ECLI:NL:PHR:2024:220

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 februari 2024
Publicatiedatum
26 februari 2024
Zaaknummer
22/00832
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 80a ROArt. 433 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid betrokkene in cassatie wegens overschrijding redelijke termijn in ontnemingszaak

In deze ontnemingszaak, onderdeel van het grotere 'IJsberg'-onderzoek naar witwassen via bitcoinhandel, heeft het gerechtshof Den Haag het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €45.952,07 en betrokkene tot betaling aan de staat veroordeeld.

Tegen dit vonnis is cassatie ingesteld met twee middelen, waarvan het eerste voorwaardelijk was en afhankelijk van het slagen van een hoofdzaak. Omdat in de hoofdzaak alle middelen faalden behalve een middel over de strafoplegging, wordt het eerste middel niet behandeld.

Het tweede middel klaagt over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, omdat stukken te laat door het hof zijn ingezonden. De procureur-generaal adviseert de betrokkene niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a RO. Zelfs als de Hoge Raad het beroep zou ontvankelijk verklaren, leidt het middel niet tot cassatie, aangezien in de strafzaak ook overschrijding is vastgesteld en strafvermindering is geadviseerd.

De conclusie is dat betrokkene niet-ontvankelijk is in het cassatieberoep tegen de ontnemingsmaatregel en dat er geen andere gronden zijn voor vernietiging van het bestreden arrest.

Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/00832 P

Zitting27 februari 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de betrokkene

Inleiding

1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij uitspraak van 1 maart 2022 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 45.952,07 en de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.
2. Cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. L.C. de Lange, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Deze ontnemingszaak maakt – tezamen met de tien samenhangende zaken waarin ik vandaag ook concludeer [1] – deel uit van het onderzoek met de naam ‘IJsberg’. Centraal in dit onderzoek staan de handel in en het contant maken van bitcoins, waarbij een verdenking van witwassen is gerezen.

De strafzaak

4. In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak heeft het hof de verdachte wegens “
schuldwitwassen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.

Het eerste middel

5. Het eerste middel betreft een voorwaardelijk middel, waarbij als voorwaarde is gesteld dat het arrest in de strafzaak wordt vernietigd.
6. In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak (22/00485) heb ik geconcludeerd dat de alle door het OM ingediende middelen en alle namens de verdachte voorgestelde middelen falen, met uitzondering van het middel ten aanzien van de opgelegde straf. Indien de Hoge Raad mij volgt, wordt de gestelde voorwaarde – in essentie – niet vervuld. Daarmee moet aan dit middel voorbijgegaan worden.

Het tweede middel

7. Het tweede middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
8. Nu het middel over de schending van de inzendtermijn het enige voorgestelde middel is, stel ik mij op het standpunt dat de Hoge Raad de betrokkene op grond van artikel 80a RO niet-ontvankelijk kan verklaren.
9. Ook indien de Hoge Raad de betrokkene in zijn beroep zou willen ontvangen, behoeft het tweede middel overigens niet tot cassatie te leiden. Immers, ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt (22/00485), is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak heb ik om die reden geadviseerd tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf. Gelet daarop kan in deze ontnemingszaak worden volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. [2]

Slotsom

10. De betrokkene is niet-ontvankelijk in het beroep.
11. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
12. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.In zeventien samenhangende zaken is cassatieberoep ingesteld.
2.Vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3575.