, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

2.1
Het middel bevat een bewijsklacht ten aanzien van het bewezenverklaarde feit.
2.2
Ten laste van de verdachte is door het hof bewezenverklaard dat:
“hij op 10 december 2018 te Sint-Oedenrode, gemeente Meierijstad, tezamen en in vereniging met een ander uit een winkelpand aan de [a-straat 1], diverse kledingstukken toebehorende aan [winkel] B.V., heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen kleding onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.”
2.3
Het hof heeft in het bestreden arrest de volgende bewijsoverweging opgenomen:

Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
De politierechter heeft verdachte van het ten laste gelegde vrijgesproken en daartoe overwogen dat de verdenking jegens verdachte is gebaseerd op een DNA-spoor op een bivakmuts maar dit een verplaatsbaar voorwerp is en er voor het overige geen aanwijzingen zijn jegens verdachte voor betrokkenheid bij de ten laste gelegde diefstal.
De verdediging heeft zich achter dit oordeel van de politierechter geschaard.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Op maandag 10 december 2018 omstreeks 04.21 uur vond een diefstal door middel van braak (ramkraak) in kledingwinkel [winkel] aan de [a-straat 1] te Sint-Oedenrode plaats. Van deze diefstal werd op 10 december 2018 door [aangever] namens [winkel] aangifte gedaan. Met een personenauto, een Audi A3, was de ruit van de winkel verbroken. Deze personenauto bleef in/bij de winkel achter. De personenauto was voorzien van een Pools kenteken, terwijl bij controle bleek dat het een Nederlandse personenauto betrof die op 15 oktober 2018 in Kerkdriel was weggenomen.
Achter de kapotte etalageruit werd een bivakmuts aangetroffen in de etalage. Achter de etalage op een schap bevonden zich schoensporen. Achterin de winkel stond een grote tas, welke niet van de eigenaar was.
Camera’s in de winkel hebben de inbraak geregistreerd. Op de camerabeelden is waargenomen dat een persoon met een bivakmuts op en handschoenen aan, kleding uit een rek pakt. Verder is waargenomen dat een andere persoon in de winkel met versnelde pas naar die eerste persoon (met bivakmuts) loopt voordat de winkel zich vult met rook en op de beelden verder niets meer is te zien.
Door [getuige] wordt gezien dat voor de winkel - die inmiddels geheel met rook was gevuld - een personenauto met draaiende motor stond met een man achter het stuur. Nadat deze man iets in een vreemde taal had geroepen, zag deze getuige dat vanuit de voorzijde van het winkelpand een persoon kwam rennen die aan de bijrijderskant van de auto instapte waarna de auto wegreed. De persoon die uit de winkel kwam rennen, droeg geen bivakmuts.
Bij onderzoek aan de bivakmuts (binnen- en buitenzijde ter hoogte van de mond) wordt DNA van verdachte aangetroffen en wordt vastgesteld dat de kans dat dit DNA aan een ander dan verdachte toebehoort, kleiner dan 1 op 1 miljard is. Op het hengsel van de tas is een mengprofiel aangetroffen dat niet geschikt was voor vergelijkend DNA-onderzoek. Op de bivakmuts zaten witte vezels.
Verdachte heeft zich bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen. Geconfronteerd met de onderzoeksbevindingen aangaande de bivakmuts, heeft verdachte verklaard dat hij deze bivakmuts wel een keer gedragen zal hebben maar dat hij niet weet hoe die muts - na de inbraak - achter de ingereden winkelruit kan zijn terechtgekomen maar dat hij daarvoor nog wel met een verklaring zal komen.
Het hof stelt vast dat de verdachte nadien geen verklaring meer heeft afgelegd, en dat de verdachte in eerste aanleg noch ter zitting in hoger beroep is verschenen.
Het hof leidt uit het vorenstaande af dat bij de inbraak (ten minste) twee personen zijn betrokken. Gelet op het feit dat de bivakmuts direct na de inbraak en achter de kapotte etalageruit werd aangetroffen acht het hof het onwaarschijnlijk dat de bivakmuts op en ander moment dan op het moment van de inbraak in de winkel is terecht gekomen. Op de bivakmuts zaten witte vezels, terwijl op de foto daarvan te zien is dat deze is aangetroffen in de etalage, met daarin kunstsneeuw als kerstversiering. Vlak achter de etalageruit zijn op een schap schoensporen aangetroffen. Op de camerabeelden is te zien dat de dader die kleding uit een rek pakt een bivakmuts draagt.
