ECLI:NL:PHR:2024:224

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 februari 2024
Publicatiedatum
26 februari 2024
Zaaknummer
22/04921
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 lid 1 SvArt. 94a SvArt. 552a SvArt. 359 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt beslissing rechtbank over eigendom camper in beslagleggingszaak

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beslissing van de rechtbank Den Haag over het eigendom van een camper waarop beslag was gelegd in een strafzaak. De klager stelde eigenaar te zijn van de camper en verzocht om opheffing van het beslag en teruggave. De rechtbank verklaarde het beklag ongegrond omdat niet buiten redelijke twijfel vaststond dat de klager eigenaar was.

De klager had nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd, waaronder bewijs van financiële bijdragen van grootouders, een lagere waarde van de camper door teruggedraaide tellerstand en foto- en videomateriaal waaruit gebruik van de camper blijkt. De rechtbank oordeelde desalniettemin dat niet buiten redelijke twijfel vaststond dat de klager eigenaar was.

De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze nieuwe feiten niet tot een ander oordeel leiden. De motivering is ontoereikend omdat de rechtbank niet expliciet ingaat op de nieuwe bewijsstukken en tegenstrijdigheden in haar oordeel. De Hoge Raad vernietigt daarom de beslissing en wijst de zaak terug voor een nieuwe beoordeling door de rechtbank Den Haag.

De procedure benadrukt het summiere karakter van het onderzoek in raadkamer en de beperkte motiveringsverplichting, maar stelt ook dat bij herbeoordeling de rechter wel inzicht moet geven in zijn oordeel over nieuwe feiten. De Hoge Raad bevestigt hiermee de noodzaak van voldoende motivering bij beslissingen over eigendom in beslagleggingsprocedures.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en wijst de zaak terug voor nieuwe beoordeling wegens onvoldoende motivering.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/04921 B
Zitting27 februari 2024
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de klager

1.De cassatieprocedure

1.1
De rechtbank Den Haag heeft bij beslissing van 17 mei 2022 het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klager, strekkende tot (i) opheffing van het (derden)beslag op een camper en een motorscooter en (ii) teruggave van deze voorwerpen aan de klager, ongegrond verklaard ten aanzien van de camper. De rechtbank heeft de klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag ten aanzien van de motorscooter.
1.2
Het cassatieberoep is op 23 mei 2022 ingesteld namens de klager. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel komt met drie deelklachten op tegen het oordeel van de rechtbank dat niet buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van de in beslag genomen camper kan worden aangemerkt.
1.3
Het middel is terecht voorgesteld. Deze conclusie strekt dan ook tot vernietiging en terugwijzing.

2.Aanleiding en verloop van de zaak

2.1
Op 16 september 2020 is bij een doorzoeking beslag gelegd op een camper (merk Mercedes, type Sprinter) en een – in de camper aangetroffen – motorscooter (een crossmotor). Het beslag is gelegd onder [betrokkene 1] . De camper stond op diens bedrijfsterrein. [betrokkene 1] wordt verdacht van witwassen en van drugsdelicten. Bijna een jaar na de doorzoeking, op 8 juli 2021, is op grond van art. 94a Sv conservatoir beslag gelegd op de camper en de crossmotor. Daarna is het oorspronkelijke, op grond van art. 94 Sv Pro gelegde, (klassieke) beslag opgeheven. De klager stelt eigenaar te zijn van beide voertuigen en verzoekt om opheffing van het beslag en teruggave van de voertuigen.
2.2
Het onderhavige klaagschrift is ingediend op 29 oktober 2021. Hier is een eerder klaagschrift aan vooraf gegaan. Op 21 april 2021 heeft de klager ook al verzocht om opheffing van het beslag en teruggave van de voertuigen. De beklagrechter van de rechtbank Den Haag heeft op 14 september 2021 naar aanleiding van dat klaagschrift geoordeeld dat niet buiten redelijke twijfel vaststaat dat de klager de eigenaar van de voertuigen is en heeft om die reden het beklag ongegrond verklaard. Ruim zes weken later heeft de klager opnieuw een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv ingediend. Dit klaagschrift behelst hetzelfde verzoek als het eerdere klaagschrift, maar het is onderbouwd met nader bewijs voor het eigenaarschap van de klager. Het tweede klaagschrift is behandeld op de openbare raadkamerzitting van 3 mei 2022. Op die zitting blijkt dat het beslag op de crossmotor (ergens) in het tijdvak tussen het indienen van het klaagschrift op 29 oktober 2021 en de zitting van 3 mei 2022 is opgeheven en dat de crossmotor aan de klager is teruggegeven. In de beslissing op het tweede klaagschrift heeft de beklagrechter op 17 mei 2022 de klager niet ontvankelijk verklaard in zijn beklag over de crossmotor. Ten aanzien van het beklag over de camper verklaart de rechtbank het beklag opnieuw ongegrond: zij “acht (…) het – alles afwegend –
nietbuiten redelijke twijfel dat de klager als de eigenaar van het voertuig moet worden aangemerkt.” Tegen dat laatste oordeel wordt in cassatie opgekomen.

3.Het middel

3.1
In het middel wordt geklaagd dat de beslissing niet in stand kan blijven, omdat het oordeel van de rechtbank dat niet buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van de inbeslaggenomen camper kan worden aangemerkt, niet zonder meer begrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
3.2
Het klaagschrift dat ten grondslag ligt aan de onderhavige beklagprocedure houdt onder meer in:
“In het onderzoek Taxus zijn een Mercedes Sprinter en een crosser in beslag genomen. Klager is eigenaar en derhalve rechthebbende van deze Mercedes sprinter. Klager heeft geen afstand gedaan van deze goederen. Evenmin zijn deze goederen door enig strafbaar feit verkregen of onttrokken aan een rechthebbende. Klager wenst teruggave van zowel de Mercedes Sprinter als de crosser.
Namens klager is eerder aan uw rechtbank verzocht om teruggave van de Mercedes Sprinter en de crosser. De enkelvoudige raadkamer heeft op 14 september jl. het klaagschrift ongegrond verklaard. Volgens de rechter stond op dat moment niet buiten redelijke twijfel vast dat klager als eigenaar van het voertuig dient te worden aangemerkt.
De rechtbank heeft onder meer overwogen dat de waarde van de Mercedes Sprinter wordt geschat tussen de € 14.000 en € 20.000 euro. Dit is onjuist. De tellerstand van de Mercedes Sprinter is, voordat klager eigenaar werd van de bus, teruggedraaid. Hierdoor is de tellerstand veel lager dan de werkelijke tellerstand eigenlijk had moeten zijn. De waarde is dan ook velen malen lager dan de schatting van de waarde welke de rechtbank heeft meegenomen in haar beoordeling. Een bewijs hiervan van de RDW wordt als
bijlage 1aan dit klaagschrift toegevoegd. Daarnaast betreft de Mercedes Sprinter een zelf in elkaar “geknutselde” bus.
De rechtbank heeft tevens overwogen dat het verzamelinkomen van klager in 2019 € 10.975,- en in 2018 € 11.094,- was en klager volgens de rechtbank geen erfenissen of giften heeft ontvangen. Bij de behandeling van het klaagschrift ter raadkamer heeft de raadsvrouwe van klager aangegeven dat klager geld ontvangt van zijn grootouders en hij tevens sponsoring geniet binnen de motorsport. De rechtbank heeft dit kennelijk niet meegenomen in haar oordeel, nu de beslissing hiervan geen blijk geeft. Klager wenst nieuwe stukken te overleggen, waaruit voorgaande wordt bevestigd. Allereerst worden er twee verklaringen overgelegd als
bijlage 2en
bijlage 3, waaruit volgt dat zowel de vader van klager als de grootouder van klager verklaren dat klager eigenaar is van de Mercedes Sprinter. Tevens wenst klager verschillende bankafschriften van zijn grootouders als
bijlage 4te overleggen waaruit volgt dat zijn grootouders contant geld opnemen, welke zij vervolgens aan hun kleinzoon [klager] geven. Vanaf 2016 tot heden wordt ± per maand € 300,- aan [klager] gegeven door zijn grootouders ter ondersteuning van zijn motorsport. Dit wordt opgenomen van [het] gezamenlijke bankrekeningnummer [rekeningnummer] van zijn grootouders. Zodoende ontvangt [klager] maandelijks een bedrag van zijn grootouders van enkele honderden euro’s. Een verklaring van een van de grootvaders [betrokkene 2] – vader van zijn moeder – van het bewijs van bijdrage aan hun kleinzoon wordt als
bijlage 5overgelegd. Aldus ontvangt klager naast het inkomen zoals door de rechtbank is vastgesteld, ook een geldelijke bijdrage van ± per maand € 300,-. Dit in samenhang bezien met het feit dat de Mercedes Sprinter een veel lagere waarde vertegenwoordigt dan aangenomen, het geen originele wagen betreft, de kilometer stand niet origineel is wat de waarde doet dalen, meent klager dat thans wel buiten redelijke twijfel vast kan worden gesteld dat klager als eigenaar van het voertuig dient te worden aangemerkt. Enige andere aanwijzing dat dit niet zo zou zijn ontbreekt. Het is uiteindelijk ook niet aan klager om aan te tonen dat de Sprinter niet van hem is maar aan het openbaar ministerie om bewijs te brengen van deze stelling.
In de beslissing van de rechtbank wordt tevens onder meer opgemerkt dat uit gegevens van het CJIB blijkt dat de verdachte, [betrokkene 1], gebruik heeft gemaakt van de camper, nu hij op zijn naam een boete heeft gekregen in combinatie met het kenteken. Ook worden enkele andere punten benoemd. Namens klager is echter ter raadkamer naar voren gebracht dat de kinderen van [betrokkene 1] inderdaad vaak met hem crossen. De Mercedes Sprinter behoort echter aan klager toe. Klager wenst hierbij enkele foto’s als
bijlage 6te overleggen, waarop hij onder meer in de Mercedes Sprinter zit en waar hij foto’s heeft gemaakt van de bus terwijl hij op rondtocht was. Ook is klager in het bezit van een filmpje waarop hij te zien is bij de bus.
In de beslissing van de rechtbank wordt [A-G: overwogen] dat volgens vaste jurisprudentie de enkele omstandigheden dat de kentekenregistratie, verzekering en wegenbelasting op naam van klager zijn gesteld, niet doorslaggevend zijn bij de beoordeling van de vraag of klager rechthebbende op het voorwerp is. (HR 6 maart 2012, LJN BV3452 en HR 6 maart 2012, LJN BV3451). Klager meent dat hij thans voldoende bescheiden heeft overgelegd, waardoor buiten redelijke twijfel vast slaat dat klager eigenaar is van de Mercedes Sprinter. Eerder had klager al de kentekenregistratie overgelegd, alsmede enkele bankafschriften van de verzekering en de wegenbelasting.
Voor de volledigheid worden ook deze bijlagen, welke bij de behandeling ter raadkamer namens klager aan uw Rechtbank zijn overgelegd, aan dit klaagschrift gevoegd als
bijlage 7.”
3.3
Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 3 mei 2022 houdt onder meer in:
“De klager verklaart, verkort en zakelijk weergegeven:
De motor is al terug. Het klaagschrift gaat alleen over de camper ‘sprinter’. Wij crossen met zijn allen. Ik train met de [broertjes] . Ik woon in Amsterdam. Ik heb daar hele hoge parkeerkosten en geen plek om mijn bus te parkeren, dus heb ik hem gestald in de loods van [betrokkene 1] . Mijn camperbus staat daar sinds de loods is aangekocht. Ik heb de bus gekocht bij een particulier in Utrecht. De verkoper wilde hem weg doen want de bus had schade. Wij hadden eerst maar een klein busje en wilde een bus waar we ook in konden slapen. Mijn vader is handig en samen hebben we de bus omgebouwd. [betrokkene 1] en ik halen elkaar af en toe op. We delen de bus. Als ik geen tijd had, haalde hij iets op. Ik heb de bus voor 5.000 euro gekocht. Ik krijg bijdrages van mijn opa, oma en ouders. De geschatte waarde van de bus klopt niet. De bus had schade, onder andere deuken in de bumpers. Ik verdien inkomsten als PT trainer in het olympisch stadion: In 2019 en 2020 werkte ik voor hetzelfde bedrijf, maar dan in loondienst.”
3.4
De bestreden beslissing houdt onder meer in:

