3.3Het hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de inhoud van de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv. De aanvulling op het verkorte arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“In de hierna te melden bewijsmiddelen wordt telkens verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0900-2020104028, gesloten en getekend op 9 april 2020 door [verbalisant 1] , brigadier van politie Eenheid Midden-Nederland.
1. Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van aangifte met nummer: PL0900-2020103612-1, d.d. 8 april 2020 (pagina's 1 tot en met 2) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
als verklaring van [aangever 1] :
Ik ben namens de [school] , gevestigd aan de [a-straat 1] te [plaats] , gerechtigd tot het doen van aangifte. Onze school wordt de laatste weken geteisterd door vernielingen door hangjeugd. De afgelopen dagen zijn meerdere grote ruiten van klaslokalen ingegooid. We treffen grote brokken gebroken tegels aan naast de ingegooide ramen. Dit is vannacht weer gebeurd. Enkele reeds afgedichte ramen zijn wederom ingegooid en/of beschadigd. De school is gisteren op dinsdag 7 april 2020 omstreeks 17:00 uur afgesloten. Vanmorgen bij openen werd nieuwe schade geconstateerd. Dit was op 8 april 2020 omstreeks 08:00 uur. Het betrof vernielde ruiten van het hoofdgebouw en van het bijgebouw.
2. Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van aangifte met nummer: PL0900-2020103926-1, d.d. 8 april 2020 (pagina's 15 tot en met 16) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
als verklaring [aangever 2] :
Ik doe hierbij aangifte van vernieling van een etalageruit van de winkel waar ik werkzaam ben. De winkel betreft een slijterij van de keten genaamd " [A] ", welke gevestigd is op de [b-straat 2] te [plaats] . Op 7 april 2020 omstreeks 19.00 uur verliet ik de winkel. Ik sloot de winkel af. Ik zag op dat moment verder geen beschadigingen, buiten de eerder ontstane schade tijdens de jaarwisseling om. Op 7 april 2020 omstreeks 23.00 uur werd ik thuis gebeld door de alarmcentrale, welke is aangesloten bij de winkel. Ik vernam van de beveiligingsmedewerker dat er een inbraak alarm af was gegaan in de winkel. Bij de winkel constateerde ik dat er niemand daadwerkelijk binnen was geweest, maar wel dat er wederom glas splinters/scherven op de grond lagen voor de ruit die eerder vernield was. Ik zag dat deze splinters/scherven afkomstig waren uit de hiervoor genoemde ruit. Ik werd vervolgens aangesproken door een buurtbewoner die mij vertelde dat jongens de ruit verder hadden vernield en hierop waren aangehouden door de politie.
3. Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige met nummer: PL0900-2020103612- 8, d.d. 7 april 2020 (pagina's 25 tot en met 26) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
als verklaring van [betrokkene 1] :
In de avond van 7 april 2020, omstreeks 22.15 uur, hoor ik allerlei lawaai. Ik kijk over mijn schutting en zie een groep jongeren bij de glazen winkelpui van de [A] staan. Ik zie dat een aantal jongens uit die groep bezig zijn met een winkelwagentje en deze steeds met kracht tegen de, al deels kapotte, ruit aan gooien. Ik zie dat het een groep van rond de 8 jongens betreft.
4. Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige met nummer: PL0900-2020103612- 4, d.d. 8 april 2020 (pagina's 34 tot en met 36) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
als verklaring van [betrokkene 2] :
Afgelopen dagen zijn er meerdere vernielingen gepleegd rond de [school] aan de [a-straat] te [plaats] , ik woon daar vlakbij. Vanavond, dinsdag 7 april 2020, omstreeks 21.30 uur, had ik mijn achterdeur open en ik hoor weer allerlei ketsende geluiden van stenen tegen de ramen. Ik ben naar buiten gelopen en ik zie dat bij de school een groep van acht jongens staat. Ik heb de jongens gewoon kunnen tellen. Ik zag dat een jongen uit die groep een steen tegen de ruit van de school gooide. De rest staat er dan omheen te lachen en ik hoor dat ze elkaar wat proberen uit te dagen. Ik heb volgens mij drie jongens met stenen zien gooien. Ik loop naar de groep toe en spreek de jongens aan. Zeven van de acht jongens renden meteen weg, maar eentje blijft staan. Ik laat de jongen los en hij rent weg. Ik heb toen de eerste keer de politie gebeld.
Ik loop dan verder door de wijk; je kunt de groep gewoon horen. Ik hoor geluiden van klappen op vuilnisbakken en volgens mij ook klappen tegen autospiegels. Ik kan niet zien wat er gebeurt. Maar zo'n kwartier later zie ik exact dezelfde groep staan bij het winkelcentrum [c-staat] bij de [A] . Ik zie dat wisselende jongens met een en hetzelfde winkelwagentje, dat winkelwagentje steeds tegen een reeds kapotte ruit gooien van de winkel. Ik heb de indruk dat de schade aan die ruit groter is geworden. Volgens mij waren drie of vier jongens uit de groep hiermee bezig, de rest staat er omheen te schreeuwen. Als de groep weer in beweging komt loopt een groep van vijf jongens naar mij toe en het lukt mij om een van de jongens uit de groep aan te spreken. Ik heb toen de politie gebeld en gezegd dat ik een jongen had aangehouden. De groep van acht jongens heb ik zowel bij de [school] als bij de [A] gezien.
5. Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met nummer: PL0900-2020103612-6, d.d. 8 april 2020 (pagina 33) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Ik was op 7 april 2020 omstreeks 22.20 uur belast met opvallende surveillance. Omstreeks 22.31 uur kwamen wij ter plaatse. Ik zag dat er verschillende buurtbewoners over straat liepen. Ik hoorde dat twee mannen bij onze aankomst direct zeiden: "Een groepje jongeren hebben vernielingen gepleegd in de wijk, zij zijn allemaal weggerend, maar deze jongen hebben wij te pakken kunnen krijgen." Ik zag dat er een jongen, op de grond, tegen een muur zat. Ik ben naar de jongen toegelopen. Ik herkende de jongen ambtshalve als: [verdachte] , [verdachte] . Ik heb [verdachte] de cautie medegedeeld. Ik hoorde dat hij uit zichzelf verklaarde dat hij inderdaad met een groepje jongeren was. Dat enkele jongens in dat groepje inderdaad vernielingen hadden gepleegd, maar dat hij deze jongens niet kende.
6. Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met nummer: PL0900-2020103612-10, d.d. 8 april 2020 (pagina's 27 tot en met 28) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] :
Op 7 april 2020 te [plaats] zagen wij een jongen (mij, verbalisant [verbalisant 2] , ambtshalve bekend als zijnde [verdachte] ) op de grond zitten met enkele volwassenen om hem heen. Ik, verbalisant [verbalisant 3] , sprak met de getuigen. Uit hun verklaringen werd mij duidelijk dat genoemde [verdachte] kort daarvoor deel uit had gemaakt van een groep van 8 jongens, die vernielingen hadden gepleegd bij:
• [school] , [a-straat 1] [plaats]
• [A] , [b-straat 2] ”