Het hof concludeert aldus dat deze bivakmuts ten tijde van de inbraak is gedragen. Op die bivakmuts wordt (enkel) een DNA-spoor van verdachte aangetroffen.
Verdachte heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen en geen verklaring gegeven hoe zijn DNA op de bivakmuts terecht is gekomen, dan wel deze bivakmuts met zijn DNA in de winkel is terechtgekomen.
Hoewel de verdachte, die weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf niet tot het bewijs kan bijdragen, betrekt het hof in zijn bewijsoordeel dat de verdachte geen aannemelijke, de redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. Hiermee is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die de bivakmuts heeft gedragen en tezamen en in vereniging met een ander de ten laste gelegde diefstal heeft gepleegd. Hieraan doet niet af dat verdachte volgens de verdediging niet helemaal past in het signalement dat de [getuige] van de wegrennende man heeft gegeven, zoals door de raadsman is betoogd.”
2.4
Voor de bewijsmiddelen verwijs ik naar de bijlage bij het bestreden arrest.
2.5
Ik lees in de toelichting op het middel twee deelklachten. De eerste komt er kort gezegd op neer dat uit de bewijsvoering van het hof niet zonder meer zou kunnen volgen dat de bivakmuts zou zijn gedragen ten tijde van het feit (randnummer 4 van de schriftuur) en dat het de verdachte zou zijn geweest die de bivakmuts toen droeg (randnummer 5 en 6). De tweede deelklacht heeft betrekking op het gebruik voor het bewijs van de getuigenverklaring van [getuige] (randnummer 7).
2.6
De klachten kunnen niet slagen. Het hof heeft vastgesteld - en deze vaststelling wordt in cassatie niet bestreden - dat na de ramkraak in de winkel een bivakmuts is aangetroffen met daarop DNA van - uitsluitend - de verdachte, terwijl uit camerabeelden blijkt dat ten minste een van de daders ten tijde van de ramkraak een bivakmuts droeg. Het hof heeft vervolgens bij het bewijs betrokken dat de verdachte in een eerder stadium heeft aangegeven met een verklaring te zullen komen over hoe de bivakmuts in de winkel is terechtgekomen, maar dit uiteindelijk nooit meer heeft gedaan. Daarnaast past het aantreffen van de bivakmuts in de winkel bij de getuigenverklaring van [getuige] (bewijsmiddel 7), inhoudende dat de man die uit de winkel kwam rennen géén bivakmuts op had. Ook deze onderdelen van de bewijsvoering worden in cassatie niet bestreden. Het hierop gebaseerde oordeel van het hof dat het - bij afwezigheid van een (aannemelijke) verklaring van de verdachte over hoe het anders zou zijn gegaan - niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte tijdens de ramkraak ter plaatse is geweest en als medepleger van de ramkraak kan worden aangemerkt, acht ik geenszins onbegrijpelijk.
2.7
Voor zover met het middel (ook) wordt beoogd te klagen over de wijze waarop het hof is voorbijgegaan aan het ter zitting gevoerde verweer dat het door [getuige] gegeven signalement niet overeenkomt met de verdachte (vgl. randnummer 7), geldt dat deze klacht in cassatie niet wordt toegelicht, in die zin dat niet wordt beargumenteerd waarom de motivering van het hof in het licht van hetgeen ter zitting is aangevoerd tekort zou schieten. Zelf zie ik ook niet in waarom dit het geval zou zijn.
2.8
Het middel faalt.

Het tweede middel

2.9
Het middel bevat de klacht dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden.
2.1
Het cassatieberoep is ingesteld op 27 januari 2022. De stukken van het geding zijn op 18 januari 2023 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Deze overschrijding kan niet meer worden gecompenseerd door een voortvarende afdoening. Aldus komt deze zaak in aanmerking voor strafvermindering.

Afronding

3.1
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar sinds het instellen van het cassatieberoep is verstreken. Ook in dat opzicht is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro overschreden.
3.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG