Conclusie
Nummer22/03953
Inleiding
Het eerste middel
I. De verkeersregels
De gedachte achter de keuze voor in «in ernstige mate» is dat de bepaling beperkt moet zijn tot (voldoende) ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Bij het schenden van een verkeersregel in «ernstige mate» kan worden gedacht aan het meerdere malen negeren van een rood kruis, het meerdere keren rijden door rood licht, voor een langere periode met een hoge snelheid rijden, continu over een vluchtstrook blijven rijden, terwijl dat niet is toegestaan.”
ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Immers, de verdachte heeft over een behoorlijke afstand tijdens een achtervolging door de politie verschillende gevaarlijke manoeuvres verricht waardoor het andere ter plaatste verkeer, waaronder ook vrachtwagens, meermalen moest remmen en uitwijken om een aanrijding met de verdachte te voorkomen. Met name die omstandigheid maakt dat de verkeersvoorschriften in ernstige mate geschonden zijn zoals bedoeld in artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994.
Het tweede middel
De plaats van het begrip opzettelijk in de zinsnede «opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden» brengt mee dat het opzet zowel gericht moet zijn op het overtreden van een of meer verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regel(s). Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet worden afgeleid dat de gedragingen, die elk op zichzelf een overtreding van een verkeersregel inhouden en in veel gevallen niet anders dan opzettelijk kunnen worden begaan, in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige overschrijding van de verkeersregels gericht zijn. Zoals hierboven in de algemene inleiding van deze nota naar aanleiding van het verslag is aangegeven, is de beoordeling van verkeersdelicten in hoge mate casuïstisch.”
gericht op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels en niet op de verder liggende gevaren of gevolgen”. Het hof zal zich dan ook beperken tot de vraag of het opzet van de verdachte gericht was op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. Voor zover deze vraag bevestigend kan worden beantwoord is daarmee ook de eerste vraag beantwoord: heeft de verdachte een of meer verkeersregels overtreden?
Het derde middel
ernstig verkeersgevaarlijk gedragzwaar lichamelijk letsel of levensgevaar was te duchten. Immers, het hof acht het van algemene bekendheid dat verkeersongelukken kunnen worden veroorzaakt door onder andere het wisselen van rijstrook zonder richtingaanwijzer, het op zeer korte afstand achter andere voertuigen rijden en het abrupt van rijstrook wisselen tussen twee voertuigen in, terwijl de afstand tussen die beide voertuigen klein is. Dit alles veroorzaakt des te meer gevaar wanneer er op een aanzienlijk hoge snelheid wordt gereden terwijl er een achtervolging met politieagenten plaatsvindt, waarmee de verdachte aldus ook die politieagenten in gevaar heeft gebracht. Dat rechtvaardigt onder die omstandigheden eveneens de reële vrees dat een aanrijding had kunnen plaatsvinden en daarbij één of meer personen zwaar lichamelijk letsel hadden kunnen oplopen of zelfs hadden kunnen overlijden. De omstandigheid in deze zaak dat onder andere vrachtwagens (grote zware verkeersdeelnemers met een verhoogd risico op zware ongevallen) meermalen moesten remmen en uitwijken om een aanrijding met de verdachte te voorkomen, onderstreept voorgaande.”