Het oordeel van de rechtbank
[…]
De rechtbank stelt vast dat de klager andere feiten en omstandigheden aandraagt dan waarop het eerdere klaagschrift was gebaseerd. Deze nieuwe feiten en omstandigheden dienen ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij de eigenaar is van de camper. De klager voert aan dat de werkelijke waarde van de camper lager is dan de waarde waar vanuit werd gegaan in de beslissing van 14 september 2021 doordat de camper zelf in elkaar is gezet en de tellerstand is teruggedraaid. Ook voert hij aan dat zijn inkomen in 2019 hoger was dan het inkomen waarvan werd uitgegaan in de beslissing van 14 september 2021. Hij heeft hiertoe stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij geld ontvangt van zijn grootouders en sponsors. Tevens heeft hij stukken overgelegd waaruit zou moeten blijken dat hij de eigenaar is van de camper, zoals verklaringen van zijn vader en grootouders en foto’s waarop klager als bestuurder van de camper te zien is. De rechtbank stelt vast dat deze nieuwe feiten en omstandigheden nopen tot een nieuwe beoordeling van het verzoekschrift. De klager is ontvankelijk in zijn klaagschrift.
De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt en dat van de rechter niet gevergd kan worden ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden (ECLI:NL:HR:2010:BL2823).
De rechtbank stelt vast dat het proces-verbaal van bevindingen (eigendomsrecherche [kenteken]) van verbalisant [verbalisant] van 23 juni 2021 aanwijzingen bevat dat de belanghebbende - en niet klager - feitelijk eigenaar is van de auto:
Over de belanghebbende/verdachte:
 De camper is tijdens de doorzoeking op 16 september 2020 op het adres van het bedrijfspand van de verdachte aangetroffen.
 Uit gegevens-van het CJIB blijkt dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van de camper, nu hij op zijn naam een boete heeft gekregen in combinatie met het kenteken.
 De camper meermalen is gesignaleerd bij het adres van de verdachte.
Over klager:
 De waarde van de camper wordt geschat tussen de € 14.000,- en € 20.000,- en het verzamelinkomen van de klager in 2019: € 10.795,00 en in 2018: € 11.094,00 bedroeg. Daarbij wordt opgemerkt dat de klager geen erfenissen of giften heeft ontvangen.
 De klager heeft na herhaaldelijk daarnaar te zijn gevraagd tot op heden geen aankoopbewijs van de camper overgelegd.
Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden, afgezet tegen hetgeen door klager is aangevoerd teneinde zijn standpunt te onderbouwen acht de rechtbank het – alles afwegend –
nietbuiten redelijke twijfel dat de klager als eigenaar van het voertuig moet worden aangemerkt. Het beklag dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
Daarbij overweegt de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie de enkele omstandigheden dat de kentekenregistratie, verzekering en wegenbelasting op naam van klager zijn gesteld, niet doorslaggevend zijn bij de beoordeling van de vraag of klager rechthebbende [op] het voorwerp is. (HR 6 maart 2012, LJN BV3452 en HR 6 maart 2012,).”
3.5
Ik stel het volgende voorop. Bij de beoordeling van het beklag van een derde die stelt eigenaar te zijn van hetgeen ten laste van een ander op grond van art. 94a Sv in beslag is genomen, geldt dat de rechter moet beoordelen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel staat dat de klager als eigenaar van het in beslag genomen voorwerp moet worden aangemerkt. [1] Bij de beantwoording van deze vraag zal de beklagrechter civielrechtelijke aspecten mogen betrekken. Hij zal echter geen burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties mogen beslechten. Het gaat in de beslagprocedure immers om een (voorlopig) oordeel over de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van het in beslag genomen voorwerp. [2]
