Conclusie
1.De cassatieprocedure
2.Aanleiding en verloop van de zaak
nietbuiten redelijke twijfel dat de klager als de eigenaar van het voertuig moet worden aangemerkt.” Tegen dat laatste oordeel wordt in cassatie opgekomen.
3.Het middel
bijlage 1aan dit klaagschrift toegevoegd. Daarnaast betreft de Mercedes Sprinter een zelf in elkaar “geknutselde” bus.
bijlage 2en
bijlage 3, waaruit volgt dat zowel de vader van klager als de grootouder van klager verklaren dat klager eigenaar is van de Mercedes Sprinter. Tevens wenst klager verschillende bankafschriften van zijn grootouders als
bijlage 4te overleggen waaruit volgt dat zijn grootouders contant geld opnemen, welke zij vervolgens aan hun kleinzoon [klager] geven. Vanaf 2016 tot heden wordt ± per maand € 300,- aan [klager] gegeven door zijn grootouders ter ondersteuning van zijn motorsport. Dit wordt opgenomen van [het] gezamenlijke bankrekeningnummer [rekeningnummer] van zijn grootouders. Zodoende ontvangt [klager] maandelijks een bedrag van zijn grootouders van enkele honderden euro’s. Een verklaring van een van de grootvaders [betrokkene 2] – vader van zijn moeder – van het bewijs van bijdrage aan hun kleinzoon wordt als
bijlage 5overgelegd. Aldus ontvangt klager naast het inkomen zoals door de rechtbank is vastgesteld, ook een geldelijke bijdrage van ± per maand € 300,-. Dit in samenhang bezien met het feit dat de Mercedes Sprinter een veel lagere waarde vertegenwoordigt dan aangenomen, het geen originele wagen betreft, de kilometer stand niet origineel is wat de waarde doet dalen, meent klager dat thans wel buiten redelijke twijfel vast kan worden gesteld dat klager als eigenaar van het voertuig dient te worden aangemerkt. Enige andere aanwijzing dat dit niet zo zou zijn ontbreekt. Het is uiteindelijk ook niet aan klager om aan te tonen dat de Sprinter niet van hem is maar aan het openbaar ministerie om bewijs te brengen van deze stelling.
bijlage 6te overleggen, waarop hij onder meer in de Mercedes Sprinter zit en waar hij foto’s heeft gemaakt van de bus terwijl hij op rondtocht was. Ook is klager in het bezit van een filmpje waarop hij te zien is bij de bus.
bijlage 7.”
Het oordeel van de rechtbank
nietbuiten redelijke twijfel dat de klager als eigenaar van het voertuig moet worden aangemerkt. Het beklag dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
nietbuiten redelijke twijfel [acht] dat de klager als eigenaar van het voertuig moet worden aangemerkt”.
“dat de klager geen erfenissen of giften heeft ontvangen", terwijl het tweede klaagschrift (onderbouwd met stukken) inhoudt dat [de klager] sinds 2016 van zijn grootouders € 300,- per maand cash ontvangt”. Daarmee is de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift volgens de steller van het middel uitgegaan van een te beperkt inkomen c.q. vermogen van de klager ten tijde van de aankoop van de camper.
“de kentekenregistratie, verzekering en wegenbelasting op naam van klager zijn gesteld, niet doorslaggevend zijn bij de beoordeling van de vraag of klager rechthebbende op het voorwerp is”, doch [dat] in het licht van die omstandigheden in de beschikking (…) de overige omstandigheden die [eveneens] wijzen op het eigendom van klager (niet onbesproken hadden mogen blijven)”. De steller van het middel wijst in de toelichting op ‘bijvoorbeeld’ de omstandigheid dat de klager (foto)bewijs heeft ingebracht waaruit blijkt dat hij de camper daadwerkelijk gebruikte als ware het zijn eigendom. “Al deze factoren – in onderlinge samenhang bezien – wijzen volgens de steller van het middel nadrukkelijk in de richting van klagers eigenaarschap van de camper”, aldus de steller van het middel.