ECLI:NL:PHR:2024:269

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 maart 2024
Publicatiedatum
6 maart 2024
Zaaknummer
22/02302
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 SrArt. 36f SrArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep inzake schadevergoeding poging diefstal met braak

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor poging tot diefstal met braak en diefstal, en veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven maanden. Daarnaast werd een schadevergoeding van €5.342,72 toegewezen aan de benadeelde partij, die schade had geleden door de poging tot inbraak in een clubgebouw.

De verdediging voerde in cassatie aan dat de toewijzing van de schadevergoeding onvoldoende gemotiveerd was en dat er onvoldoende rechtstreeks verband bestond tussen de poging en de schade. Het hof had echter geoordeeld dat de benadeelde partij voldoende schade had onderbouwd met offertes en dat de vordering rechtstreeks verband hield met het bewezen verklaarde handelen van de verdachte.

De advocaat-generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk was en voldoende was gemotiveerd, mede gelet op de bewijsmiddelen, het voegingsformulier en het verweer van de verdediging. De Hoge Raad volgde dit advies en verwierp het cassatieberoep, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de schadevergoeding van €5.342,72 wordt toegewezen aan de benadeelde partij.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02302
Zitting12 maart 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 14 juni 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem wegens
- “poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” en
- diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak”
veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Daarnaast heeft het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 5.342,72, aan de verdachte voor dit bedrag een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd en de verdachte veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Voorts bevat het arrest enkele bijkomende, niet voor dit cassatieberoep relevante, beslissingen.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. B.J.P. van Gils, advocaat te Tilburg, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

3.Het middel

3.1
In het middel wordt geklaagd over de motivering van de toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij. Het middel komt erop neer dat het hof de toewijzing van de vordering, gelet op hetgeen namens de verdachte is aangevoerd, niet kan dragen.
3.2
Het hof heeft onder feit 1 ter zake van de verdachte bewezen verklaard dat:
"hij in de periode van 15 januari 2020 tot en met 16 januari 2020
te [plaats]
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in elk geval enig goed,
dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde,
te weten aan [benadeelde] ,
weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en
zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
3.3
Het hof heeft het proces-verbaal van aangifte als bewijsmiddel gebezigd. Het proces-verbaal van aangifte houdt onder meer in het volgende in:
“Men heeft gepoogd de hoofdingang te forceren, mogelijk met een breekvoorwerp. En er is gepoogd een raam open te breken die links van de hoofdingang zit.” [1]
3.4
Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich een formulier “Verzoek tot schadevergoeding”, ingediend namens “ [benadeelde] ”, gedagtekend op 1 maart 2020. Dit formulier houdt onder meer in:
“3. Strafbaar feit
3.1
Hoe is uw schade ontstaan? Poging tot inbraak clubgebouw
3.2
Datum of periode strafbaar feit 15-01-2020 t/m 16-01-2020
3.3
Plaats strafbaar feit [plaats]
(…)
4. Geleden schade (…)
4A Materiële en/of verplaatste schade (…)
Omschrijving materiële/verplaatste schade Bedrag Bijlage
herstel inbraakschade aan centrale € 5026,52 1
toegangsdeur en raamkozijn clubgebouw
inbraakschade glas clubgebouw € 316,20 1
(…)
Totaal materiële/verplaatste schade € 5342,72”
3.5
Het formulier bevat als bijlagen een offerte van een aannemersbedrijf van 22 januari 2020 betreffende “Herstel inbraakschade clubgebouw” met een begrotingstotaal incl. btw van € 5.026,52 en een offerte van een glasservicebedrijf van 23 januari 2020 betreffende “inbraakschade sportcomplex [plaats] ” met een totaalbedrag inclusief btw van € 316,20.
3.6
Ter terechtzitting is blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting door de advocaat-generaal medegedeeld dat de vordering van de benadeelde partij in hoger beroep wordt gehandhaafd, dat geen nadere onderbouwing is ontvangen en dat de advocaat-generaal geen reden ziet “het anders te doen dan in eerste aanleg”. [2]
3.7
Namens de verdachte is ten aanzien van de vordering het volgende verweer gevoerd:
“Wat betreft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] wil ik nog opmerken dat mijn cliënt mij net tijdens de schorsing zei dat hij zich afvroeg hoe hij in tien seconden zoveel schade kan hebben toegebracht. Hij is daar maar kort geweest. De aangifte en het proces-verbaal van de forensische opsporing zitten in het dossier en in het voornoemde proces-verbaal staat opgenomen dat de dader getracht had een glaslat weg te breken, dat er een stuk van de anti-inbraak strook was afgebroken en omgebogen en dat hij deze verder had afgebroken en dat de dader niet in het pand was geweest. Het gaat dus om een poging.
Bij de civiele vordering bevinden zich geen nieuwe stukken. Er is alleen een prijsopgave van januari 2020 en dus niet eens een rekening. Uit die offerte blijkt dat er zestien manuren worden geteld voor het afhangen van deuren en alle andere werkzaamheden die rechtstreeks het gevolg zouden zijn geweest van de poging. De stelling van de verdediging is dat er onvoldoende rechtstreeks verband is en dat de schade onvoldoende onderbouwd is. Het had op de weg van de benadeelde partij gelegen het wat meer concreet te maken. Het is een onevenredige belasting van het strafgeding om deze vordering in de strafzaak helemaal toe te wijzen. De benadeelde partij dient dus naar de burgerlijke rechter gestuurd te worden en niet-ontvankelijk verklaard te worden in de vordering.” [3]
3.8
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij houdt het arrest van het hof het volgende in:

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.342,72. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, zoals opgegeven in het voegingsformulier, en dat de vordering voldoende is onderbouwd. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”
3.9
In zijn overzichtsarrest heeft de Hoge Raad met betrekking tot de motivering van beslissingen over de vordering van de benadeelde partij overwogen dat de begrijpelijkheid van deze beslissingen mede afhankelijk is van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering meer aandacht vragen. [4]
3.1
Het hof heeft geoordeeld dat sprake is van rechtstreekse schade, dat de schade door de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en dat de gevorderde schadevergoeding wordt toegewezen. Bezien in het licht van de bewezenverklaring van de poging tot diefstal met braak, de gebezigde bewijsmiddelen, de ingediende vordering met bijlagen en hetgeen ten aanzien van de vordering namens de verdediging naar voren is gebracht, acht ik het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

4.Conclusie

4.1
Het middel faalt en kan met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 1] namens [benadeelde] , opgemaakt op 16 januari 2020, p. 2.
2.Proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 31 mei 2022, p. 2 en p. 6. In eerste aanleg is gerekwireerd tot volledige toewijzing van de vordering.
3.Proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 31 mei 2022, p. 9.
4.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, m.nt. Vellinga, rov. 2.8.6.