3.6
Het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv heeft een summier karakter. De beklagrechter mag niet te veel vooruitlopen op beslissingen die in de strafzaak of de ontnemingszaak door de zittingsrechter moeten worden genomen. [3] Het summiere karakter van het onderzoek in raadkamer heeft gevolgen voor de omvang van de motiveringsverplichting. Hoewel in art. 24 lid 1 Sv Pro in algemene zin is bepaald dat de raadkamer zijn beslissing met redenen dient te omkleden, worden in beklagzaken, vanwege het summiere karakter van het onderzoek in raadkamer, aan die motivering geen hoge eisen gesteld. Daarbij komt dat de wet ook geen bijzondere motiveringsverplichtingen voor beklagzaken kent. [4] Wel heeft de Hoge Raad ruim een jaar geleden bepaald dat de verwerping van een in beklagzaken gevoerd verweer over de proportionaliteit en subsidiariteit van het gelegde beslag, onder omstandigheden bijzondere motivering kan behoeven. [5] Voor alle andere verweren in beklagzaken geldt dat ‘enkel’ op grond van de algemene motiveringsverplichting van art. 24 lid 1 Sv Pro van de rechter mag worden verwacht dat hij enig inzicht geeft in de vraag waarom het door de klager gevoerde verweer niet is gehonoreerd. [6]
3.7
Terug naar het onderhavige klaagschrift. Hiervoor is onder meer in randnr. 2 al aan de orde geweest dat de beklagkamer van de rechtbank Den Haag zich in een eerdere door de dezelfde klager aangezwengelde beklagprocedure reeds heeft gebogen over het op de camper rustende beslag en het door klager daarop gepretendeerde eigenaarschap. Dat eerste klaagschrift heeft de rechtbank bij beslissing van 14 september 2021 ongegrond verklaard. In de nu in cassatie voorliggende beslissing van 17 mei 2022 heeft de beklagkamer geoordeeld dat het tweede klaagschrift ontvankelijk is, omdat de klager “andere feiten en omstandigheden” heeft aangedragen dan die waarop het eerdere klaagschrift was gebaseerd (zie hiervoor randnr. 3.4). Kennelijk zijn die andere feiten en omstandigheden voor de beklagkamer zo relevant, dat ze een nieuwe beoordeling van de zaak rechtvaardigen. Wanneer de uitkomst van die nieuwe beoordeling gelijk is aan de eerste beoordeling – een ongegrondverklaring van het beklag – mag van de beklagrechter worden gevergd dat hij motiveert waarom de feiten en omstandigheden die hem wel noopten tot een herbeoordeling, niet nopen tot een andere beslissing. Dat ligt in de lijn van het algemene motiveringsverplichting van art. 24 lid 1 Sv Pro: de beklagrechter dient enig inzicht te geven in zijn oordeel. Dat inzicht is in de onderhavige beslissing niet gegeven. Alle feiten en omstandigheden die de beklagrechter in de tweede beslissing in aanmerking heeft genomen bij het oordeel dat het niet buiten redelijke twijfel staat dat de klager als eigenaar van het voertuig moet worden aangemerkt, stonden (vrijwel) letterlijk ook in de eerste beslissing. [7] Reeds daarom acht ik de beslissing ontoereikend gemotiveerd. Daaraan kan niet afdoen dat de beklagrechter in algemeen geformuleerde bewoordingen heeft overwogen dat “op grond van voornoemde feiten en omstandigheden, afgezet tegen hetgeen door klager is aangevoerd teneinde zijn standpunt te onderbouwen […] de rechtbank het – alles afwegend –
nietbuiten redelijke twijfel [acht] dat de klager als eigenaar van het voertuig moet worden aangemerkt”.
3.8
Het middel slaagt. Het is slechts ten overvloede dat ik hierna nog inga op de in het middel geformuleerde deelklachten.
Deelklacht 1
3.9
In de eerste deelklacht wordt geklaagd dat de rechtbank aan haar oordeel dat niet buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van de camper kan worden aangemerkt “ten grondslag heeft gelegd
“dat de klager geen erfenissen of giften heeft ontvangen", terwijl het tweede klaagschrift (onderbouwd met stukken) inhoudt dat [de klager] sinds 2016 van zijn grootouders € 300,- per maand cash ontvangt”. Daarmee is de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift volgens de steller van het middel uitgegaan van een te beperkt inkomen c.q. vermogen van de klager ten tijde van de aankoop van de camper.
3.1
De aan het klaagschrift gehechte “bijlage 4” bestaat uit afschriften van een betaalrekening bij de ING-bank op naam van [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] met rekeningnummer [rekeningnummer]. Daaruit blijkt dat in het jaar 2019 van januari tot en met augustus van die rekening maandelijks een bedrag van rond de € 600,- is opgenomen bij een geldautomaat. De aan het klaagschrift gehechte “bijlage 5” betreft een handgeschreven briefje, ondertekend door [betrokkene 2], inhoudende:
“Bewijs van bijdrage kleinzoon
- Sponsoring Motorsport
- 2015 tot heden +- € 300,- per maand
- Van rek nr. [rekeningnummer]”
3.11
De rechtbank heeft overwogen dat de klager heeft aangevoerd dat zijn inkomen in 2019 hoger was dan het inkomen waarvan werd uitgegaan in de beslissing van 14 september 2021 en dat hij hiertoe stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij geld ontvangt van zijn grootouders en sponsors. De rechtbank heeft vervolgens de waarde van de camper geschat en het verzamelinkomen van de klager in 2019 vastgesteld. Daarbij heeft de rechtbank opgemerkt dat de klager geen erfenissen of giften heeft ontvangen.
3.12
Door enerzijds te overwegen dat de klager stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat de klager geld ontvangt van zijn grootouders en sponsors en door anderzijds zonder nadere motivering te overwegen dat de klager geen erfenissen of giften heeft ontvangen, terwijl de klager ter onderbouwing van zijn standpunt inderdaad twee bewijsmiddelen heeft overgelegd, heeft de rechtbank de hoogte van het verzamelinkomen van de klager in 2019 onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd. Nu de rechtbank de hoogte van dat verzamelinkomen mede bepalend heeft geacht voor haar oordeel dat niet buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van de camper kan worden aangemerkt, heeft de rechtbank dat oordeel eveneens ontoereikend gemotiveerd.
3.13
In de eerste deelklacht wordt hierover terecht geklaagd.
Deelklacht 2
3.14
In de tweede deelklacht wordt geklaagd dat de rechtbank “zonder enige motivering voorbij is gegaan aan het standpunt van [de klager] dat de in aanmerking genomen waarde van de camper (veel) lager is dan de getaxeerde (aanschaf)waarde”. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de klager aangevoerd dat voorafgaande aan het moment waarop hij de eigenaar van de camper werd, de kilometerteller is teruggedraaid, hetgeen ook uit de door de klager overgelegde RDW-gegevens blijkt. De rechtbank had volgens de steller van het middel aandacht moeten besteden aan dit standpunt nu juist die te hoge taxatiewaarde – afgezet tegen de te laag vastgestelde vermogenspositie van de klager – de rechtbank kennelijk tot het oordeel heeft gebracht dat de klager de camper nimmer met eigen middelen kan hebben aangeschaft.
3.15
De aan het klaagschrift gehechte “bijlage 1” betreft een formulier betreffende “Kentekencheck” van het RDW. Het formulier houdt in onder het kopje “tellerstanden”:
“Jaar laatste registratie 2021
Oordeel Onlogisch
Toelichting
In de reeks tellerstanden is een tellerstand geregistreerd die lager is dan de stand daarvoor. Het kan zijn dat de teller is teruggedraaid of dat er een typefout is gemaakt. Wij baseren het oordeel 'onlogisch' alleen op metingen na 1 januari 2014. Sinds die datum zijn wij verantwoordelijk voor de registratie van tellerstanden.”
3.16
Blijkens het hiervoor onder 3.3 weergegeven proces-verbaal van de behandeling in raadkamer heeft de klager aldaar verklaard dat hij de camper voor € 5000,- euro heeft gekocht.
3.17
De rechtbank heeft overwogen dat de klager heeft aangevoerd dat de werkelijke waarde van de camper lager is dan de waarde waar vanuit werd gegaan in de beslissing van 14 september 2021 doordat de camper zelf in elkaar is gezet en de tellerstand is teruggedraaid. De rechtbank heeft verder overwogen dat (onder meer) deze nieuwe feiten en omstandigheden nopen tot een nieuwe beoordeling van het verzoekschrift. De rechtbank heeft vervolgens, evenals in zijn eerdere beschikking van 14 september 2021, de waarde van de camper geschat tussen de € 14.000,- en € 20.000,-, zonder expliciet in te gaan op hetgeen door en namens de klager over de teruggedraaide tellerstand en de (daarmee samenhangende) lagere waarde van de camper is aangevoerd. De beslissing van de rechtbank is in zoverre ontoereikend gemotiveerd.
3.18
Ook de tweede deelklacht is terecht voorgesteld.
Deelklacht 3
3.19
In de derde deelklacht wordt geklaagd dat de rechtbank “wellicht [wel] kan worden gevolgd in de overweging dat de omstandigheden dat
“de kentekenregistratie, verzekering en wegenbelasting op naam van klager zijn gesteld, niet doorslaggevend zijn bij de beoordeling van de vraag of klager rechthebbende op het voorwerp is”, doch [dat] in het licht van die omstandigheden in de beschikking (…) de overige omstandigheden die [eveneens] wijzen op het eigendom van klager (niet onbesproken hadden mogen blijven)”. De steller van het middel wijst in de toelichting op ‘bijvoorbeeld’ de omstandigheid dat de klager (foto)bewijs heeft ingebracht waaruit blijkt dat hij de camper daadwerkelijk gebruikte als ware het zijn eigendom. “Al deze factoren – in onderlinge samenhang bezien – wijzen volgens de steller van het middel nadrukkelijk in de richting van klagers eigenaarschap van de camper”, aldus de steller van het middel.
3.2
De aan het klaagschrift gehechte “bijlage 6” bestaat uit een foto waarop twee mannen te zien zijn in een Mercedes Sprinter bus en twee foto’s van de buitenzijde van een Mercedes Sprinter bus in een omgeving waarop bergen te zien zijn.
3.21
De rechtbank heeft overwogen dat de klager stukken heeft overgelegd waaruit zou moeten blijken dat hij de eigenaar is van de camper, zoals foto’s waarop de klager als bestuurder van de camper is te zien. De rechtbank heeft verder overwogen dat (onder meer) deze nieuwe feiten en omstandigheden nopen tot een nieuwe beoordeling van het verzoekschrift. De rechtbank is vervolgens in haar beslissing niet expliciet ingegaan op hetgeen door en namens de klager is aangevoerd. Daarmee heeft de rechtbank haar oordeel dat zij het niet buiten redelijke twijfel acht dat de klager als eigenaar van de camper moet worden aangemerkt, ontoereikend gemotiveerd.
3.22
Ook de derde deelklacht is terecht voorgesteld.

4.Conclusie

4.1
Het middel slaagt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beslissing en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Den Haag teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823,
2.HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:625, rov. 2.3
3.Zie onder meer HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128,
4.Ik breng in herinnering dat de in art. 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv neergelegde verplichting om gemotiveerd te reageren op niet gehonoreerde uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, niet geldt voor beslissingen van de raadkamer. Vgl. HR 24 november 2009, LJN BI2281,
5.HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128,
6.Vgl. W.E.C.A. Valkenburg in
7.Overwegingen uit de eerste beslissing die expliciet betrekking hadden op de crossmotor – waarop toentertijd nog wel beslag rustte – zijn wel geschrapt.